INTERVIEW MET HEDDA VAN GENNEP

‘Ik had de droom dat het anders moest kunnen’

Al een leven lang werkt Hedda van Gennep voor radio en tv. De Joodse Omroep, opdrachtgever voor haar film De staat van ontkenning, wil die film niet uitzenden. Een gesprek over de oorlog, de Vara, haar man de uitgever en haar leven als leesoma.

‘GRAPPIG’ NOEMT Hedda van Gennep (79) de kleine rel om haar film De staat van ontkenning. Nederland ontkent in haar ogen nog steeds de rol die het land heeft gespeeld bij de jodenvervolging, in Indonesië, in Srebrenica en bij de oorlog in Irak. Opdrachtgever de Joodse Omroep wil de film niet uitzenden.
‘Tot nu toe is De staat van ontkenning vooral in kleine discussiegroepjes gedraaid. Er komen dan veel persoonlijke verhalen los. Verzwegen verhalen, vooral over familieleden die verkreukeld uit de koloniale oorlog in Indonesië zijn teruggekomen. Je ziet dat verzwijgen op macroniveau verzwijgen op microniveau met zich meebrengt.’ Van Gennep wacht rustig af tot haar film alsnog op de televisie te zien zal zijn. Er wordt over onderhandeld met twee andere zendgemachtigden.
Drijfveer achter haar film is de vraag die ze zich als meisje stelde toen ze haar joodse grootouders door de Duitsers weggehaald zag worden: hoe heeft dit in godsnaam kunnen gebeuren? ‘Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was ik elf jaar. Er was zo veel wat ik niet begreep. Vóór de oorlog wist ik helemaal niet dat mijn moeder een jodin was. Godsdienst speelde bij ons nooit een rol. Maar tijdens de oorlog was dat heel andere koek. Ik had een christenstiefvader. Hij was bij het artsenverzet en hij werd ontslagen omdat hij niet van mijn moeder wilde scheiden. Tegen mij zei hij dat ik altijd een kaartje bij me moest dragen waarop stond dat ik twee joodse grootouders had. Dat vond ik raar, want ik had al veel dingen gezien. Kinderen die ineens een ster moesten dragen, kinderen die uit mijn klas verdwenen omdat ze joods waren. Het kaartje heb ik op weg naar school onder het Rijksmuseum verscheurd en in de Stadhouderskade gegooid.’
We zitten beneden in haar huis aan de Van Eeghenstraat in Amsterdam-Zuid. In dezelfde keuken, aan dezelfde tafel waar ooit haar grootouders zaten. Van Gennep kan er nu met enige moeite over praten. Ze gaat nog altijd niet door de Palestrinastraat, twee straten verderop: ‘Daar woonde op nummer 6 mijn vriendinnetje Ina. Het was heel gezellig bij die joodse familie Wijnberg. Ik was daar altijd. Zij had twee broers, zelf was ik enig kind. We gingen altijd samen naar school. Toen kwam de middelbare school. Ik ging naar het Barlaeus Gymnasium. Volgens de Duitsers was ik halfjoods, een Mischling, dus ik hoefde geen ster te dragen. Ina wel en zij moest naar het Joods Lyceum in de voormalige Stadstimmertuin, aan de overkant van de Amstel. Dat is nogal ver weg en omdat zij niet mocht fietsen of met de tram gaan, bracht ik haar achter op de fiets naar haar school.’
Of dat mocht, een joods meisje achterop, weet Van Gennep niet. Misschien hield Ina haar schooltas voor haar jodenster: ‘Natuurlijk dacht ik niet: ik ga me nu eens tegen de Duitsers verzetten door haar naar school te brengen. Mijn stiefvader zei dat ik het niet moest doen. “Als de Duitsers het zien, gaat je moeder naar Polen”, zei hij. Ik dacht alleen maar: wat moet mijn moeder in Polen?’
Op een dag kwam Van Gennep in de Palestrinastraat bij haar vriendinnetje aan de deur: ‘De hele familie was weg. Gevlucht en daarna verraden en gedeporteerd, bleek later. Dat zijn buitengewoon ingrijpende dingen. Als joods persoon kan ik niet anders dan mijn waardebepaling direct uit de oorlog te halen. In de woorden van Simone de Beauvoir: être avec les victimes.’

Aan de kant van de slachtoffers staan. Dat heeft Hedda van Gennep een leven lang waargemaakt, met feministische radio- en tv-programma’s, tv-series over de arbeidersbeweging en over seks en films over asielzoekers en over de jodenvervolging. Zij kwam met het idee van 26.000 gezichten, de filmpjes over uitgeprocedeerde asielzoekers. Nog elke week doet ze, bijna tachtig, vrijwilligerswerk op een school in Osdorp en bij de Kruispost op de Amsterdamse Walletjes waar niet-verzekerde patiënten terecht kunnen.
Van Gennep is vóór mensen die het moeilijk hebben, maar tegen zielig doen en slachtofferschap: ‘Zodra de kans bestaat dat je ergens het slachtoffer van wordt, moet je zien dat je daar onderuit komt. Die feministische tijd was een erg leuke tijd. Wij waren natuurlijk helemaal niet zielig. Ook in de oorlog hing veel af van de slagkracht van het individu. Mijn tante Bebbie was een christenvrouw, getrouwd met een broer van mijn grootvader, een joodse man die was opgepakt. Zij is toen zelf naar Westerbork gegaan, heeft een grote mond opgezet en heeft haar man eruit gehaald. Hij heeft tot het einde van de oorlog hier in dit huis gezeten.’
De staat van ontkenning gaat over mensen die slachtoffer hadden kunnen zijn, maar op tijd een beslissing namen. Lili Couvée-Jampoller besluit al aan het begin van de Duitse bezetting dat zij zich niet als joods zal laten registreren, omdat ze beseft dat er erge dingen gaan gebeuren. De communist Jan Maassen weigert naar Nederlands-Indië te gaan tijdens de ‘politionele acties’. Guido Snel gaat niet als tolk mee naar Srebrenica en wordt niet medeplichtig aan massamoord. Allard de Rooi richt de burgerbeweging Openheid over Irak op en verzamelt honderdduizend handtekeningen van mensen die een onderzoek willen naar de Nederlandse steun aan de oorlog in Irak.
In De staat van ontkenning worden journaalfragmenten, beelden van de namenwand uit de Hollandsche Schouwburg, citaten uit actualiteitenrubrieken en recente interviews dwars door elkaar gesneden. Dat is ontluisterend, vaak verhelderend, soms verwarrend. Van Gennep erkent dat er kritiek op haar film mogelijk is: ‘Er zijn mensen die het onsmakelijk noemen dat ik het gebed van een imam bij een herdenking in Srebrenica laat overgaan in de kaddisj van een rabbijn tijdens een herdenking in de Hollandsche Schouwburg. Ze vinden dat ik daarmee de holocaust ontkracht. Maar voor mij is een dode een dode en een moord een moord. De joodse namen die worden voorgelezen in Amsterdam, ook die van mijn eigen grootouders, zijn niet anders dan die van de Bosnische mannen in Srebrenica. Het gaat om de schifting die plaatsvindt tussen mensen. Je ziet in mijn film hoe de Nederlandse majoor Franken dat tegenover het Joegoslavië Tribunaal moet toegeven: ook in Srebrenica ging het om deportatie. Oud-Trouw-journalist Ben van Kaam noemt dat in de film “ongewenste wetenschap”.
Een pacifist ben ik niet. Ik vind dat je je moet kunnen verdedigen als dat nodig is. Als hier iemand binnenkomt om jou aan te vallen, sla ik hem met de theepot op z’n kop. Ik neig soms tot anarchistische gedachtes, maar de parlementaire democratie is toch het beste wat we hebben. Die mag je, zoals in de Tweede Wereldoorlog, verdedigen. Dat is in mijn ogen iets heel anders dan de koloniale oorlog in Indonesië, die ook nog “politionele actie” wordt genoemd terwijl er geen politie aan te pas kwam. En dan zeggen ze in een propagandafilm dat de jongens daar zo’n leuke ervaring hebben en een vak kunnen leren. Ze vertellen er niet bij dat ze er naartoe gaan om Indonesiërs te vermoorden. Die Nederlandse soldaten zijn in zulke gevallen net zo goed slachtoffer van het staatsgeweld en lopen tientallen jaren later nog met trauma’s rond. Door mijn boosheid is de film zoals hij is: helemaal in associaties. Ik voel iets, heb dingen meegemaakt – dan zoek ik daar samen met beeldresearcher Milly Schloss beelden bij, soms heel onthullende.’

‘Mijn gedrevenheid hangt samen met het gevoel dat nooit ruiterlijk erkend is wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. De Duitse jodenvervolger Aus der Fünten heeft na de oorlog gezegd dat hij dat werk niet had kunnen doen zonder de hulp van de Nederlandse politie en van Nederlandse tram- en treinbestuurders. Ik heb nooit begrepen waarom de Nederlandse regering in Londen daarover geen instructies heeft gegeven. Wilhelmina heeft één keer, in oktober 1942, voor de radio gesproken over “het stelselmatig uitroeien van onze Joodsche landgenoten”. Daarna hebben zij en de regering het er nooit meer over gehad. Hoe kan dat? Ze moeten toch geweten hebben wat er gebeurde?
Het zijn dezelfde vragen die Durlacher stelt in zijn boek Strepen aan de hemel: waarom hebben de geallieerden de spoorlijnen naar Auschwitz niet gebombardeerd? Daarom lezen in mijn film kinderen passages uit dat boek voor. Nederland is niet hypocrieter dan andere landen. Maar waarom zijn vanuit Nederland percentueel zoveel meer joden gedeporteerd dan vanuit België of Frankrijk? Nederlanders zijn vaak erg subaltern, gezagsgetrouw. Als de Duitsers vragen waar de joden wonen, krijgen ze van de ambtenaren die gegevens direct op een presenteerblaadje. Ze worden niet even in een laatje gelegd en dan vergeten. Daar heb ik in 1989 samen met Jos Scheren en Friso Roest de film Elke stip is tien joden over gemaakt.’
Na de oorlog leek het even alsof Van Gennep zich aanpaste. Ze trouwde jong en kreeg al in 1951 een zoon. En ze werd actrice: ‘Mijn moeder had me wijsgemaakt dat ik waarschijnlijk wel de nieuwe Sarah Bernard zou worden. Ze was zelf vroeger aan het toneel geweest, speelde niet meer en vond dat ik het allemaal goed moest maken. Toen ik zakte voor mijn toelatingsexamen voor de Toneelschool raakte ik eerst in een soort crisis. Daarna ging ik stage lopen en werd aangenomen als actrice, omdat ik zo goed kinderen kon spelen. Ik kon ook prachtig “O kerstnacht, schoner dan de dagen” zeggen uit Vondels Gijsbrecht van Aemstel, want ik had privé-les gehad bij Jo Sternheim en Louis Saalborn. Na tien jaar hield ik op met toneelspelen. Ik was er niet goed genoeg in. Mijn eerste huwelijk was al snel misgelopen. Ik ging bij het filmbedrijf van Joop Geesink werken en daarna maakte ik samen met Ageeth Scherphuis voor de Avro-radio het vrouwenprogramma avant la lettre Avrodite.’
Intussen was ze Rob van Gennep tegengekomen, die acht jaar jonger was, veel gelezen had en uitgever werd. Ze kreeg nog twee kinderen en bleef 32 jaar met Van Gennep getrouwd, tot zijn dood in 1994. ‘Wij hadden vaak ruzie, maar we konden ook heel goed met elkaar opschieten. Maar Rob was ook een heel leuke man… Hij was meer een trotskist, stemde PSP. Ik stemde op de CPN en las De Waarheid. Ik had de droom dat het anders moest kunnen, rechtvaardiger en eerlijker. Rob was ontzettend integer, iemand bij wie je zou kunnen onderduiken. Dat gebeurde ook geregeld. Op de uitgeverij had hij een vluchtelingenkamer, compleet met douche, en we hebben hier een hele tijd iemand in huis gehad van het Sozialistisches Patientenkollektiv, uit Heidelberg geloof ik. Er was iets geweest met een ontploffing bij hem thuis, maar hoe dat zat, daar heb ik nooit precies naar gevraagd.
Het waren de jaren zeventig, we hadden een open huwelijk en tegelijk andere relaties. Daar maakten we afspraken over. We hadden er gesprekken over en soms ruzie. Toen hij ziek was en op z’n begrafenis werd ik daar nog mee geconfronteerd. Maar ik ben ervan overtuigd dat ik van de helft van zijn vriendinnen niets weet. Dat kan me ook niets schelen.’

In de jaren zestig ging Hedda van Gennep steeds meer televisieprogramma’s maken, zoals de serie Inburgeren, samen met Han Lammers. Vanaf 1968 werkte ze bij de Vara: ‘Bij de Vara was het een spannende tijd. Rotzooi, ruzie, het was leuk en het ging ergens over. Natuurlijk was ik linkser dan de Vara en er is mij ook wel eens een programma afgenomen. Het was een tijd waarin het allemaal nog kon. Ik werkte samen met Marjolijn de Vries, die niet zo lang geleden is overleden. We verzonnen alles zelf. Je leverde een A4’tje in over een doof kind en het was altijd goed. We maakten bijvoorbeeld een serie over de geschiedenis van de arbeidersbeweging Voorwaarts en niet Vergeten. Later maakten we drie jaar lang Kijk haar, voor vrouwen. De serie Open en bloot, in 1974, was heel grappig. We werden bij de Vara-leiding geroepen omdat er sprake van was dat de NVSH zendtijd zou krijgen om het Nederlandse volk voor te lichten over ons neukgedrag. Of wij niet zoiets zouden kunnen maken. Er bestonden wel programma’s over seks; dan zag je twee plechtige dokters praten over seksuele problemen. Wij wilden het anders doen. Ons idee was dat iedereen neukt, niet alleen dokters, daarom wilden we Joop van Tijn als presentator. Het programma zorgde voor veel ophef. Het was ook moeilijk te produceren. Jongens wilden nog wel over aftrekken spreken, maar meisjes over zelfbevrediging? Zelfs Joop had moeite met het woord “vingeren”.’

Sinds 1987 is Van Gennep – wegbezuinigd bij de Vara – freelance filmmaker voor diverse omroepen. In 2003 maakte ze Welvaartresten, over uitgeprocedeerde asielzoekers: ‘Daar ben ik aan begonnen omdat ik weer wat structuur in mijn leven wilde brengen. Ik ben alleen, al woont mijn dochter hierboven. Een producent bracht me op het idee van de asielzoekers in dat klooster. Daar ben ik op mijn bejaardenkaart naartoe gereisd. Het is een heel leuke film geworden, maar niemand wilde hem hebben. Ten slotte zond Omroep Brabant hem uit.’
En nu dus vrijwilligerswerk: ‘Een vriendin die al 35 jaar in het onderwijs zit vroeg me vier jaar geleden of ik leesoma wilde worden. Elke maandag lees ik op een school in Osdorp met zes- en zevenjarigen. Daar zijn veel Turkse en Marokkaanse kinderen voor wie Nederlands de tweede taal is. Ze kunnen soms technisch heel redelijk lezen, maar ze hebben er geen idee van wat er staat. Het geeft een ontroerende vreugde als plotseling het kwartje valt. Zo’n jongetje spelt eerst de letters en plotseling ziet hij het hele woord. Dan zeg ik tegen hem: kijk, dat is lezen! Ongelooflijk om dat mee te maken. Ik begrijp niet dat ze al die oude mensen die maar zo’n beetje achter de gordijnen zitten te wachten niet naar die kinderen schoppen.’