‘Ik heb altijd willen ontsnappen’

In haar leven, haar werk is Naima El Bezaz op zoek naar vrijheid. Ongewild slecht ze steeds opnieuw taboes.

‘Als kind kreeg ik ooit een keer tien gulden en daar kocht ik een dagboek van. Mijn moeder vond het bespottelijk, zo veel geld voor een boek met wit papier. Ik heb het geprobeerd, in dat dagboek, maar ik kan niet over mezelf schrijven. Binnen de kortste keren werden het verhaaltjes. Toen ik vorig jaar in een depressie raakte, spoorde mijn psychiater me aan te schrijven. Eerst kon ik dat niet, maar op een gegeven moment begon ik ’s nachts, als ik slecht kon slapen. Ik schreef steeds een alinea, die ik naar mijn redacteur stuurde. Hele stukken van wat ik geschreven heb herinner ik me niet. Het bleek een verhaal te zijn. In mijn herinnering heb ik altijd dagdromen gehad en toen ik leerde lezen en schrijven, verslond ik niet alleen het ene boek na het andere, ik begon ook te schrijven. Verhaaltjes. Het was alsof het moest, ik voelde dan dat ik leefde. Ik schreef ’s avonds, als het donker werd.
Thuis waren er geen boeken. Mijn vader was altijd aan het werk, had twee banen tegelijk, mijn moeder voedde vijf kinderen op. Het was een druk, chaotisch gezin. Lezen en schrijven waren de manier om te ontsnappen. Mijn moeder had een Nederlandse vriendin die als vrijwilligster bij allochtone vrouwen thuis kwam. Om te praten. Om ze uit hun isolement te halen. Ze had een rijke man, woonde in een prachtig losstaand huis met een grote tuin. Ze nodigde mij bij haar thuis uit, één keer in de week, met twee andere Marokkaanse kinderen, en ze las ons voor en liet ons zelf lezen. Zij nam me mee naar de openbare bibliotheek en maakte me lid. Onder meer dankzij mevrouw Vink uit Alphen aan de Rijn ben ik schrijver geworden.
Vanaf mijn achtste wóónde ik in de bibliotheek. Het was een rustige, geordende wereld, een groot contrast met thuis. En ik werd gelukkig van het lezen, verdween in de verhalen die ik las. Ik was dan ergens anders. Mijn moeder maakte zich zorgen dat ik niet buiten speelde, maar ik wist al heel jong: eens staat mijn boek in de bibliotheek. Ik wist dat het zou lukken, want dit was Nederland en niet Marokko. Hier kon je je dromen waarmaken, als je maar wilde. Schrijven maakte gelukkig. Ik ben altijd zwaarmoedig geweest.
Toen ik achttien was, won ik een schrijfwedstrijd. In een café in Alphen aan de Rijn droeg ik een gedicht voor; ik kreeg waarschijnlijk de eerste prijs omdat ik zo serieus was. Daarna dacht ik: nu ga ik een boek schrijven. Ik kocht een ouderwetse typemachine en ’s nachts als iedereen sliep, tikte ik. We woonden in een flat, behoorlijk gehorig, zelfs de buren klaagden. Ik liet me niet weerhouden. Een van mijn docenten kende Yvonne Kroonenberg en ik heb hem eindeloos aan zijn kop gezeurd of hij mij met haar in contact wilde brengen. Hij wimpelde dat telkens af. Tijdens een optreden op een scholierenavond in de Meervaart zat Yvonne Kroonenberg in de zaal en kwam ze zelf naar me toe. Of ik al een uitgever had. Via haar kwam ik bij uitgeverij Contact terecht. Hoofdstuk nu hoofdstuk stuurde ik op. De rest is geschiedenis. Mijn eerste roman De weg naar het noorden verscheen tegelijk met Hoezo bloedmooi van Hans Sahar, in 1995. Zijn uitgever heeft de publicatie nog naar voren gehaald, zodat zijn boek eerder zou verschijnen. Twee Marokkanen tegelijk met een boek, die konden, dacht men, niet allebei aandacht krijgen van de media.’

‘De literaire wereld was iets volkomen abstracts voor me. Ik had een beeld van boeken, van de bibliotheek, niet van schrijvers. Ik kon beter met boeken omgaan dan met mensen. Was een eenling. In 1994, nog vóór m’n debuut verscheen, mocht ik van de uitgeverij naar het boekenbal. Ik was twintig. Daar zag ik Harry Mulisch staan. Ik had De aanslag gelezen en sprak hem spontaan aan: “Wat geweldig om u te ontmoeten!” Ik weet nog dat hij met Freek de Jonge stond te praten en dat ze naar me keken als een vlieg die aan hun schoenzool kleefde. Dat was een negatieve ervaring, maar over het algemeen vond ik het allemaal heel bijzonder. Stond ik als provinciaaltje uit Alphen opeens op Crossing Border naast Arnon Grunberg. Ik ontmoette schrijvers die ik kort daarvoor gelezen had voor mijn lijst.
De weg naar het noorden ging over asielzoekers. Ik was me er heel erg bewust van dat ik hier woonde. Ik moest daar veel aan denken: hoe zou mijn leven eruit hebben gezien als we in Marokko waren gebleven? Toen ik vijftien, zestien jaar oud was, regende het huwelijksaanzoeken uit Marokko. Als wij in de zomer in Marokko waren, op familiebezoek, stonden de moeders voor de deur, met schapen en al. Hun zonen hadden me gezien, en vonden me zo mooi. Waren we pas de avond ervoor in het donker aangekomen. Dat allemaal voor een verblijfsvergunning, om maar uit Marokko weg te komen. Mijn ouders zijn zelf uit liefde getrouwd en moesten niets weten van een gearrangeerd huwelijk. Ik heb in Marokko altijd de angst gevoeld. Hassan II was aan de macht. Ik hoorde de mensen fluisteren, zeggen dat je het niet over bepaalde dingen mocht hebben. Hoorde verhalen over mensen die verdwenen waren. En er was armoede, en verdriet, van mensen die hun droom nooit konden verwezenlijken omdat ze niet de juiste naam hadden. Er was veel nepotisme – als je banden had met de koninklijke familie was je toekomst verzekerd – en corruptie.
In mijn leven, mijn werk ben ik op zoek naar vrijheid. Ik heb de onvrijheid in Marokko altijd intuïtief aangevoeld en ook thuis heb ik altijd het gevoel gehad dat ik achter onzichtbare tralies leefde. In Alphen aan de Rijn let iedereen op elkaar, de buurt waar wij woonden was een kleine dorpsgemeenschap. Toen ik op m’n zestiende voor het eerst een keer lichte lipstick op had, werd ik meteen voor hoer uitgemaakt. Was ik op stap geweest met een vriendin die er wat mannelijk uitzag, kregen mijn ouders meteen te horen dat ik in het geheim met een jongen omging. In Marokko is mijn familie heel mild. Ik heb tantes die roken en reizen. Hier zijn mijn ouders veel strenger. We zijn van de stad, Meknès, in een kleine gemeenschap terechtgekomen, met allemaal mensen die uit dorpen afkomstig zijn. De integratie met Nederlanders was een stuk eenvoudiger dan die met andere Marokkanen. Ik heb altijd willen ontsnappen.’

‘Als ik een boek schrijf, ontstaat het verhaal al schrijvende. Ik kies niet voor een bepaald onderwerp, ben er niet op uit om taboes te doorbreken. In mijn tweede boek, Minnares van de duivel, wilde ik de verhalen vertellen zoals ik ze hoorde op de markt in Marokko. Het riep veel negatieve reacties op, vanwege de onverbloemde seksualiteit erin. Dat kon niet, ik moest mijn plaats kennen. Als ik in zaaltjes optrad, waren er steeds weer verontwaardigde mannen, maar ook vrouwen. Het zijn evengoed de vrouwen die de maagdelijkheidscultus in stand houden. Ze hebben er zelf onder geleden, maar voor hun zonen eisen ze toch een maagd. Om mij heen liepen veel meisjes van huis weg. Bij hun ouders was de schaamte groter dan de zorg om hun kind. Marokkanen hechten vaak meer aan hun imago dan aan het geluk van hun kinderen.
Door de reacties op Minnares van de duivel besloot ik bij mijn volgende roman, De verstotene, dat ik geen blad voor de mond zou nemen. Mina, de hoofdpersoon, heeft een moeder die niet goed voor haar zorgt. Het is iets dat je bij Marokkaanse moeders veel ziet, een combinatie van verwaarlozing en hoge verwachtingen, vooral als het om hun dochters gaat. Ze geven hun geen emotionele steun, maar verwachten wel dat ze aan hun strenge eisen voldoen. Het is bij mijzelf ook zo gegaan. Ik ben heel jong opgehouden kind te zijn.
Na De verstotene ben ik ingestort. Ik heb me nooit erg veilig gevoeld en toen ik vanwege dat boek met geweld werd bedreigd, verloor ik het laatste restje veiligheid dat ik had. Ik kwam in een zware depressie terecht. Schrijven werd na een tijdje – het eerste half jaar kreeg ik geen pen op papier – letterlijk mijn overlevingsmechanisme. Als ik schrijf, ga ik altijd in het verhaal op, maar dit keer gebeurde dat nog veel intenser. Bij De verstotene gingen er gedachten door me heen als “ik hoop dat ik veel verkoop”. Nu kon me dat niets schelen. De buitenwereld bestond niet. En toch heb ik opnieuw een taboe aangeroerd met Het gelukssyndroom, want over psychiatrische ziektes praten Marokkanen niet. Ik heb familie in Marokko die in een psychiatrische kliniek werkt, maar dat is daar heel anders dan hier. Daar worden patiënten opgesloten en buiten de wereld gehouden.
Vóór mijn depressie dacht ik permanent aan de toekomst. Toen het zo slecht met me ging, leerde ik een vrouw met kanker kennen met wie ik bevriend raakte. Ze wist dat ze doodging. Aan haar zag ik hoe je kunt genieten van smaakvol eten, de geuren buiten, van het heden. Ze was zich zo bewust van wat ze allemaal zou missen. Ik voelde me schuldig: zij had een jong kind, had net haar grote liefde ontmoet en wilde zo graag leven – en ik niet. Zij heeft veel weg van Marit in Het gelukssyndroom, zoals Layla dicht bij mij staat.
Geluk was voor mij een goud glanzend begrip waar ik niets van begreep. Het stond heel ver van me vandaan. Nu weet ik beter dat geluk inhoudt dat je in het nu leeft. Als ik toekomst heb, hoop ik gelukkig te zijn, ook voor mijn kinderen. Voor Marokkanen is status zo belangrijk, dat staat geluk in de weg. Een paar jaar geleden was ik dagvoorzitter voor de hogeschool in Alkmaar. Er waren veel Marokkaanse en Turkse studenten die economische en juridische opleidingen volgden en ik vroeg ze: “Doen jullie dit omdat jullie dit willen?” Toen kwamen de verhalen van jongeren die liever met een rugzak op wereldreis waren gegaan, of eigenlijk droomden van de kunstacademie. Ik herken dat zo. Ik heb ook altijd voor anderen geleefd. Voor m’n moeder, nu voor m’n kinderen. Maar als ik schrijf, dan leef ik voor mezelf.’

NAIMA EL BEZAZ
HET GELUKSSYNDROOM
Contact, 256 blz., € 17,95.
Verscheen deze week