Hoe machtige verdachten het Strafhof lam legden

‘Ik gooide mijn leven om zodat ik kon getuigen. Voor niets’

Meer dan tien jaar nadat verkiezingen in Kenia leidden tot massaal geweld lopen de aanstichters nog vrij rond. Het Internationaal Strafhof begon een proces tegen de hoofdverdachten, maar moest dit staken nadat cruciale getuigen waren omgekocht en geïntimideerd. Wat ging er mis en waarom? Een reconstructie.

Je mag er nu niet over schrijven. Misschien als ik klaar ben in Den Haag. Tenminste, áls ik ga getuigen.’ De lange, verlegen Keniaan tegenover me wil graag zijn verhaal kwijt. Alleen: hij mag niet praten met de pers.

Als ik hem voor het eerst ontmoet in oktober 2013 in een café in Amsterdam zit hij al drie jaar in een Europees land in het getuigenbeschermingsprogramma van het Internationaal Strafhof, dat zijn anonimiteit en veiligheid moet garanderen. Met eigen ogen zag hij ‘hoe mensen in beesten veranderden’, zegt hij, nog altijd verbijsterd klinkend, over het geweld dat eind 2007 uitbrak in Kenia. ‘Het was de genocide in Rwanda in het klein.’

Kibet is naar Nederland gehaald voor het proces bij het Internationaal Strafhof tegen de Keniaanse vice-president William Ruto en radiomaker Joshua Sang. Hij wil graag tegen hen getuigen, zegt hij zacht. Maar hij twijfelt.

Op 10 september 2013 had hoofdaanklager Fatou Bensouda van het Strafhof het proces geopend. In een gloedvol betoog vertelde ze hoe Ruto in de aanloop naar de presidentsverkiezingen van 2007 het geweld zou hebben georganiseerd in de Rift-Valley, een kilometers brede strook laagland die heel West-Kenia doorkruist langs een breuklijn in de aardkorst. Sang had hem bijgestaan door via de radio haat te zaaien en instructies door te geven aan gewapende milities, voegde ze toe.

Het geweld brak los op 30 december 2007. Die dag was president Mwai Kibaki tot winnaar uitgeroepen en haastig in zijn ambt herbenoemd, na frauduleus verlopen presidentsverkiezingen. Tegenkandidaat Raila Odinga, die een coalitie van oppositiepartijen leidde waarvan William Ruto prominent lid was, had het nakijken.

Kibaki is een Kikuyu. In het tribaal verdeelde Kenia betekende dit dat Kikuyu’s in groten getale op hem hadden gestemd. De woede over de verkiezingsfraude richtte zich op hen, via een golf ‘moorden, plunderingen en brandstichtingen van de huizen en bedrijven van Kikuyu’s’, zoals Bensouda het formuleerde. Het geweld ontstond echter niet spontaan, het was ‘zorgvuldig voorbereid, gecoördineerd en uitgevoerd’.

In totaal kwamen zeker 1100 mensen om. Alleen al in het district Uasin Gishu, rond de provinciale hoofdstad Eldoret, ‘zijn tweehonderd mensen gedood, raakten er duizend gewond, en zijn vijftigduizend huizen tot op de grond toe vernietigd’, somde Bensouda op, met haar licht sonore stem. Maar gerechtigheid was nabij: de aanklagers van het Strafhof zouden de schuld van Ruto en Sang ‘boven elke gerede twijfel’ aantonen.

Tweeënhalf jaar later, in april 2016, beëindigen de rechters van het Strafhof de zaak tegen Ruto en Sang, wegens gebrek aan overtuigend bewijs – na 157 zittingsdagen, waarop dertig getuigen aan het woord kwamen. Zeventien andere hadden zich echter teruggetrokken, na ‘intimidatie, sociale isolatie en bedreigingen’, verklaart Bensouda dan. Zeker twee Kenianen die zouden getuigen zijn vermoord. In december 2014 al was het proces tegen Uhuru Kenyatta gestaakt, ook nadat cruciale getuigen zich hadden teruggetrokken.

Bensouda ‘betreurt hevig’ dat de zaak spaak is gelopen, zegt ze in 2016, vooral voor de slachtoffers. Ze waarschuwt degenen die de getuigen onder druk hebben gezet: zulke ‘beïnvloeding’ wordt niet getolereerd. Tegen drie Kenianen lopen om die reden internationale opsporingsbevelen, die nadrukkelijk niet worden ingetrokken. De zaak kan nog altijd een staartje krijgen: ‘De tijd is aan onze zijde’, voegt de hoofdaanklager toe.

De afgelopen jaren ben ik Kibet blijven spreken. Hoe konden processen waaraan zó lang was gewerkt mislukken, vroeg ik me af. Welke fouten had het Strafhof gemaakt? Hoe konden ze worden voorkomen? Is het Strafhof wel in staat zulke machtige verdachten te vervolgen? De vrijspraak in hoger beroep van de Congolese ex-vice-president Jean-Pierre Bemba, in juni dit jaar, leek een nieuw somber stemmend voorbeeld. Door middel van gesprekken met slachtoffers, betrokken advocaten en mensenrechtenactivisten, onder meer in Kenia, tracht ik antwoorden te vinden.

Kibet komt uit Uasin Gishu, het in 2007 zwaarst getroffen district. En hij is een Kalenjin, net als vice-president Ruto en radiomaker Sang. Toch steunde hij in 2007 president Kibaki en diens Partij van Nationale Eenheid (pnu): hij is nu eenmaal democraat, zegt hij bijna verontschuldigend tijdens onze eerste ontmoeting, hij wil op iemand stemmen om diens ideeën.

Als hij getuigt, zegt hij, kan hij nooit meer terug naar Kenia omdat hij dan vermoord zal worden. Daarom vroeg hij asiel aan in het land waar hij nu verblijft. Zijn vrouw verblijft in Kenia, maar hij kan haar niet naar Europa halen. Ze staat onder grote druk, al woont ze nu in Nairobi – ver van Eldoret, waar zij en Kibet en hun kinderen eerst woonden.

Haal je man over zodat hij niet gaat getuigen, is haar verteld. ‘Gisteren nog belde mijn moeder me’, zegt Kibet. ‘“Waarom laat je ons lijden? Waarom kom je niet terug?”, zei ze. De hele gemeenschap waarin ik opgroeide, ziet me als een verrader. Terwijl ik maar één ding wilde: gerechtigheid voor de slachtoffers.’

Eind 2007 werkt Kibet voor een lokale mensenrechtenorganisatie in Eldoret, de hoofdstad van Uashin Gishu. Hij voelt hoe tijdens de campagne de spanningen oplopen. Steeds vaker hoort hij Kalenjins de Kikuyu’s op de farms rond Eldoret beschrijven als indringers.

Het woord ‘boerderij’ is misleidend: in de Rift-vallei duidt dat op immense landerijen, ooit toebehorend aan Britse koloniale grootgrondbezitters. Na de onafhankelijkheid in 1963 nam de Keniaanse regering die over om ze in talloze percelen te verdelen. Ze verkocht die aan Kikuyu’s uit de overbevolkte Central Province, zo’n driehonderd kilometer verderop, die soms met halve dorpen tegelijk op de nieuwe landbouwgrond neerstreken. Op die farms bouwden de Kikuyu’s woningen en ontgonnen ze het land. Hun kinderen gingen naar de farmschool, met kinderen van de Kalenjins die er al woonden en vooral vee hielden, op grotere, maar dunner bevolkte lappen grond.

De Kalenjins leverden melk aan de Kikuyu’s, die hun maïs verkochten aan de Kalenjin. Maar toen er meer Kikuyu’s kwamen, ontstond afkeer van hen bij veel Kalenjins. Katalysator waren de Kikuyu-namen die de nieuwkomers de farms gaven waar ze in de meerderheid waren, ook al was dat vóór de Britse tijd ‘puur’ Kalenjin-gebied.

Lokale en nationale politici speelden daar op in, vanuit de gedachte: hoe minder Kikuyu’s per kiesdistrict, hoe gunstiger de kansen voor Kalenjin-politici. Als de ‘indringers’ waren verdwenen, zouden de Kalenjins graasgronden terugkrijgen, was de impliciete belofte in hun redevoeringen. Al rond de verkiezingen van 1992 leidde dat tot geweld, waardoor Kikuyu’s de streek ontvluchtten.

Al vroeg tijdens de campagne van 2007 groeit bij de Kalenjins de angst dat de verkiezingen gemanipuleerd zullen worden om Kibaki te laten winnen. De avond vóór de verkiezingen hoort Kibet hoe Joshua arap Sang, presentator van radiostation Kass FM, tiert dat er auto’s zijn gesignaleerd die ‘nep-verkiezingsbiljetten’ vervoeren. En dat ‘mensen’ daar alert op moeten zijn.

Kibet gaat de straat op, wat hij de volgende dagen zal blijven doen, om voor zijn werkgever schendingen van mensenrechten te kunnen optekenen. In de drie uur dat onze eerste ontmoeting duurt, vertelt hij over de kolkende chaos die langzaam ontstaat – en hoe hij meestal onopgemerkt kan blijven, omdat hij als Kalenjin automatisch als een medestander wordt gezien.

Die eerste avond ziet hij hoe groepen Kalenjins busjes tegenhouden van een door Kikuyu’s gerund bedrijf. De bestuurders van één zo’n busje kunnen maar net aan een lynchpartij ontkomen door naar een politiebureau te scheuren en op het terrein te parkeren. Daar blijken ze helemaal geen al ingevulde stembiljetten in bezit te hebben.

Later hoort hij Kalenjins liederen zingen. ‘We staan in het midden van de rivier. God neem ons mee naar de overkant’, luiden enkele zinnen. Normaliter zingen Kalenjins dit op begrafenissen, nu maken ze duidelijk dat de Kikuyu’s, en niet het water, de Kalenjins ‘aan de lippen staat’, concludeert Kibet.

Bij de Sosiani-rivier, aan de rand van Eldoret, hoort hij William Ruto, dan parlementslid voor het district Uasin Gishu, Kalenjins toespreken vanaf het dak van een auto. In enkele dagen zullen ‘we’ aan de macht zijn, vertelt hij hun in Kibets herinnering, waarna de Kikuyu’s de regio moeten verlaten. ‘We laden ze in een pick-up en sturen ze naar Othaya’, zegt hij, wijzend op het kiesdistrict van president Kibaki. Alleen als je alle Kikuyu’s verbrandt, passen ze in een pick-up, legt Kibet de symboliek uit.

‘De hele gemeenschap waarin ik opgroeide, ziet me als een verrader. Terwijl ik maar één ding wilde: gerechtigheid voor de slachtoffers’

Op de verkiezingsdag zelf, 27 december 2007, gaat Kibet vroeg stemmen. Die avond en de volgende dag groeit de onrust in Eldoret. Waarom worden de uitslagen niet bekendgemaakt? Overal verzamelen mensen zich op straat.

Als Kibet op 30 december om acht uur ’s ochtends zijn huis verlaat, klinken in zijn oren nog de woorden van radiojournalist Sang: de koe was al aan het kalveren, de benen van het jong waren al te zien, maar zijn daarna weer in de buik teruggetrokken. Met andere woorden: Raila Odinga, de favoriete presidentskandidaat van de Kalenjins, had gewonnen, maar de machthebbers hielden dat verborgen. ‘Kom op voor je rechten’, herinnert Kibet zich dat Sang zei. ‘Het is onze tijd. Ze moeten weten dat we niet met ons laten spelen.’ Ook riep hij de ‘jeugd’ op om wegversperringen op te werpen.

Dat gebeurt op veel plekken, die dagen. Ook gaan overal huizen in vlammen op. Twee keer ziet Kibet een lange vrachtwagen met oplegger voorbij komen, elk met twee- tot driehonderd Kalenjin-jongeren, staand in de laadbak, gewapend met pijl en boog en kapmessen. De nummerborden en de zijdeuren, waar meestal het logo van het transportbedrijf staat, zijn afgeplakt.

Op 31 december staat Kibet tussen honderden Kalenjins tijdens een inzamelingsactie, een harambee, zoals Kenianen dat noemen. Er wordt geld opgehaald voor transport en voedsel voor de Kalenjin-strijders, constateert hij. Een lokale politicus hoort hij vertellen namens William Ruto tweehonderdduizend shilling bij te dragen, zo’n tweeduizend euro.

Hij ziet Kalenjin-jongeren bij een wegversperring een Kikuyu tegenhouden. Hij knielt, smeekt, huilt – maar de man wordt vermoord. Elders ziet hij hoe een vluchtende, hoogzwangere Kikuyu-vrouw bij een ander roadblock wordt tegengehouden. Ze zijgt neer en baart in enkele minuten een baby. Beiden worden doodgehakt.

Een keer wordt Kibet middelpunt van snel stijgend wantrouwen. Hij krijgt een vijfliterblik benzine en een kapmes aangereikt. Laat zien dat je bij ons hoort zodra we een Kikuyu zien, wordt hem gezegd. Maar als het zo ver is, en ze hem roepen om zijn loyaliteit door middel van wreedheid te bewijzen, is hij net ontkomen.

Het geweld, inclusief grootscheepse wraakacties door Kikuyu’s, houdt aan tot eind februari 2008. Daarna wordt, na bemiddeling door Kofi Annan, oud-secretaris-generaal van de Verenigde Naties, een bestand afgesproken en komt er een coalitieregering waarin Odinga premier wordt, onder president Kibaki. Tegelijkertijd wordt een commissie ingesteld die de oorzaken van het geweld moet onderzoeken, geleid door rechter Philip Waki.

Als de Waki-commissie in Eldoret mensen verhoort, vertelt Kibet de onderzoekers over zijn ervaringen en brengt hen in contact met de slachtoffers van het geweld, die in tentenkampen zitten. Al snel verspreidt het nieuws zich dat hij een ‘verrader’ is van zijn gemeenschap. ‘Ik kon het dorp van mijn ouders toen al niet meer bezoeken’, zegt hij. ‘Ik was een doelwit. Overal rende ik rond.’

Kibet duikt onder in Nairobi. In de Keniaanse hoofdstad ontmoet hij onderzoekers van het Internationaal Strafhof dat in actie is gekomen omdat inmiddels duidelijk is dat Kenia zelf de daders niet zal berechten. In Arusha, Tanzania, praat hij een week lang met onderzoekers van de Strafhof-aanklagers, die zijn verklaring intikken.

In 2013 verandert het politieke landschap in Kenia totaal. De oude aartsrivalen Ruto en Kenyatta bundelen hun krachten in de Jubilee-coalitie, die in maart 2013 de verkiezingen wint. Vanaf dat moment zetten ze hun nieuw verworven macht in om de rechtszaken bij het Strafhof te hinderen.

Kibet ondervindt het aan den lijve. In mei 2014 vertelt hij me dat kort daarvoor twee getuigen die hij persoonlijk kent, zijn overgelopen naar ‘de andere kant’. In een gefilmd ‘interview’, dat op YouTube is gezet een week voor de zittingen begonnen, beschuldigen ze het Strafhof ervan hen te hebben betaald om valse verklaringen af te leggen ‘to fix William Ruto’ – om Ruto erbij te lappen.

Ex-getuige Samuel Kosgei komt warrig over in de video van vijftig minuten. Om te ‘bewijzen’ dat Strafhof-functionarissen hen instrueerden om te liegen, leest hij adviezen voor die hij had gekregen van het team aanklagers. Maar die tips lijken er eerder op gericht getuigen duidelijk en ondubbelzinnig antwoord te laten geven in de rechtszaal, juist zónder onjuistheden.

Kibet noemt nog een voorbeeld van de ‘lange arm’ van de handlangers van Ruto: een getuige die in Zwitserland zat ondergedoken, besprak het proces met een mensenrechtenactivist in Kenia. De transcriptie van het hele gesprek, inclusief Kibets echte naam, verscheen kort daarop op een Facebook-pagina: alleen de Keniaanse geheime dienst is volgens hem in staat tot zo’n actie.

Dan was er de bisschop van Kibets kerk, die met zijn broers en zijn moeder kwam praten. ‘Ruto huilt, zijn tranen vloeien. Je zoon laat hem lijden’, zei de geestelijke volgens Kibet. ‘Al is er iets slechts gebeurd, het is tijd voor vergeving. Je zoon moet terugkomen, anders komen er problemen.’ Het is niet zozeer Ruto die zijn familieleden onder druk zet, als wel hun eigen gemeenschap, zegt Kibet met een gekwelde blik. ‘Ik ben bang dat hen iets overkomt.’

Ik zie Kibet een paar maanden later terug op mijn computerscherm, met een verdraaide stem, en met zijn gezicht weergegeven in vage blokken, als supergrote pixels in een foto met een extreem lage resolutie. Hij heeft kennelijk de knoop doorgehakt en is gaan getuigen.

Lucio García, een goedmoedig overkomende jurist uit het team van de aanklager, ondervraagt hem als eerste, beginnend op 27 november 2014. In de dagen die volgen, herken ik veel van Kibets verhalen over Ruto en de moorden die hij zag plegen. Vaak worden de zittingen onderbroken, om in closed session – met een rolluik voor de ramen van de publieke tribune – door te gaan. Eén keer blijft het scherm een hele middag omlaag.

De zittingen met Kibet duren elf dagen. Als Karim Khan aan de beurt is, de advocaat van Ruto, valt hij Kibet hard aan. Hij wijst op inconsistenties, en verwijt hem sommige verhalen ‘geheel verzonnen’ te hebben.

Na Kibets ‘optreden’ gaat het proces verder, op het oog geheel volgens plan. In januari 2015 wordt echter de dood gemeld van Meshack Yebei. Hij zou getuigen tegen Ruto en Sang, maar is later naar hen overgelopen, melden Keniaanse media. Wie hem vervolgens heeft bedreigd, staat niet vast. Maar hij trok de bush in om zich te verstoppen, uit angst voor zijn leven, en was al een tijdje vermist. In een condoleanceverklaring benadrukt hoofdaanklaagster Bensouda dat Yebei op dat moment helemaal niet op de getuigenlijst stond. ‘Noch had hij contact met leden van het team aanklagers’, verklaart ze.

‘Yebei’s dood was een keerpunt voor de getuigen’, vertelt Göran Sluiter, die advocaat was van enkele getuigen in de Kenia-zaak. De ‘grote schok’ was volgens hem dat de getuigen ‘het gevoel kregen dat het Strafhof geen actie ondernam na de moord. Het eerste wat het deed was zich indekken.’ Als Kibet nog had moeten getuigen op het moment van Yebei’s dood, vervolgt hij, zou hij hem ‘wellicht hebben geadviseerd daar nog even vanaf te zien’.

De intimidatie werpt vruchten af. Begin april 2016 besluiten de rechters van het Strafhof de zaak tegen Ruto en Sang te beëindigen, wegens gebrek aan overtuigend bewijs. De getuigenissen van Kibet en de 29 andere getuigen waren kennelijk niet sterk genoeg.

Kibet verkeert twee maanden ‘in shock’. ‘Hoe kunnen de rechters dit besluiten? Ze hadden de zaak hooguit moeten opschorten’, zegt hij fel, als ik hem weer spreek. ‘Mijn vrouw in Nairobi is bang voor haar veiligheid. Zolang de zaak loopt, weet ze zich beschermd door het Strafhof. Nu is haar toekomst onzeker.’ Ook over zijn eigen toekomst is hij somber: ‘Ik heb mijn leven overhoop gegooid voor deze zaak, voor niets.’

De maanden erna ‘vieren’ de Kalenjins in Kenia dat Ruto en Sang niet meer vervolgd worden. Tijdens kerkdiensten bidden priesters voor hun zielenheil: omdat Kenyatta en Ruto samen regeren, kunnen alle Kikuyu’s en Kalenjins het goed met elkaar vinden, is de boodschap: de verzoening schiet wortel.

Dat is pure onzin, zegt Kibet. Nog steeds vreest hij dat de machten die achter het geweld zaten hem zullen doden als hij naar Kenia gaat – niet meer om hem te doen zwijgen, maar als wraak. Ik wil dat ter plekke uitzoeken, en begin december 2016 vlieg ik naar Nairobi, om vanaf daar in zes uur door glooiend landschap naar Eldoret te rijden.

‘Je kunt vechten, moorden, huizen in brand steken, verkrachten, zelfs naar het Strafhof worden gebracht – en dan kom je terug, en word je president’

‘Ik zou hier niemand laten komen om te interviewen’, zegt Peter met zachte stem, een ex-verslaggever die me aan contacten wil helpen. Hij is neergestreken in de tuin van Eldoret Club, mijn uit koloniale tijden stammende hotel met veel donker hout, knipmessende obers en een nine hole golfbaan. ‘De eigenaar is een Kalenjin met sympathie voor Ruto’, vervolgt Peter, terwijl de schemer invalt. ‘Wat hij verdacht vindt, geeft hij door.’

Peter werkte in het verleden voor journalisten, maar verliet de mediawereld na het verkiezingsgeweld, vanwege alle gevaren. ‘John Kituyi, een bevriend journalist, schreef een stuk met de kop “Nu wil het Strafhof Ruto opsluiten”. Het was mei 2015, het proces-Ruto was in volle gang. De avond dat zijn weekblad verscheen, is hij opgewacht, in elkaar geslagen en vermoord. Het is beangstigend. Ze weten je te vinden.’

Peter is de eerste die ik spreek in een week vol ontmoetingen met slachtoffers en getuigen van het geweld, geestelijk leiders, researchers voor het Strafhof, van wie enkelen via Peter. Wat bij allen opvalt: ze vertellen over het geweld alsof het zich slechts een paar weken eerder heeft afgespeeld. En: bijna allen willen alleen anoniem aan het woord komen.

Dat geldt ook voor Aron, een tussenpersoon van het Strafhof en zelf een verdreven Kikuyu. ‘Nadat mijn huis en land me waren afgenomen heb ik vijf maanden gehuild. Ik was emotioneel, depressief, bitter. Ik wilde gerechtigheid’, vertelt hij in een stoffig kantoortje in Eldoret. ‘Dus ik en andere slachtoffers zeiden: laten we meewerken met het Strafhof. Ze hebben me getraind, waarna ik slachtoffers ging zoeken – échte slachtoffers, niet de opportunisten die alleen financiële compensatie wilden.’

Tegenover iedereen hield hij stil wat hij deed. Jarenlang. Met een zachte, melancholieke stem vertelt hij over zijn dubbelleven. ‘Ik ben gelukkig niet zo’n gezelschapsmens. Maar nu meed ik mensen helemaal. Net als alcohol. Als je drinkt, krijg je de neiging je hart uit te storten bij vrienden. Maar dat kon ik me niet veroorloven.’

Aron en andere tussenpersonen met wie het Strafhof samenwerkte ‘waren als soldaten’, vervolgt hij. ‘Dat is niet moeilijk, als je weet waarvoor je het doet. Het is alsof je een vrouw hebt én een geheime vriendin. Je moet altijd kalm blijven en tegelijk je vrouw gelukkig houden.’

De klap was dan ook enorm toen hij in 2016 hoorde dat de zaak tegen Ruto en Sang was gestaakt. ‘Ik sloot me op in het toilet en wilde er niet meer uit komen. Ik voelde me zó down. “Laten we samen vechten, we gaan deze zaak winnen”, had ik steeds tegen de slachtoffers gezegd die ik met het Strafhof in contact had gebracht. En dan laat het Strafhof je gewoon zitten. Ik voelde me als een arts die een patiënt verliest. We wilden dat de mensen van het Strafhof zouden bellen, en overleggen: wat wordt de volgende stap? Maar nadat de zaak was ingestort, kwamen ze nog één keer langs en dat was het.’

Slachtoffers die zich hebben geregistreerd bij het Strafhof bellen hem nog steeds. ‘Gisteren nog sprak ik er een. Hoe gaat het nu verder, vroeg ze. Krijgen we nog compensatie? Dat was de slachtoffers voorgespiegeld als Ruto en Sang veroordeeld zouden worden. Je wilt hoop bieden. Ik zei dus toch maar weer: wacht het af, heb geduld.’

Een van die mensen, vertelt hij, woonde met 1300 Kikuyu’s op een farm. ‘Na het geweld van 2007 hebben de meesten hun land verkocht. Nu wonen er nog vijftig. De Kalenjins hebben gewonnen, kun je wel zeggen.’

Maar eigenlijk wil Aron niet opgeven. Het Strafhof kan de zaak zó weer heropenen, zegt hij. Hij kent ‘zeker tien’ getuigen met nieuwe bewijzen, die betrouwbaar zijn en niet omkoopbaar. ‘Nu is het goede moment’, zegt hij op samenzweerderige toon. ‘De politici denken dat ze van het Strafhof af zijn, ze zijn niet meer op hun hoede. Het hof kan nu toeslaan, als een muskiet, die je pas kan steken als jij in slaap bent gevallen.’

Minder bitter, maar evengoed kritisch, is Ken Wafula. Hij is mogelijk een van de bekendste mensenrechtenactivisten in de regio, die ik dan ook bij zijn eigen naam mag citeren. Ook hij was tussenpersoon voor de aanklagers. ‘Hier hebben zo’n zestien getuigen vragenlijsten ingevuld voor het Strafhof’, zegt hij in zijn kantoor in Eldoret, wijzend op een grote houten tafel.

Maar de onderzoekers hadden volgens hem gemakkelijk ‘sterkere getuigen’ kunnen vinden: ‘Ze waren te snel tevreden, met te weinig informatie. Dat was slecht. Wat ze hadden moeten doen, was zo veel mogelijk getuigen verzamelen en hen vervolgens uitvoerig screenen, om te zien wat hun achtergrond was.’ Wellicht was dán voorkomen dat zeventien getuigen zich terugtrokken of lieten omkopen.

Hij kent de verhalen van de ‘overlopers’: ‘Sommigen hadden waardevolle informatie, maar kregen geld toegezegd vanuit het kamp van Ruto. Nu zijn ze een soort gijzelaars. Ze voelen zich niet veilig, omdat ze weten dat het Ruto-kamp hen niet vertrouwt, ook al hebben ze hun getuigenis ingetrokken. Ze gaan door een hel.’

Het belangrijkste voorbeeld vindt ook hij de vermoorde getuige Meshack Yebei. ‘Hij belde me begin 2015, zei dat hij toch naar Den Haag zou gaan om het Strafhof dingen te vertellen. Daarom is hij vermoord. Het geld dat hem door de verdedigers was toegezegd, heeft hij niet gekregen, zei hij ook. Hij vreesde voor zijn leven.’

Het hele Strafhof-hoofdstuk ‘was een ramp’, zegt Wafula: ‘In Kenia gelooft iedereen dat lokale rechters gemanipuleerd kunnen worden, wat leidt tot straffeloosheid. Nu hebben de Kenianen gezien dat ook de internationale rechtspraak wordt gemanipuleerd. Je kunt vechten, moorden, huizen in brand steken, verkrachten, en zelfs naar het Strafhof worden gebracht – en dan kom je terug, en word je president.’

De Anglicaanse dominee Maritim Rirei (52), die eind 2007 slachtoffers bijstond, heeft vooral kritiek op de getuigenbescherming. ‘De eerste maanden was die onvoldoende. De vertrouwelijke gesprekken waren simpelweg niet geheim genoeg’, zegt hij na een dienst in de Anglicaanse kerk in Eldoret. Rirei dacht meteen: dit is voor de vorm, toen hij hoorde hoe hoofdaanklager Luis Moreno-Ocampo de namen van zes verdachten bekendmaakte: drie veronderstelde organisatoren van het geweld tegen Kikuyu’s, onder wie Ruto en Sang, en drie verantwoordelijken voor de wraakacties op Kalenjins, onder wie Kenyatta. ‘Het lijkt eerlijk, drie grote vissen van elke kant van het conflict. Maar waarom waren het er niet vier van de ene en twee van de andere? Of negen en drie? Het ging hier niet om gerechtigheid; dit was politiek.’

Het herinnert me aan het interview dat ik in 2009 voor de Volkskrant had met Moreno-Ocampo, vlak nadat hij Kenia had bezocht. Hij wilde beginnen met ‘twee of drie onderzoeken naar daders, met voor elke zaak twee of drie hoofdverantwoordelijken’, vertelde hij me hoog in de witte kantoortoren in Den Haag, waarin het Strafhof destijds huisde. De getallen leken belangrijker dan hun daden.

Moreno-Ocampo was vol lof over de regering van de voormalige rivalen Kibaki en Odinga, die hij net had ontmoet. Hij noemde ze ‘verstandig’ en ‘echt een team’. ‘Ze zijn vast van plan het recht zijn loop te laten nemen.’

Of hij niet te optimistisch was, vroeg ik. Het Strafhof kon in Kenia in actie komen, juist omdat berechting van daders in Kenia was uitgesloten: het parlement had zelfs de oprichting van een nationaal tribunaal geblokkeerd. Moreno-Ocampo wuifde dat allemaal weg. Als hij met een onderzoek zou beginnen, ‘zullen wij met je samenwerken, zegden ze toe tijdens een persconferentie’, vertelde de hoofdaanklager. ‘Daarmee committeerden ze zich in het openbaar aan samenwerking.’ Voor Moreno-Ocampo was dat genoeg. ‘Daarna gingen we lunchen.’

‘Dat Moreno-Ocampo alleen voor de “grote vissen” koos, vonden we niet zo’n probleem, maar wel dat hij hun namen zo vroeg bekendmaakte’, vertelt columnist en mensenrechtenactivist Muthoni Wanyeki als ik haar opzoek in haar kantoor in Nairobi. In 2008 was ze directeur van de Keniaanse Mensenrechtencommissie, een non-gouvernementele organisatie, en had ze veel met de hoofdaanklager te maken. ‘En dat hij hen niet gevangen hield in Den Haag. Een collega zei: wie vast zit omdat hij een kip zou hebben gestolen, komt ook niet vrij op borgtocht. Waarom wel bij massamoord?’

Moreno-Ocampo rekende op succes, mede door de steun van de internationale gemeenschap en van de meeste Kenianen. ‘Wij vertelden hem: het zegt niets dat volgens peilingen zeventig procent van de Kenianen het Strafhof steunt. Want iedereen – Kalenjins, Kikuyu’s, de talloze verkrachte vrouwen – had andere redenen voor hun steun. Iedereen had zijn eigen verhaal over wie slachtoffer was en wie dader.’

Dan steekt ze de hand in ‘eigen’ boezem. Het Strafhof had de namen van belangrijke getuigen ‘veel beter’ geheim moeten houden. Maar ook de Keniaanse onderzoekers hebben verzaakt: ‘De database van de Nationale Mensenrechtencommissie, de overheidsinstantie die alle namen van slachtoffers en getuigen bevatte, is verkocht aan de hoogste bieder.’

‘Wie vast zit omdat hij een kip zou hebben gestolen, komt ook niet vrij op borgtocht. Waarom wel bij massamoord?’

De developer die de database bouwde en zijn rechterhand hebben de gegevens doorverkocht. ‘Toen het Strafhof met zijn onderzoek begon, was er een hele groep mensen die dus al wist dat er bewijzen tegen hen waren. Het hof had daar rekening mee moeten houden en voorzichtiger moeten zijn.’

Toch waren ze ‘allemaal met stomheid geslagen’ toen de zaken tegen Ruto en Kenyatta werden afgebroken. ‘Iedereen in de ngo-wereld heeft het vermogen van de machthebbers om terug te vechten onderschat’, zegt ze. ‘We zijn naïef geweest.’

Advocaat Göran Sluiter, die ik opzoek als ik weer in Nederland ben, is nog feller dan Wanyeki over het Strafhof. ‘Klassenjustitie van de bovenste plank’ noemt hij het besluit om Ruto en Kenyatta niet gevangen te zetten. ‘Arme sloebers als de Congolese krijgsheer Germain Katanga mogen hun rechtszaak niet in vrijheid afwachten, omdat ze getuigen konden intimideren. Maar juist in de Keniaanse zaak worden de verdachten met alle égards behandeld. Onbegrijpelijk. Dan verlies je je geloofwaardigheid’, zegt hij in zijn kamer aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij lesgeeft.

Volgens Sluiter is ‘fout op fout, misrekening na misrekening’ gemaakt bij de processen tegen Ruto en Kenyatta: ‘Het getuigt van een trieste naïviteit en stupiditeit dat je als aanklager in deze zaak, met een verdachte met zó veel macht en zó veel aanhangers als Ruto, je getuigen op deze manier denkt te kunnen beschermen. Dat had veel rigoureuzer gemoeten. De aanklager had moeten beseffen dat je getuigen en hun gezinnen direct uit hun omgeving weg moet halen, dat ze ook in de buurlanden niet veilig zijn.’

Een oplossing is potentiële getuigen al vroeg rechtsbijstand te verschaffen. ‘Een aanklager wil dat een strafzaak succesvol verloopt, waarvoor hij de getuigen nodig heeft. Dat zijn andere belangen dan die van de getuige. Die is vooral gebaat bij iemand die alléén naar zijn of haar belangen kijkt, die kan vertellen hoezeer het leven verandert door te getuigen. En kan waarschuwen: als je je terugtrekt, kan het hof je dwingen tóch te getuigen. Het hof hééft dwangmiddelen.’

Ook bepleit hij om aanklagers meer tijd te geven voordat ze het bewijs en de namen van de getuigen met de verdediging moeten delen. ‘Dat je bekend moet maken welk materiaal je gebruikt, is onvermijdelijk. Maar je kunt daar een vertraging in aanbrengen, zodat de verdediging veel korter voor de zittingen de namen van de getuigen en hun verklaringen in handen krijgt. De zaken bij het Strafhof lopen jaren, de verdachte heeft dus ook jaren de tijd om getuigen te bewerken.’

Sluiter sluit niet uit dat Ruto de namen van de getuigen, die hij kreeg van zijn advocaat, doorgaf aan zijn handlangers waarna zij ermee ‘aan de slag’ gingen. ‘Ik ben wel blij dat ik niet de advocaat ben van Ruto’, zegt hij. ‘Je móet dan het dossier wel delen met je cliënt, een onmogelijke positie.’

Caroline Buisman, mensenrechtenadvocaat bij BijzonderStrafrecht Advocatuur, was advocaat van radiomaker Sang en van Germain Katanga. Anders dan Sluiter vindt ze dat het Strafhof juist te ver gaat bij de bescherming van getuigen: ‘Zodra mensen zeggen: ik ben niet veilig, worden ze naar een ander land overgebracht. Ik ga niet mee in de massahysterie dat iedereen maar in bescherming moet worden genomen.’

Volgens haar ‘wordt het gevaar soms vergroot’: ‘Hervestiging, dat zó ingrijpt in iemands leven, moet je pas overwegen als het echt niet anders kan.’ Ze is er ook van overtuigd dat het valse verklaringen in de hand werkt, door mensen die dromen van een verblijf in het Westen, ‘en het is nog hartstikke duur ook’.

Ook Buisman denkt dat het onderzoek door de aanklagers van het Strafhof te oppervlakkig was. Moreno-Ocampo heeft de arrestatiebevelen uitgevaardigd tegen zes verdachten – waarvan hij er drie moest intrekken nog voor een proces begon, omdat het bewijs te dun was – vooral op basis van het onderzoek van de Waki-commissie en mensenrechtenorganisaties. ‘Hij had moeten zeggen: we hebben een ander mandaat, hanteren een andere standaard. Maar dat deed hij niet. De aanklagers deden hun werk niet goed, maar wijten alles aan de intimidatie van getuigen als oorzaak van het afketsen van hun zaak.’

Als voorbeeld noemt ze haar ‘eigen’ proces, tegen radiomaker Sang, waarin de aanklagers geen belastende audiofragmenten konden laten horen. De aanklagers stelden dat de autoriteiten hadden geweigerd de opnamen van Sangs zender ter beschikking te stellen. ‘Maar ze zijn in het begin niet eens naar het radiostation geweest om te vragen of er nog opnamen waren.’ Dat gebeurde pas jaren later, toen het te laat was. ‘Dat verbaasde me.’

Welke lessen het Strafhof uit de Kenia-zaak trekt, wil ik weten. Maar de griffier, die over de bescherming van getuigen gaat, wil geen vragen beantwoorden ‘omdat de zaak nog loopt’. Daarmee doelt hij op de drie aanklachten wegens omkoping van getuigen in de Ruto- en Sang-zaak, die niet zijn ingetrokken.

Anton Steynberg van het bureau van de aanklagers, die tijdens de zittingen veel getuigen ondervroeg, mailt dat hij ‘tot zijn spijt’ ook niets kan zeggen zonder speciale toestemming van up the line, ‘die er waarschijnlijk niet komt’. Verzoeken aan de aanklagers om te praten over de ‘lessons learned’ blijven onbeantwoord.

In juni 2017 sprak Steynberg echter verrassend openlijk over de zaak, op een conferentie in Arusha, Tanzania, over straffeloosheid. ‘Voorafgaand aan de dagvaardingen werd niet veel onderzoek gedaan. De gaten zouden daarna wel worden ingevuld’, zei hij over de zaak tegen verslaggevers van de Keniaanse Daily Nation. De reden voor die strategie was onder meer dat ‘achttien rechters zitten te wachten op zaken om te behandelen. Dus er was de behoefte om zaken te beginnen en ze snel voor de rechter te brengen.’

‘Met de kennis van nu hadden we meer moeten doen in de periode dat er nog zes verdachten waren. Ruto en Kenyatta stonden toen nog niet aan het hoofd van de regering. We hadden toen meer middelen kunnen inzetten en de risico’s voor onze getuigen kunnen beperken’, zei hij volgens The Standard, die ook in Arusha aanwezig was. ‘Tegenwoordig onderzoeken we zaken zo grondig mogelijk, zodat we zo goed als klaar zijn als de verdachte wordt gearresteerd.’

De fouten – waaronder de onderschatting van de macht van Ruto en Kenyatta – zijn Luis Moreno-Ocampo aan te rekenen, maar ook Fatou Bensouda, die sinds 2004 als plaatsvervangend hoofdaanklager diens rechterhand was en de Keniaanse zaken ‘runde’ sinds ze hem in 2011 opvolgde. Dat de aanklagers zich daarvan bewust zijn, blijkt ook uit de zaak tegen ex-president van Ivoorkust Laurent Gbagbo (73) en zijn voormalige rechterhand Charles Blé Goudé (46). Hoofdaanklaagster Bensouda wil de misdaden tegen de menselijkheid in de aanklachten bewijzen door maar liefst 138 getuigen het woord te geven, zei ze bij het begin van die zaak begin 2014. Dat zijn er meer dan in de eerste twee zaken van het Strafhof tezamen plus die tegen Ruto.

Wat de zaken in Kenia betreft: is er nog een herkansing mogelijk voor het Strafhof? Had hoofdaanklager Bensouda gelijk toen ze zei ‘de tijd is aan onze zijde’, bij de beëindiging van de zaak tegen Ruto en Sang? Als ik Kibet in september weer spreek, blijkt hij de ontwikkelingen die met de Strafhof-zaak samenhangen nog altijd op de voet te volgen.

‘Heb je het gehoord van Ken Wafula?’ vraagt hij. De zelfbewuste mensenrechtenactivist, die ik in Eldoret sprak, is in januari plotseling overleden. Hoge bloeddruk en nierproblemen zouden de oorzaak zijn. ‘Maar zijn familie vertrouwt het niet. Ze denken dat hij is vergiftigd, maar laten het erbij zitten. Uit angst.’

Kibet heeft nóg een onthulling: journalist Walter Barasa, die het Strafhof wil berechten omdat hij getuigen zou hebben omgekocht, heeft openlijk gezegd naar Den Haag te komen. Als hij voor het Strafhof verschijnt, kan hij zijn onschuld bewijzen en zijn leven herpakken, zei Barasa in de Daily Nation. ‘Ik leef in een psychologische gevangenis. Sommige mensen denken dat als ze met mij worden gezien hun leven in gevaar is. De afgelopen vijf jaar waren als de hel.’

Volgens Kibets bronnen in Kenia heeft Barasa’s advocaat nog bij Ruto aangeklopt voor hulp, maar vergeefs. ‘Sinds hij dat interview gaf, is hij niet meer gezien. Ik hoorde dat hij waarschijnlijk in Oeganda is, misschien in afwachting van zijn overtocht naar Den Haag.’

Het bureau van de aanklager van het Strafhof wil eind september niet zeggen of er contact met Barasa is geweest, het laat slechts weten dat het arrestatiebevel tegen hem ‘nog altijd’ van kracht is. Volgens Kibet zit in een buurland van Kenia in elk geval een getuige klaar om belastende verklaringen tegen Barasa af te leggen, mocht die zich melden in Den Haag. En als dát proces begint, is de kans aanwezig dat ook de zaak tegen Ruto weer wordt heropend, zegt hij.

Ineens is de hoop in zijn stem weer terug. Misschien is het allemaal toch niet voor niets geweest.


Wie alleen met een voornaam is aangeduid, kreeg een schuilnaam. De echte namen zijn bij de redactie bekend. Het artikel kwam tot stand mede dankzij een financiële bijdrage van het Postcode Loterij Fonds van Free Press Unlimited