Ik, Guust Flater

Vroeger wist ik alles beter. Nu weet ik van niets. Ik klus alleen nog voor mezelf.

DE REGEN was voor de middag gedacht: net genoeg tijd om de post van de voordeur te schuren en te plamuren. Keukentrapje naar beneden, haspel met dertig meter elektriciteitssnoer, schuurmachine, plamuurmessen, timmerkist. Voor je het weet ben je tien keer op en neer gelopen en een halve workout verder.
In een verlegen zonnetje, gadegeslagen door verveelde automobilisten die voor het stoplicht wachten, sta ik te schuren en te plamuren. Klussen in het openbaar maakt je… eh… very self conscious. Ik weet niet of dat komt omdat ik indruk wil maken op wie mij ziet of omdat ik mijn eigen kritische blik op mij gevestigd weet. Streberigheid of een soort calvinistische neiging het licht niet onder de korenmaat te laten schijnen, wat is het?
Dan komt de buurman. Dat is een natuurwet. Ga buiten klussen en binnen een uur komt een buurman die door met jou te kletsen in het zweet des aanschijns wil delen.
In zijn pand hebben een jaar geleden onduidelijke Polen ‘de buitenboel’ gedaan en de resultaten zijn geen aanbeveling voor de bouwsector. De voordeur ziet eruit alsof hij is geschilderd door een motorisch gehandicapte die speed heeft gebruikt. Door de verfhuid schemeren de plekken die de aannemer heeft hersteld met de verkeerde kit en ruimhartig maar slordig aangebrachte plamuur. Haastklus, gebrekkige materiaalkennis en botte onverschilligheid ontmoeten elkaar in de voordeur van de buurman.
Ik heb een theorie over bouwvakkende Polen. Volgens mij waren het de eerste jaren werkelijk bouwvakkers die voor een appel en een ei en een matrasje in het te verbouwen herenhuis vakwerk afleverden zoals we dat hier niet meer kennen. Nu zijn de bouwvakkers op en stromen gesjeesde theologiestudenten en werkloze boerenknechten in, wier enige kwalificatie is dat ze uit Polen komen.
Omdat het vriendelijke mensen zijn, Polen, hebben ze destijds ook onze deurposten meegenomen en nu moet dat allemaal opnieuw want ik ben zo'n anaal-gefixeerd type dat alles beter weet en kan.
Bij geklus aan het huis denk ik altijd aan de remake van The Moneypit, waarin de romantische ruïne van Tom Hanks en Shelley Long wordt verbouwd door een coalitie van maffiose loodgieters, snelle jongens in verkeerde auto’s en schilders met een testosteronoverschot. Als de chaos zo'n beetje totaal is krijgt het overspannen echtpaar Long/Hanks bezoek van een bevriende Russische dirigent, die de verbijsterde bouwvakkers begint uit te leggen dat ze het niet goed doen. 'Don’t push ze paint! Strroke it!’
Een moment van grote herkenning. Een groot deel van mijn leven heeft de waangedachte dat ik alles beter kan ertoe geleid dat ik in vreemde huizen netwerken aanlegde, keukens bouwde, kasten monteerde en muren isoleerde. Ik ben er van de ene op de andere dag, cold turkey, mee gestopt. Het was waarschijnlijk dezelfde dag waarop ik besloot dat het nooit meer wat zou worden met de wereld omdat toch niemand naar mij luisterde en dat ik beter een boek kon gaan lezen. Sindsdien antwoord ik op elke vraag, of het nu klussen of het woelen der wereld betreft, dat ik van niets weet. Het is mijn Guust Flater-modus.
In een van zijn strips laat Franquin de hele redactie van Robbedoes naar Flater zoeken, omdat men hem ergens dringend voor nodig heeft. Waarvoor, dat weet ik niet meer, en ik kan me er eerlijk gezegd ook geen voorstelling van maken. Flaters hulp inroepen is net zoiets als Mark Rutte om uitleg vragen over de schuldenpositie van de Europese probleemlanden. Als Flater eindelijk wordt gevonden zit hij dommelend in zijn bureaustoel, kat op schoot. Zijn chef ontploft en stelt de retorische vraag waar het heen moet met de wereld als iedereen zoals Flater zou zijn, waarop het factotum antwoordt dat de wereld er een stuk beter uit zou zien als alle generaals met hun kat op schoot zouden zitten.
Een kat op schoot of de voordeur schilderen… Ik geloof dat dat verbeten gezichtje van president Assad wel eens verrassend zou kunnen ontspannen als hij een paar dagen flink bezig was met de deurposten van zijn paleis en Silvio Berlusconi zou ongetwijfeld gedijen als hij een paar uur per dag katten zou verzorgen.
Niet dat Franquin zelf veel fiducie had in Flaters oplossing voor de wereldproblemen. Hij leed levenslang aan depressies en vond daarvoor pas een vorm in zijn werk toen hij 'Zwartkijken’ maakte, een serie bitter-cynische strips in zwart-wit waarin katten noch huiselijk geklus verlichting brengen. Zijn beste zelfportret is dat van Flaters andere huisdier, een aarts-chagrijnige meeuw, die pas opbloeit als hij vreemde mensen op hun kop kan pikken en in een spontane depressie schiet als hij op de televisie beelden ziet van een olieramp.
Inmiddels heb ik de deurpost geschuurd, geplamuurd, stofvrij gemaakt, opnieuw geschuurd, weer stofvrij gemaakt en geschilderd en denk ik wat ik altijd denk als ik een klusje doe: dat moet makkelijker kunnen. Het is een zinloze gedachte. Een goed resultaat bestaat uit vooral ambachtelijke inspanning en dus tijd. Er is geen korte route naar een goed resultaat. Ik accepteer die gedachte als schrijver, maar als schilder wil ik er maar niet aan wennen. Misschien moeten we een kat nemen.