Luciano Pavarotti 1935-2007

Ik haatte hem

Vorige week stierf de Italiaanse tenor Luciano Pavarotti op 71-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker. Met hem stierf een van de prachtigste stemmen van de twintigste eeuw, en een mentaliteit die zijn meesterschap op den duur volledig corrumpeerde.

Voorzover mijn grootmoeder van vaders kant van iemand houden kon, hield ze van Pavarotti. Toen mijn vader vroeg wat ze voor haar verjaardag wilde hebben, vroeg ze dan ook naar Pavarotti’s nieuwste grammofoonopname. Daar stond een prachtig lied op dat ze op de radio gehoord had, de titel had ze opgeschreven. Panis Angelicus. Haar spelling van de titel verried wat nu een kennisachterstand genoemd wordt.

Aha, zei mijn vader. Hij kocht de plaat, of hij maakte een bandje. Hier schat, grapte de zoon tijdens de overhandiging, kijk eens aan – Penis Erectus.

Prachtig, kind, zei mijn oma blij.

Zo beluisterden wij op mijn grootmoeders verjaardag Penis Erectus van César Franck, met mijn oma en de halve familie in een veel te kleine kamer. Penis Erectus, sprak een oom die er ook bij was tot mijn vader; cynicus. Mijn vader glimlachte met recht een lach die zei dat ze het toch niet hoorde.

Wat een schitterende stem heeft hij, hè, lalde mijn grootmoeder er op een boost van bessen & citroenjenever overheen. Voor mij is hij niet minder dan Caruso.

Hij is de top, bevestigde mijn vader. Zo’n stem, die komt maar één keer in de eeuw voor.

Ik zat en keek. Ik zag De avonden, dankzij de machteloosheid van de Amsterdamse figuranten willoos doorgetrokken naar de jaren tachtig. Ik zag het hoogpolige tafelkleedje. Ik zag mijn grootvader rokend in slaap vallen. Ik zag ze dankzij Drum en Samson allemaal de kanker krijgen. Ik zag mijn moeder sterven van verdriet over mijn vaders genen. Ik zag mijn vader, aan wie ik zag dat hij zag wat zijn vrouw dacht, uit wraak heel Pavarotti_-like_ de hele schaal met lauwe leverworst verzwelgen. En ik zag en hoorde niemand, helaas niemand, die als pa Van Egters nog de moed had om te vragen of het uit of zachter kon. Want men genoot, of men geloofde dat, of deed alsof. Luciano zong voor ons, het volk, gewone mensen. En in zijn zangstijl resoneerde het decreet ‘u vraagt, wij draaien’ met het dubbelzinnige cynisme van de pleaser, die door het uitzicht op de pot met goud nog meer van zijn vrijgevigheid geniet – zo lang de kruik te water gaat. Je zag de hele man in wat je hoorde, godverdomme. Christus koning, dacht ik, wat haat ik jullie allemaal. Hoe dat toch kan, met zulke lieve mensen. Dat kan alleen maar zijn omdat jullie de dikzak echt geloven.

Daar, boven de leverworst en in die geur van Coebergh, Drum en jonge klare, is mijn Pavarotti-beeld ontstaan. Het beeld van een erbarmelijk gespeeld muziekgenot, de smakelozen ingepeperd door de mythe dat er één de beste was: de eerste in zijn vak, de laatste in zijn soort. ‘The Last Tenor’, luidde de onbedoeld treffende titel van een documentaire die de bbc in 2004 over Pavarotti maakte. Wie hem daar, vervet en wezenloos, de taart ziet snijden voor zijn tweede huwelijk met zijn maagdelijk bebrilde ex-privé-secretaresse Nicoletta, kan zich inderdaad niet voorstellen dat enig mannenbroed in deze logge voetsporen zou willen treden. Serieuze operarollen zingt hij in de laatste jaren van zijn carrière nauwelijks meer. Zijn Berlijnse Tosca van 2003 en zijn afscheid van de Metropolitan Opera in New York een jaar later – weer met Tosca, gemak dient de mens – zijn anachronistische dissonanten geworden in een overvolle jetsetagenda vol stadionconcerten, promotieclips, fotoshoots en televisieoptredens. Oude vrienden als Herbert von Karajan, Richard Bonynge en Carlos Kleiber zijn ingeruild tegen zijn nieuwe gabbers Bryan Adams, Sting en Bono, het slag dat in zijn thuisstad Modena sinds 1992 de bühne met hem deelt op die afschuwelijke crossover-avonden waar onder de luisterrijke titel Pavarotti and Friends – en vriend, dat blijkt op dit niveau van roem en glorie bijna iedereen te zijn – wordt getracht die Kluft zwischen der klassischen und der Popmusik zu überbrücken (bron: Pavarotti and Friends 2, Decca 1995). Natuurlijk is de opbrengst, dodelijk voorspelbaar, voor het goede doel – de oorlogskinderen van god mag weten welke oorlogszone; goed van moraal, ook dat is op dit peil van roem haast iedereen, al was het maar omdat men zich de kosten van een goede inborst kan veroorloven. Muziek is in dit stadium van morele vervolmaking afgezakt tot een onbetekenende, zij het niet onschadelijke bijzaak. O Sole Mio als duet voor Bryan Adams en Luciano Pavarotti – het mag goed bedoeld zijn, goed voor de gezondheid is het niet. Dit, laat dat duidelijk zijn, is echt dezelfde man die in de jaren zeventig nog Verdi’s zong waarvan een mens de tranen in de ogen sprongen.

Enfin, als ze maar van elkaar houden, en dat doen ze. De wereld van de laatste tenor blijkt een gesloten front van wederzijds bewonderende slijmerds waar zelfs de bbc-documentairemakers niet doorheen komen. Hoor de pervers goedhartig uitgevallen popster Bono lievig zeggen dat zijn favoriete dikzak eigenlijk ‘een grote baby met een baard’ is. Zie Lionel Ritchie Pavarotti de hand reiken na een stadionconcert in Los Angeles. Zie Andrea Boccelli Luciano en zijn Nicoletta vol blind vertrouwen toezingen tijdens hun huwelijksplechtigheid. Zie het nieuwbakken echtpaar daar poseren naast Bono en José Carreras, vers Pavarotti-kindje op de arm – soms heeft de vleselijke lust de machtigste verrassingen in petto. Wat is het erg dat iets heel ergs die op zichzelf vertederende beelden hartverscheurend cynisch maakt.

Marketing.

Pavarotti-marketing. Je zou ook van Bertolli-marketing kunnen spreken, in die zin dat de Pavarotti-pr hetzelfde huiveringwekkende Pavlov-Italië voorschotelt als de tv-spots van de olijfoliefabrikant. Ook de Pavarotti-profilering is geschoeid op een folkloristisch beeldvocabulaire dat geen Godfather-_cliché ongemoeid laat: het is een mise-en-scène van pasta, poenschepperij en onverwoestbare familiebanden, van redderende pseudo-tegensputterende maar intens loyale moeders en even heroïsche als teerhartige, _Mama! zingende zonen. Binnen die theatrale kaders speelt Pavarotti live en in zijn autobiografische geschriften de rol die hij als klassieke Italiaanse tenor moet spelen om folklore te blijven: smulpaap, levensgenieter, womanizer, trouwe vriend en goede zoon, man van feilloos muzikaal instinct en diepe hartstochten, zo emotioneel en onbesuisd als de gemeenplaatsen inzake volk en volksaard eisen. ‘Eigenlijk ben ik impulsief van aard. Ik ben tenslotte Italiaan.’

Die randvoorwaarden betoveren Pavarotti’s veelbeschreven leven tot een goedmoedig sprookje. Een arme jeugd, maar vol liefde. Een talent dat behalve bewondering ook jaloezie oproept, zodat de goede held al jong wordt belaagd door kwade krachten. De ster, die toch gewoon blijft. Het gezin, dat boven alles gaat – totdat in de vervalfase de held het op de heupen krijgt.

‘You cannot stay out of the media’, zegt Pavarotti in de documentaire, ‘it is part of the profession.’ Die zin vat aardig samen welk misverstand deze onvergetelijke zanger naar de knoppen heeft geholpen: het idee dat hij altijd in beeld moest. Die overtuiging is buiten proporties aangewakkerd door managers als Herbert Breslin, die in 1973 zijn eerste operaconcert organiseerde, en door een kermisklant als Tibor Rudas, die hem als organisator van Barnum & Bailey-achtige Pavarotti-happenings in Dodger Stadium en op het strand van Miami als kunstenaar zichzelf de genadeklap liet toebrengen – een op zichzelf unieke daad van mefistofeliaans raffinement. Hij is er zelf in gaan geloven. Je schrikt je kapot als je van Pavarotti hoort waarom hij op het eerste Drie tenoren-concert met Domingo en Carreras zo trots was: ‘We zongen die avond voor anderhalf miljard mensen. Caruso is zijn hele leven misschien door honderdduizend mensen gehoord.’ Daar ging het dus om.

En dat is wat hem kapotmaakte. Stompzinnige, behaagzieke eerzucht. Hagiografieën zijn volgeschreven over Pavarotti’s ongekende communicatieve gaven, zijn vermogen zelfs op podia van stadionformaat contact te leggen met de massa. ‘Niemand’, schrijft zijn biograaf annex ghostwriter William Wright, ‘die hem ooit heeft horen zingen kan de kracht van zijn persoonlijkheid zijn ontgaan.’ Maar toen ik hem in de jaren negentig voor een door Harry Mens gerekruteerde surrogaatelite van verdrietige BN’ers larmoyant en smakeloos zag cashen in Ahoy’ viel me de verregaande uitgeblustheid van de dikzak op. Hij zong als een varken. Ik schreef dat ook op in een stuk dat Het Parool enige tientallen opzeggingen bezorgde. Nog dagenlang stond mijn redactietelefoon roodgloeiend, want de boodschapper heeft het altijd gedaan en van volkshelden moet je afblijven.

Hoe anders waren de zangkunstige beginjaren van de Modenese bakkerszoon Pavarotti, die na zijn eerste concoursoverwinning in 1961 te Reggio Emilia debuteerde als Rodolfo in Puccini’s La Bohème. Hij was prachtig in die jaren. Hij zong als een god, vrij en gedachteloos, zeg maar romantisch – want dat is het, als een jongen van een jaar of 25 zijn ballen leeg brult. Puccini, Verdi, Donizetti; alle hens aan dek.

Dan krijgt de vraatzucht hem te pakken, in alle betekenissen. In zijn zucht naar roem. In zijn jacht op het grote geld. En aan het fornuis. De jonge God – de vroege Pavarotti mocht er zijn – verandert in een tonrond monster. De eerste fase van vervetting is voor selfmade psychologen nog te volgen. Aan tafel compenseert hij de kadaverdiscipline van zijn podiumbestaan. Anderen roken of drinken, hij eet. Zo, dat probleem is aan kant. Maar dat eten wordt vreten, iets onbeheersbaar nihilistisch. Daarvan getuigt zijn ondanks diverse diëten in the long run machteloze strijd tegen de ponden, waarover hij in zijn autobiografie aandoenlijk vertelt. Dikzakken zijn overal; het is het soort vet dat me angst aanjaagt. Ik bedoel, je hebt assertieve buiken en verdrietige. Gérard Dépardieu is kolossaal, maar dat is trots dik, een bijna prachtig testimonium van onverzadigbare levenslust. De buik van Pavarotti is een defaitistische en chronisch depressieve wanhoopsbuik, de oogst van een zwakte. Zijn stadiondracht – de frak, het zakdoekje – versterkt de troosteloosheid van zijn pinguïnincarnatie: te veel lijf voor te weinig hoofd.

Het is die Pavarotti die je terugziet in de bbc-documentaire. De man die daar wordt ondervraagd is tot de draad versleten; zijn kleurrijke foulard contrasteert hels met een ziek vogelkopje. Zet het beeld stil en het is pijnlijk. Een zielig hoedje. Die vieze Driek van Wissen-baard. Wie het nieuws over Pavarotti’s nooit eindigende afscheidstournees destijds een beetje heeft gevolgd, weet welke eerste vraag de bbc gaat stellen. En, stopt-ie nog een keer? Vindt hij het zwaar de bühne te verlaten? Ja, erkent hij, hij zal het erg missen, de baan, showbusiness is great. Z’n tragiek in een notendop: een eeuwige verslaving, net als eten.

Nu is hij dood. Terwijl ik met een slechte Pavarotti-biografie vliegen doodsla en me tracht voor te stellen in wat voor kist ze de tenor hebben begraven, luister ik naar een opname van Verdi’s Aida uit de jaren tachtig, toen Pavarotti nog een min of meer normale stertenor was met voldoende verantwoordelijkheidsgevoel om de rol van Radames zo lang mogelijk voor zich uit te schuiven – al was dat misschien ook omdat studeren hem van oudsher vrij veel moeite kostte. Als Radames staat hij naast de Aida van Maria Chiara. In het booklet staat een foto van de twee tijdens een _Aida-_voorstelling in de Scala van Milaan, opera zoals het hoort, met Pavarotti als veldheer, dik in het vet en strak in de Egyptische haute couture. Zoals hij zingt, in de heroïsche modus, mag hij er zijn. Die luide scherpte van hem is smaakgevoelig maar hij lijkt nog een zanger, iemand die ervoor zou willen sterven, net zoals Radames voor de liefde. Nog wel.

In Ahoy’ zag ik een man die niets meer wou, behalve innen.

Op Pavarotti’s jeugdfoto’s ziet men een keurige jongen, een voorbeeldig kind dat van voetbal en zijn moeder hield. Ze roepen de borende vraag op wat er met die jongen is gebeurd.

Ik probeer het uit te vinden door over hem te lezen. In Pavarotti, mijn wereld zegt hij dat hij een eenvoudig mens is. Daarom treedt hij ook zo graag uit zijn ivoren toren door, als de paardenliefhebber die hij ook is, in Modena een springconcours te organiseren – of door met Bono op te treden. ‘Ik wil dat mensen die niets van opera weten zien dat ik een gewoon mens ben, net als zij; iemand die van sport houdt, van populaire muziek, van lekker eten en mooie vrouwen, maar die bovendien een passie heeft voor opera. Misschien is wat ik hoop over te brengen dat je niet ouderwets, excentriek of merkwaardig hoeft te zijn om van opera te houden.’

Hij heeft spijt van veel, dat is wel lief aan hem. Van die ene keer dat hij in Modena playbackte. Van zijn film Yes, Giorgio. Van een verknalde Don Carlos in de Scala. Maar je ziet ook waarom hij biecht: om zijn straatje schoon te vegen. Is hij een toffe peer of niet soms? Zijn televisieoptredens, zijn stadionconcerten, ze dienen allemaal de goede zaak: de opera in ere houden. Televisie, zegt hij, is geweldig: ‘Het is een erg opwindende gedachte dat je stem door zoveel mensen tegelijk wordt gehoord. Niet zomaar drie- of vierduizend, maar miljoenen mensen.’

Hij maakt wat mee. Hij wordt belaagd door een slang, de Amerikaanse douane pakt zijn peren af en denkt dat zijn favoriete poedermelk coke is, hij slaapt slecht, hij eet dan weer lekker, dan weer vies, houdt vrienden voor de gek en helpt andere, graag in het volle licht van de autobiospotlights (‘Omdat ik erg veel geld verdien ben ik in staat om bij te springen wanneer mijn vrienden in financiële moeilijkheden verkeren’), ontmoet Springsteen en Sting, raakt bevriend met Sinatra, krijgt vlak voor een voorstelling griep en herstelt maar net op tijd, oef oef – een rijk leven.

Dan valt mijn oog op die ene zin: ‘Iedereen wil dat er van hem of haar wordt gehouden, en misschien heb ik dat wel sterker dan de meeste mensen.’ Daar draait het om. Dat is zijn kruis geworden. Een man met ruggengraat durft zich te laten haten; zo iemand heeft geen zorgen. De pleaser slijmt tot hij eraan kapotgaat, kapotgaat aan de haat tegen de slijmerds die hij slijmend trachtte te gerieven, levenslang.

Ik haatte hem, oprecht. Ik vond hem een ongeïnteresseerde, cynische klootzak met de typische, uitsluitend voor de openbaarheid bestemde sterrenwellevendheid die hij met zijn buitencategorie gages ook weer aan zijn opdrachtgevers factureerde, en die hij buiten de camera’s ongetwijfeld met een moordend chagrijn op de zijnen afreageerde; leer mij de mensen kennen. Hij deed me denken aan wat de draak Fafner zingt in Wagners Siegfried: ‘Ich lieg und besitz, lasst mich schlafen.’

Hij ruste in vrede.