‘ik had een mannenleven’

Ze had cabaretière kunnen worden. Of politica. Maar Jeanne Roos koos voor de journalistiek. Nog altijd is ze trots op wat Joop van Tijn eens zei: ‘Jeanne, jij hebt dingen uitgevonden in de journalistiek.’

‘IK VIND ER geen pest aan, oud worden’, zegt Jeanne Roos (82) hartgrondig. 'En dan ben ik nog een kras oudje. Maar ik vind het niet leuk dat ik het aan het einde van mijn leven ben; ik wil nog niet dood. De toekomst is nog maar zo kort, en zo ongewis. Dat voelt soms angstig, maar vooral weemoedig. Hartstikke weemoedig. Er worden je dingen afgenomen. Fietsen bijvoorbeeld durf ik niet meer, terwijl dat zo'n heerlijke manier is om je voort te bewegen door de stad.’ De stad. Amsterdam. Waar ze in de hongerwinter rondfietste met een geweer in een tapijtje onder haar arm, koerierend voor de Binnenlandse Strijdkrachten. Waar ze later werkte voor Het Parool, 36 jaar lang haar krant, haar 'familie’. De krant waarin ze in de jaren vijftig en zestig haar befaamde rubriek Tip van Roos had, en daarvoor alle winkels in de stad afstruinde. Haar stad. Ze had cabaretière kunnen worden. Of politica. Joop den Uyl wilde haar graag in de politiek. 'Maar daar ben ik totaal ongeschikt voor. Te direct, te ongeduldig.’ Het cabaret trok haar wel. Zowel Wim Sonneveld als Wim Kan zag wel wat in Jeanne Roos, die furore maakte in het journalistencabaret De Inktvis. Maar schitterde ze in De Inktvis met de teksten die Annie M.G. Schmidt voor haar schreef, in het cabaret van Wim Kan zouden die teksten natuurlijk gaan naar Corrie Vonk. 'En dan mocht die Roos misschien een brief opbrengen’, zegt ze nu met lichte spot. Cor Ruis vroeg haar in de zomer van '48 in het Scheveningse Kurhaus-cabaret te komen staan, naast groten als Wim Sonneveld en Mary Dresselhuys. Sonneveld wilde haar het jaar daarop in zijn eigen gezelschap. Ze deed het, en vond het fantastisch. 'Ik had toen kunnen overstappen, maar ik bleef in de journalistiek. Heel bewust.’ Bij Het Parool begon ze in 1945, direct na de oorlog. Ze had toen al zeven jaar journalistieke ervaring. Op 1 december 1934 was Jeanne Roos in dienst getreden van het Algemeen Handelsblad. 'Daar hadden ze een meissie voor het fotoarchief nodig.’ Daar werkte ze, voor vijftig gulden per maand, tot een van de fotoredacteuren in september '39 werd opgeroepen voor mobilisatie. 'Ik vroeg: “Mag ik zijn werk overnemen?” Je kans pakken - daar gaat het in het leven om. Dus ik ging fotopagina’s bouwen, en onderschriften maken. Da’s veel moeilijker dan je denkt. Iedere dag weer erger ik me aan de buitengewoon slechte fotobijschriften in de kranten. Ze kunnen het helemaal niet meer! Ik kon het wel. Ik kon ook goed koppen maken. Mooi hoor, om zo het journalistieke metier te leren. In 1941 zijn we ontslagen.’ We. De joodse werknemers. 'Ik kreeg zeven maanden salaris mee. We wisten het allemaal al: de joden gingen eruit. Dat was een verordening. Meneer Planten, de directeur van het Algemeen Handelsblad nam afscheid met: “Het ga u goed, juffrouw Roos.” Dat was alles. En je accepteerde het. De ellende had nu ook ons bereikt. Hitler had al vanaf 1933, toen hij aan de macht kwam, het net om de joden langzaam aangetrokken. In Duitsland waren de Neurenberger wetten al van kracht. Zo kwam het gevaar aansluipen.’ Omdat het op kousevoeten kwam, is het gevaar lang buiten ieders voorstellingsvermogen gebleven. Heel lang. 'We waren zo argeloos in Nederland! We dachten: hier komen de Duitsers niet, want in de vorige oorlog zijn ze Nederland ook niet binnengevallen. Zelfs joden die het meegemaakt hadden: de Kristallnacht, de hele repressie, en gevlucht waren uit Duitsland - zelfs zij dachten dat ze hier veilig waren. Nee. Dat er een geïndustrialiseerde mensvernietiging zou komen - dat wisten we niet, ook niet toen we werden opgeroepen. In gesloten veewagens reden de mensen weg, om kapotgemaakt te worden in een kamp.’ Ze zwijgt en kijkt langdurig uit het raam, over de Keizersgracht. (WANNEER NU de beelden uit Joegoslavië haar huiskamer binnenkomen, zet ze soms de televisie uit. Ze hoeft ze niet te zien, niet telkens weer. 'Die mensen die elkaar kwijtraken op hun vlucht uit Kosovo, en geen papieren meer hebben, en dan die kindertjes… Niet dat die beelden mij erg aan de oorlog doen denken. Mijn, of ónze oorlog was anders. Deze mensen worden verjaagd van huis en hof, en komen ergens terecht waar ze weliswaar met moeite worden opgevangen, maar niet meer bedreigd. De joden konden niet vluchten want de buurlanden waren ook bezet. En om te kunnen onderduiken moest je niet-joodse relaties hebben. Die had ik, omdat mijn ouders liberale joden waren. De mensen in de Amsterdamse jodenbuurt bijvoorbeeld hadden geld noch relaties. Die waren doodarm en kenden alleen elkaar. Ze zaten als ratten in de val. Nu, in Kosovo, is er tenminste een vluchtelingenstroom. Geen goed woord over Milosevic, maar die is niet te vergelijken met Hitler. Ze voeren alletwee etnische zuiveringen uit; ze zijn beiden dictators. Maar Hitler viel andere landen binnen, en trachtte ook daar de joden te vernietigen. Milosevic voert in eigen land een etnische zuivering uit, omdat de Albanezen in Servische ogen indringers zijn. Het is toch een ander verhaal dan de jodenvervolging. Maar het blijft een schande.’ Ze zucht en mompelt: 'Allemaal getraumatiseerde mensen. De hele wereld is vol met getraumatiseerde mensen. Omdat deze eeuw één grote volksverhuizing heeft opgeleverd. In: Ruanda, Somalië, Timor, Israel, nu weer de Balkan - het is verschrikkelijk.’ Wordt u daar somber van? Een korte knik, ze zegt: 'Ik kan ontzettend somber zijn over dit soort dingen, maar ik probeer altijd deurtjes te blijven openen om te kijken of daarachter nog iets leuks is. Ik ben een survivor. Niet alleen een overlevende, maar ook een overlever.’ Ze kreeg een oproep in 1942, voor haarzelf en voor haar moeder, en ze ging niet. Een daad van verzet, ziet ze nu. 'Ik heb mijn moeder uit de handen van de Duitsers weten te houden. We zijn naar een niet-joodse vriendin gegaan, en we zijn ondergedoken. Mijn moeder kwam in Vught terecht en ik op de Veluwe. Steeds zijn er kennissen geweest die ons hielpen. Er kwamen bij mijn ouders altijd mensen van allerlei slag over de vloer. We waren thuis fier op onze joodse identiteit, maar we waren niet vroom. Ik ging bijvoorbeeld naar een openbare school. De godsdienst voelen? Nee. Wat ik wel voelde, en dat is wat joden verbindt, was de gezamenlijke geschiedenis van de vervolging. Tweeduizend jaar jodenvervolging. Maar ik had veel niet-joodse vriendinnen, en dat bleken goede vriendinnen te zijn. Wat later, toen ik net was ontsnapt aan een huiszoeking op de Veluwe, ben ik weer door vrienden naar Amsterdam gehaald.’ Daar zat ze op een zolderkamer aan de huidige Rooseveltlaan, en raakte al gauw betrokken bij het studentenverzet. Later spioneerde ze voor de Binnenlandse Strijdkrachten bij de Duitsers achter de Dam - tellen hoeveel mitrailleurs er stonden. Handgranaten en revolvers leverde ze af, in de Jordaan en in de Pijp. Ze fietste rond met een boodschappentas, waarin een groot pak trotyl. Bos peterselie erop, en de 'boodschappen’ afleveren bij een geheim adres. 'Ik was niet bang. Als ik er nu aan terugdenk wel. Dan denk ik: Jezus, als ik gepakt was, en ze hadden ontdekt dat ik ook nog een jodin was… Dan zat ik hier nu niet. Maar je deed het. Het was ook opwindend. Je zult het niet geloven, maar het gaf gewoon een thrill. Terwijl ik eigenlijk een enorme schijtlaars ben. Als je me nu zou vragen om het weer te doen, dan weet ik het nog zo net niet. Ik had maar twee angsten: dat ik iemand erbij zou lappen als ik gepakt werd, en dat ik iemand zou tegenkomen die míj zou aangeven. Ik liep behoorlijk mensenschuw door Amsterdam. Ik had daarvoor dan ook anderhalf jaar achter het behang geplakt gezeten.’ IS DE OORLOG het grote schisma in uw leven geworden? 'Natuurlijk heeft die oorlog ons zeer beïnvloed, ons joden, en de niet-joodse Nederlanders ook. Maar ik ben er goed afgekomen, ik heb zelfs op mijn manier iets kunnen doen tegen de moffen. Dat is een goed gevoel. En ik heb meer indelingen in mijn leven. Er is: voor de oorlog - na de oorlog. Dat was de gelukkigste tijd van mijn leven, bij Het Parool. Dan is er: voor mijn scheiding - na mijn scheiding. Voor mijn pensioen - na mijn pensioen. Dat zijn belangrijke gebeurtenissen in een leven. Je maakt voortdurend dingen mee die je maar weer moet vermalen en opvreten. En zo overleef je tot je doodgaat.’ Ze denkt na over de vraag of niet juist de oorlog de grootste breuklijn heeft veroorzaakt, vanwege een verlies van vertrouwen in de mensheid. Veert op en zegt: 'Je moet niet vergeten: er zijn mensen geweest die zorgden dat ik niet doodging. Dat is ook een kant van die oorlog. En daarbij: er zijn mensen teruggekeerd uit Auschwitz die dingen hebben meegemaakt, te verschrikkelijk om te vertellen. Mijn avonturen zijn daarmee niet te vergelijken. Ik ben niet in zo'n trein geweest, niet in zo'n barak; ik heb geen gaskamers gezien; ik heb geen mensen zien ophangen, doodschieten, sterven. Ik heb bij fatsoenlijke mensen gezeten en behoorlijk te eten gekregen. Het voornaamste dat je overhoudt aan zo'n onderduikperiode, het ergste, is het besef dat je er niet wezen mag. Je leeft in een land waar je niet mag zijn. Waar je ook niet bént, officieel. En als je er bent, moet je alsnog doodgemaakt worden. Dus moet je wel ergens onder het buffet gaan zitten.’ Nog in de oorlog werd haar gevraagd of ze, als alles voorbij zou zijn, bij Het Parool wilde komen werken. 'Ik zei meteen ja. Er waren mensen bij het Algemeen Handelsblad die beledigd waren dat ik niet bij hen terugkwam, hoe vind je díe!’ Achtentwintig was ze, en het leven kon eindelijk weer beginnen. Ze roept uit: 'De vreugde van de overwinning! Dat het afgelopen was met die satan, en met zijn vuile praktijken! Dat-ie zijn verdiende loon had gekregen! Er brak voor mij een nieuwe tijd aan. Mijn vader was voor de oorlog gestorven, mijn moeder in haar onderduik. Mijn oudste broer was gedeporteerd en vermoord. Als mijn moeder was blijven leven, had ik me verplicht gevoeld met haar samen te wonen. Ik moet er niet aan denken, zeg. Het klinkt onaardig, maar nu was ik echt vrij.’ Werd dat een wilde tijd? 'Jawel. Half Amsterdam was verliefd op me. Ik heb er niks mee gedaan hoor, maar heel wat heren hebben me, toen ik vijftig was, verteld: wat was ík vroeger verliefd op jou. Dan dacht ik: had dat wat eerder gezegd! Ja, we waren jong en levenslustig en er waren veel mannen ontrouw, zoals nu nog. Er werd veel jenever gedronken en iedereen rookte zich te pletter. Lucky Strikes - wisten wij veel dat dat ongezond was.“ Bij Het Parool heeft ze zo'n beetje alles gedaan. Fotoredactie, verslaggeverij. Met hart en ziel schreef ze jarenlang over mode, en vanaf 1955 maakte ze rubrieken. Zoals haar 'Tip van Roos’, met allerlei tips en raadgevingen. 'Het idee kwam van mijn chef, en weer heb ik toen mijn kans geroken: "Mag ik dat doen?” Het werd een ongelooflijk succes. Die rubriek was geschreven in een toon die volstrekt nieuw was voor die tijd. Vrolijk, jolig - ik ben altijd erg voor de jolige dingen des levens geweest.’ Ze pakt haar gebundelde Tips erbij en leest hardop de koppen: 'U moet poes borstelen.’ 'Als ze uw fiets gappen.’ En: 'De staartlozen.’ 'Wat zijn dát? O ja: cavia’s.’ Ze proest. Henri Knap schreef in het voorwoord van haar bundel: 'Zij is een van de weinigen in dit plechtige land, dat er al eeuwen een spreektaal én een schrijftaal op nahoudt, die schrijft zoals zij praat: sprankelend, vol kleine humoristische wendingen die een altijd opnieuw verrassend licht werpen op geraniums en katten, rentezegels en goudvissen.’ 'Het is het leukste dat ik ooit gedaan heb’, zegt Roos. 'Ik zwierf de hele stad door, ik kende alle winkeliers. Ik wist alles van speelgoed, van treintjes - er werden steeds kleinere sporen gemaakt. Prachtig, ik kan er nog enthousiast van worden. Kijk, in 1955 was er helemaal niets. Al die dingen die nu vanzelfsprekend zijn - dat mensen een fiets hebben, een fototoestel, een televisie - die waren er toen niet. Mensen hadden misschien een huisdier, een radio. Verder was alles wat binnenkwam nieuw in die tijd. Ik schreef erover, en als de krant op zaterdag was verschenen, was zo'n winkel om vijf uur uitverkocht. Ik ben nog altijd trots op wat Joop van Tijn eens heeft gezegd: “Jeanne, jij hebt dingen uitgevonden in de journalistiek.” Ook ik had niets na de oorlog, helemaal niks! Mijn kleren had ik “van de bedeling”. Het kon me geen flikker schelen. God, je was jong en je zag er in een juten zak ook nog leuk uit. Bij Het Parool ben ik achter een bureau gaan zitten zonder te weten wat ik ging verdienen. Na een poosje bleek dat honderd gulden per maand te zijn. Waarvan vijftig gulden op ging aan een kamer hier aan de Keizersgracht. Nu worden mensen met een gouden lepel in de bek geboren. Het keerpunt is in de jaren zestig gekomen, toen de economie aanzwol, steeds verder, tot de ongehoorde welvaart van dit moment. Als ik zie wat hier op zondag rondloopt en koopt en koopt… Helemaal niet zo'n leuke ontwikkeling. Die twintigers en dertigers en veertigers die al dat geld uitgeven, ze zijn zo verwend.’ Denkt u dan: dat is niet goed voor ’s(mensens karakter? 'Nee. Moralistisch word ik daar niet van. Ik vind het soms jammer. Ik ben zelf opgegroeid in een royaal huishouden. Met dienstbodes en lekker eten en volle koektrommels. Maar we werden niet materieel verwend. We kregen geen cadeaus. Ja, met Sinterklaas en met je verjaardag. De vreugde als je een paar nieuwe schoenen kreeg! Dat je met je moeder naar de winkel ging en ze daarna mocht aanhouden! Ik denk dat geen kind die vreugde nog kent.’ Het lijkt haar moeilijk om nu jong te zijn. Omdat er zo veel keuze is. Op allerlei gebied. Neem een levenspartner. Wat is een levenspartner nog, dezer dagen? Ze grijnst, zegt: 'Dat is geen morele veroordeling; er is gewoon veel meer vrijheid. Door de pil kun je je alles permitteren. De pil is een cruciale uitvinding geweest; die heeft de seksuele vrijheid van de vrouw ingeluid. Angst voor zwangerschap was in mijn tijd allesoverheersend, ook binnen huwelijken. Dat vrouwen zelf kunnen bepalen of ze een kind willen, en wanneer - dat is de echte basis van de vrouwenemancipatie. Ik was nog zo goeiig om op mijn achttiende te denken dat als een jongen je kuste, hij dus van je hield. Maar de keuzen die vrouwen nu hebben: carrière maken, kinderen krijgen, die geven ook veel problemen. Bij mij lukte het, god zij geloofd, op mijn achtendertigste nog om een kind te krijgen. Ik raad vrouwen altijd aan: je moet alles willen hebben. Had ik ook. Ik was getrouwd, had een kind en een volledige baan. Wat de gemiddelde man heeft, zeg maar. Ik heb eigenlijk een mannenleven geleid, en dat was toen uitzonderlijker dan nu. Ik heb er wel een prijs voor betaald. Schuldgevoel. Tegenover mijn man en kind. Alsof zij niet genoeg voor mij waren, dat ik zo nodig naar die krant moest. Ik denk dat veel vrouwen dat nog hebben. Ten onrechte. Ik heb mijn zoon later eens gevraagd: Heb je ooit het gevoel gehad dat ik je verwaarloosde omdat ik werkte? Hij zei: Integendeel, ik was reuze trots op je.’ Ze peinst hardop. 'De pil… Wat bracht deze eeuw nog meer dat zo'n enorme impact had? Het massatoerisme. En de televisie natuurlijk. Waardoor Kosovo je huiskamer binnenkomt. En de computer. Maar dat praat ik gewoon na, want ik heb zelf niet zo'n ding. Als ik mensen hoor praten over computers, over Internet, denk ik: allemaal niet meer voor mij. Dat geeft me vaak het verdrietige gevoel dat de karavaan verdertrekt, en ik achterblijf… Nee, als ik een stukkie moet schrijven, ram ik het nog gewoon uit mijn oude portable.’