Interview Karel van Wolferen

«Ik geloof niet meer in de superioriteit van het Westen»

Hoogleraar Karel van Wolferen baarde opzien met zijn nieuwe boek ‹De ondergang van een wereldorde›. Hij polemiseert uit alle macht tegen de huidige Amerikaanse machthebbers, de neoconservatieven die de macht hebben gegrepen en in een fantasiewereld leven waarin alleen hun eigen kortetermijnbelang telt. «De neocons willen geen hegemonie, ze willen ongedeelde en onweersproken macht over de hele wereld.»

Het is nog even wennen: zaaltjes vol gearriveerde vijftigers die van gedachten wisselen over de noodzaak van een wereldorde zonder Amerikaanse suprematie. Geen nieuw thema voor lezers van De Groene Amsterdammer, wel voor «Atlantici» die van hun geloof zijn gevallen — en dat worden er sinds 11 september 2001 en het begin van de Amerikaanse «oorlog tegen het terrorisme» steeds meer. Uitgeverij Contact had dan ook geen betere datum kunnen kiezen voor de presentatie van De ondergang van een wereldorde, het nieuwe boek van de Amsterdamse universiteitshoogleraar Karel van Wolferen, dan woensdag 10 september, één dag voor de verplichte herdenkingsrituelen in pers en politiek.

Evenals zijn Amerikaanse collega en inspirator Chalmers Johnson, die deze herfst een boek uitbrengt over hetzelfde onderwerp, polemiseert Van Wolferen uit alle macht tegen de neoconservatieve kliek die de hersens van de Amerikaanse president heeft «gekaapt» en de wereld in een toestand van chronische instabiliteit stort. Het is een door en door politiek boek, geen wetenschappelijk verantwoorde studie en zeker geen doorwrochte analyse zoals zijn beroemde boek over naoorlogs Japan, The Japanese Enigma (1990), dat op bijna elke bladzijde een voor Japanners zowel als westerlingen onbekend feit of verrassend inzicht bevatte. Maar de hartstocht waarmee Van Wolferen over internationale betrekkingen schrijft is aanstekelijk en je zou wensen dat de urgentie van zijn thema doordrong tot politiek Den Haag.

De huidige Amerikaanse machthebbers zien niet langer de voordelen van een stabiele gemeenschap van staten. Ze leven in een fantasiewereld waarin alleen hun eigen korte termijn belang telt. Het land heeft al eerder propagandistische ontsporingen gekend en overwonnen, bijvoorbeeld in de McCarthy-jaren, maar volgens Van Wolferen is er een doorslaggevend verschil tussen toen en nu. Zolang de Sovjet-Unie bestond, was de Amerikaanse democratie gedwongen «op zijn tenen te lopen». Sinds 1991 is er geen strategische rivaal die althans de krankzinnigste ambities van Amerikaanse politici op het wereldtoneel in toom houdt.

Dat inzicht is in andere Europese landen allang gemeengoed, maar Karel van Wolferen werd door de vaderlandse media onmiddellijk ter verantwoording geroepen voor zijn veronderstelde anti-Amerikaanse gezindheid. «Interviewers en recensenten verwijten mij dat ik de VS haat, maar dat is onzin», zegt hij enkele dagen later, gezeten tussen de welgevulde boekenkasten in zijn verbouwde herenboer derij aan het riviertje de Waver. «Ik houd van de Verenigde Staten en ik ben ervan overtuigd dat de beste denkers op allerlei gebied in de VS te vinden zijn. Helaas weten die zich ook geen raad met de machtsgreep van de neoconservatieven. Ik ben wel boos op onze eigen politici en media die hebben zitten slapen. Er is in de VS een catastrofale ontwikkeling aan de gang en die hebben ze gewoon laten liggen. Misschien voelen ze zich heimelijk schuldig over hun intellectuele luiheid.

In Nederland heeft men niet eens door dat het spreken over een ‹alternatief› voor de huidige wereldorde zinloos is. Dat suggereert namelijk dat er een orde bestaat en dat we kunnen kiezen, maar er ís geen wereldorde meer, om de eenvoudige reden dat Washington meent het zonder bondgenoten te kunnen stellen. De Franse en Duitse regeringen zijn hiervan al enige tijd doordrongen. Ik zou willen dat die waarheid ook eens doordrong tot Balken ende, De Hoop Scheffer, Van Aartsen en andere slaapkoppen in Den Haag die denken dat er sinds 11 september 2001 niets is veranderd. Ze moeten hun illusies eindelijk aan de kant zetten, te beginnen met de illusie dat Bush oprecht bezig is met het bestrijden van het terrorisme, dat de oorlog in Irak daarvan een onderdeel is en dat het met de instabiliteit in de wereld mettertijd wel weer goed komt.

Door zo te denken, verliest de regering-Balkenende ons nationaal belang op langere termijn uit het oog. Nederland heeft belang bij een verdere integratie van Europa, maar Washington keert zich nu tegen die integratie omdat het geen alternatief Europees machtscentrum wil laten ontstaan. De Amerikaanse leiders, minister van Defensie Rumsfeld voorop, doen niet anders dan Europese landen intimideren en uit elkaar spelen. Waarom laten wij dat toe? En waarom moeten wij Nederlanders zo nodig deelnemen aan die Joint Strike Fighter? De in dat vliegtuig gebruikte software blijft tot in lengte van dagen eigendom van Washington, zodat wij nog meer dan voorheen in de positie van Amerikaanse vazal komen te verkeren. In Groot-Brittannië stellen nota bene hoge militairen deze kwestie bij hun regering aan de orde. In Nederland heb ik er nog geen militair over horen reppen.»

«De gedachte dat Amerikanen hun zeggenschap over Irak zullen afstaan aan de VN is ook zo’n illusie. De rest van de wereld komt er voorlopig niet aan te pas, behalve als knechtje van de Amerikanen. Bush ziet zijn herverkiezing in gevaar komen als Amerikaanse soldaten in Irak blijven sneuvelen, dus wil hij dat troepen uit andere landen de klappen opvangen. Den Haag heeft soldaten naar Irak gestuurd op humanitaire gronden, maar wat de Amerikanen betreft zijn ze kanonnenvoer. Intussen maakt het Amerikaanse leger zijn handen vrij voor nieuwe operaties, wellicht aan de vooravond van de presidentsverkiezing van november 2004. Ik ben echt bang voor een October surprise, zoals het in Amerikaanse politieke termen heet. Je moet dan niet alleen aan het Midden-Oosten denken, maar ook aan bijvoorbeeld Noord-Korea of een ander doelwit in Azië. Vóór 11 september waren de neocons zelfs bezig van China een vijand te maken. Als niemand ze tegenhoudt, kunnen ze dat in de naaste toekomst alsnog doen.

Het is waar dat de Verenigde Staten nog altijd oppermachtig zijn en dat ze nog steeds wisselende bondgenootschappen aangaan, maar dat gebeurt niet meer in een sfeer van wederzijds respect en op basis van consultatie. Na de Tweede Wereldoorlog hadden de VS vijftig jaar lang de hegemonie in de wereld; ze waren een voorbeeld voor anderen en stonden garant voor een wereldorde. Er mankeerde van alles aan die wereldorde, maar als het erop aankwam, had de rest van de wereld vertrouwen in de Verenigde Staten, óók de Russen, Chinezen, Japanners en andere strategische en economische rivalen. Toen Gorbatsjov het besluit nam om het communisme op te heffen, wist hij dat er buiten de Sovjet-Unie een relatief gastvrije wereldorde bestond en dat hij op de welwillendheid van de Verenigde Staten kon rekenen. Dat vertrouwen is nu weg.

De neoconservatieven willen geen hegemonie, ze willen ongedeelde en onweersproken macht over de hele wereld. Ze zijn niet geïnteresseerd in samenwerking, ze bedrijven verdeel-en-heers-politiek onder hun voormalige bondgenoten om te voorkomen dat één van hen uitgroeit tot een rivaliserend machtscentrum. Ze zijn zogenaamde ‹realisten› op het gebied van de buitenlandse politiek, dat wil zeggen dat ze ervan uitgaan dat landen geen vrienden hebben maar alleen belangen. Die kortzichtigheid loopt uit op een catastrofe, zowel voor de Verenigde Staten zelf als voor de rest van de wereld.»

Over de precieze aard van die catastrofe geeft Van Wolferen in zijn boek geen uitsluitsel: «Ik ben geen koffiedikkijker. Maar het staat als een paal boven water dat de Amerikaanse expeditie in Irak alleen maar nieuwe impulsen geeft aan het internationale terrorisme.»

Zoals hij zelf schrijft is dat terrorisme geen strategische bedreiging van het formaat van Hitler-Duitsland of de Sovjet-Unie, ook al doet George Bush zijn best om het zo voor te stellen. Maar het zal volgens Van Wolferen niet bij die ene dreiging blijven: «Het concept van ‹preventieve oorlogvoering› bijvoorbeeld, dat door zijn regering is geïntroduceerd, is een fundamentele breuk met het niet-aanvals beginsel, het eerste beginsel van beschaafde omgang tussen staten. Landen als Noord-Korea en Iran voelen zich erdoor bedreigd en trachten hun veiligheid te garanderen door een eigen kernwapen te ontwikkelen. En om dat wapen te financieren, verkopen ze hun kernwapentechnologie weer aan anderen. Zo worden nieuwe onzekerheden in de wereld gecreëerd.

Het probleem is dat de neocons geen benul hebben van politieke processen, ze leven in een fantasiewereld. De operatie in Irak is een voorafschaduwing van wat ons te wachten staat. De Iraakse staat is door Amerikaans ingrijpen vernietigd. Die staat was onder Saddam Hoessein afschuwelijk, maar hij zorgde voor elektriciteit, drinkwater en een minimum aan bestaanszekerheid voor mensen in een tropisch klimaat. Dat minimum is weggevallen en de Amerikanen hebben er niets voor in de plaats gesteld. Dat doen ze niet opzettelijk om de Iraakse bevolking te vernederen, dat doen ze uit onwetendheid. De ontwerpers van deze campagne beseften niet wat een staatsapparaat is en waarvoor het nodig is. Ze verkeren in de typisch Amerikaanse, romantische waan dat een staat eigenlijk overbodig is. Ze dachten dat de democratische krachten in Irak vanzelf wel zouden samenkomen als Saddam eenmaal was verdreven. Of neem de ‹oorlog tegen het kwaad› die Bush heeft afgekondigd. Wie bedenkt er nu een oorlog tegen zoiets ongrijpbaars, tegen een moreel begrip dat geen eigen leven leidt, dat niet kan worden verslagen en dat zich ook niet kan overgeven? En het Amerikaanse volk, dat min of meer schoorvoetend met die oorlog instemt, heeft te weinig historisch besef om zulke fantasieën door te prikken en in te zien dat het om politieke redenen in een staat van voortdurende angst en onzekerheid wordt gehouden. Het is waar dat de VS vanouds over een goed geïnformeerde elite beschikken, maar ook die zwijgt op dit moment uit angst om beschuldigd te worden van gebrek aan vaderlandsliefde, of uit zelfcensuur. Zelfs uitgesproken critici van deze regering vinden de ontaarding van hun buitenlands beleid moeilijk te aanvaarden, dus weven ze er allerlei gedachtespinsels omheen om die maar niet te hoeven erkennen.»

In De ondergang van een wereldorde benadrukt Van Wolferen de onhaalbaarheid van het «goedaardige wereldrijk» dat de neocons voor ogen staat. Om te beginnen beschikken de VS niet over de financiële en bureaucratische middelen om het te verwezenlijken. President Bush overvraagt nu al bijna het Congres door 87 miljard dollar extra te reserveren voor de bezetting en wederopbouw van Afghanistan en Irak. Volgens sommige berekeningen stevenen de VS bij voortgezet beleid af op een begrotingstekort van zeven triljoen dollar. Het is mogelijk dat een deel van de rekening wordt afgewenteld op andere landen met belangen in de Golf. Dat is al eerder vertoond, zoals bij de vorige Golfoorlog, die niet door de VS werd gefinancierd maar door Japan, Saoedi-Arabië en de Koeweitse regering in ballingschap.

Karel van Wolferen: «De kosten van de invasie in Irak worden betaald met nieuw schatkistpapier en er zijn aanwijzingen dat de Aziatische centrale banken recentelijk dollars hebben gekocht voor hetzelfde bedrag dat de Amerikaanse regering laat bijdrukken. Het neemt niet weg dat hun plan voor wereldwijde controle, ‹full spectrum dominance› zoals de neoconservatieven het noemen, onhaalbaar en onbetaalbaar is. Ze kunnen wel denken dat de hedendaagse informatie- en communicatietechniek zo’n wereldheerschappij mogelijk maakt, maar ze verkijken zich op de bureaucratische beheersproblemen. Zo’n apparaat zou verstikt worden door een overkill aan informatie en elkaar tegensprekende procedures en instanties. Bovendien missen de VS het personeel, de ervaring en, wat de bevolking betreft, het motief om zo’n imperium te besturen. Ze kunnen radiografisch bestuurde raketten afvuren en bij wijze van spreken met de afstandbediening ongewenste regeringen uitschakelen, maar dat is niet hetzelfde als het beheersen van een land, laat staan de wereld. Die afstandbesturing is geen blijk van kracht, maar juist van zwakte.

Het probleem is dus niet dat de neoconservatieven een wereldrijk willen stichten, het probleem is dat hun streven onvermijdelijk gaat mislukken en dat de wereld wordt opgezadeld met de rampzalige gevolgen. Deze Amerikaanse regering beschikt niet over de kennis, het politieke inzicht en de intellectuele veerkracht om mislukkingen op te vangen. Wanneer Washington eenmaal inziet dat het in zijn opzet faalt, kan de reactie alle kanten op gaan. De VS kunnen van de weeromstuit nog meer landen gaan aanvallen. Ze kunnen zich ook uit allerlei gebieden terugtrekken en een vacuüm achterlaten. Ze kunnen het zelfs allebei tegelijk doen. Het resultaat is hoe dan ook een chaos in de wereld.»

Maar de oude wereldorde was ook verstikkend. Biedt een periode van wanorde geen mogelijkheden om nieuwe, wellicht stabielere bondgenootschappen voor de 21ste eeuw te vestigen?

Karel van Wolferen: «Dat hoop ik wel. Aan het eind van mijn boek besteed ik daar aandacht aan omdat ik hoop dat in Europa initiatieven worden genomen om een stabiele wereldorde te behouden. De meeste landen willen geen oorlog voeren want dat is politiek riskant voor hun regeringen, het is duur en ze moeten er broodnodige reserves voor apart zetten. En zo’n nieuwe orde moet de Amerikanen natuurlijk niet uitsluiten. Integendeel, je moet tegen de VS zeggen dat ze welkom zijn als ze zich aan bepaalde maatstaven houden en bijvoorbeeld niet langer het Midden-Oosten gewelddadig naar hun hand willen zetten.»

Maar moeten we dan, zoals u schrijft, toenadering zoeken tot landen als China, India en Nigeria? Het eerste is een dictatuur, het tweede is in een kernwapenrace verwikkeld met zijn buurland en het derde heeft nauwelijks een functionerende regering.

«Nogmaals, we zullen wel moeten! En die drie zijn gelukkig niet de enige potentiële deelnemers. Natuurlijk zijn er genoeg landen, zeker in Azië, die China in de rol van grote broer niet vertrouwenwekkend zullen vinden, maar het probleem is dat de VS dat tegenwoordig óók niet zijn. Als je zoekt naar landen die geïnteresseerd zijn in een vredelievende statengemeenschap denk ik dat je in India, Zuid-Afrika, Turkije, Egypte of Brazilië niet aan het verkeerde adres bent. Ook China en Nigeria hebben belang bij zo’n orde. Vervolgens zul je vertrouwen moeten opbouwen. Je zult die landen moeten overtuigen van je vaste wil om een stabiele wereldorde te scheppen. Dat vergt tijd en overtuigingskracht, maar de huidige crisis in de internationale betrekkingen kan als katalysator werken. Als dit inzicht eenmaal doorbreekt, zul je verrast worden door de vindingrijkheid die Europa kan tentoonspreiden.»

U schrijft dat stabiele bondgenootschappen niet alleen bestaan dankzij gedeelde belangen, maar ook dankzij gedeelde idealen. Waarom denken we niet in termen van een wereldwijd bondgenootschap van democratieën?

«Daar ben ik helemaal voor, maar hoeveel zuivere democratieën zijn er in de wereld? Neem Azië, het continent dat ik het beste ken omdat ik er vanaf mijn negentiende heb gereisd, de meest uiteenlopende banen heb gehad en in allerlei maatschappelijke kringen heb verkeerd. Daar vind je geen democratieën, wel varianten en gradaties van democratie, bijvoorbeeld in India, toen Indira Gandhi werd weggestemd, op de Filippijnen, waar Marcos door een volksopstand werd weggejaagd, of in Zuid-Korea, dat zich tot op zekere hoogte van zijn militaire regime heeft ontdaan. Men hecht daar wel degelijk aan humane en democratische beginselen, zij het op een andere manier dan wij. Een toekomstig bondgenootschap van vredelievende landen hoeft niet ‹westers› te zijn. Ik geloof niet meer in de superioriteit van het Westen. Alleen al het idee dat wij in een land als Irak even orde op zaken kunnen stellen, dat we daar de democratie gaan brengen, dat vind ik zo arrogant, daar zijn geen woorden voor. We moeten denken in termen van menselijke waarden in plaats van westerse waarden. Wij hebben de Verlichting gehad, maar je hebt in andere culturen ook ‹verlichtinkjes› gehad. Die kennen dezelfde democratische impuls, al komt die tot uiting in andere instituties dan hier.»