INTERVIEW MET KADER ABDOLAH

‘Ik heb de mens Mohammed ontdekt’

Kader Abdolah had een groot Iraans schrijver willen worden, zoals zijn betovergrootvader. Nu heeft hij de Koran in het Nederlands vertaald en een boek geschreven over de mens Mohammed, met de ironische titel: De boodschapper.

‘Wat ik met deze twee boeken, De Koran en De boodschapper, heb gedaan ligt helemaal in de Perzische traditie. Een Arabier of een Turk zou niet in staat zijn Mohammed en de Koran op die manier te benaderen. Dat zit niet in hun geloof en het zit niet in hun cultuur. Zij zijn soennieten en die houden zich aan de oorspronkelijke tekst. Ze mogen er niets aan veranderen, niets toevoegen en niets weglaten. Uit de Perzische cultuur is de sjiitische benadering van de islam voortgekomen en daarin wordt heel anders naar het geloof gekeken, kritisch, in de geest van Zarathoestra. De tekst wordt constant opnieuw onderzocht, en op een eigenzinnige manier benaderd en vertaald. Het is niet toevallig dat de moslimcritici in Nederland allemaal Iraniërs zijn.’
Kader Abdolah spreekt indringend, bijna bezwerend tegen me. Toch zitten we rustig te praten in het huis in Delft waar hij nu met zijn vrouw en twee dochters woont. Hij heeft zich in Mohammed, in de mens Mohammed herkend en ik herken Kader Abdolah in het portret dat hij van Mohammed geeft. Ze hebben beiden een missie, al is die missie niet dezelfde. Mohammed wilde de Arabieren een boek geven, Kader Abdolah wil dat Nederlanders van dat boek kennis kunnen nemen. Wat ze er vervolgens mee doen is hun zaak, niet de zijne. Hij vindt dat Nederland de laatste jaren interessanter is geworden. Volgens hem zal Nederland door de confrontatie met de islam gezonder, mooier, jonger en actiever worden.

Zijn koranvertaling heeft een andere volgorde dan gebruikelijk, hij plaatst de soera’s (hoofdstukken) in de chronologische volgorde waarin ze door Mohammed zijn geschreven. In De boodschapper schrijft hij vooral over Mohammed als mens. Het verhaal wordt verteld door iemand die Mohammed intiem heeft gekend, Zeeëd, een historische figuur, die zowel zijn pleegzoon als zijn secretaris, bediende en slaaf was. Zeeëd gaat bovendien als een soort journalist naar mensen toe die Mohammed hebben gekend – familieleden, leerlingen, vrienden, en ook vijanden – en zij vertellen over hun ervaringen met Mohammed en geven hun visie op hem. Die visie kan ongebruikelijk en scherp zijn. Aan het einde van zijn boek schrijft Zeeëd:
‘Mohammed deed het voor Hem.
Maar ik voor hem.’
Je kunt dat zo lezen: Zeeëd gelooft niet in Allah, wel in Mohammed en zijn missie. Maar het gaat nog verder. Het impliceert ook dat de schrijver Abdolah niet in Allah gelooft, en hij gelooft ook niet dat Mohammed in Hem gelooft.
Kader Abdolah: ‘Naar Mohammed en zijn Koran kijk ik als een Pers, en ik zie en ik zag, en ik wist en ik weet, dat de Koran een product is van Mohammed. Kijk, er is een verschil tussen Mohammed, Jezus en Mozes. Mozes is helemaal fictie. Jezus is half god en half mens, we weten niet of hij ooit heeft bestaan. Maar Mohammed is honderd procent van vlees en bloed. Hij zegt dat hij analfabeet is en alleen maar doorgeeft wat hij van Allah heeft gekregen. Maar als je zijn soera’s leest, merk je dat ’t niet waar is. Hij heeft een droom en hij wil die droom verwezenlijken. Hij is in mijn ogen een van de mooiste personen in de geschiedenis van de mensheid.
Ik zie Mohammed als een mens, met alle ups en downs. Hij is een man met een ideaal, een dromer, maar ook een ondernemer, hij heeft ontzettend veel doorzettingsvermogen, hij houdt van mooie dingen, van eten, van vrouwen. Hij neemt risico’s. Hij zet zijn leven op het spel. Hij verzint zelfs een machtige Allah en gebruikt die om zijn ideaal te verwezenlijken. De eerste samenstellers van de Koran, de volgelingen van Mohammed, hadden een politiek doel. Ze besloten de Koran zo moeilijk mogelijk te maken. Hoe moeilijker, hoe goddelijker. Dus hebben ze de Koran chaotisch gemaakt. Toen ik de Koran voor het eerst las, begreep ik er niets van. Mohammed zelf was ook chaotisch. Maar hij was poëtisch chaotisch, ongeveer zoals Picasso chaotisch was. Daarom gaan soera’s vaak over twintig, dertig verschillende onderwerpen.
Als ik de Koran nu lees, zijn er honderden citaten waarin het de mens Mohammed is die spreekt. Als je de soera’s leest in de historische volgorde, zie je hoe Mohammed van een naïeve dichter verandert in een begenadigde en gewelddadige leider die de wereld wil veroveren. In zijn eerste tijd, nog in Mekka, hoopt hij de mensen met zijn teksten te veroveren. Hij wil liever geen geweld gebruiken. Maar niemand luistert naar hem, ze proberen hem te vermoorden. Drie jaar ballingschap in de bergen maakt hem verbitterd. Hij beseft dat hij om aanhang te krijgen geld en wapens nodig heeft. In Medina hadden de joden de macht. Zonder zijn gevecht met de joden, die trots waren op hun boek en hun profeten, had Mohammed nooit een groot leider kunnen worden.
Saoedi-Arabië was in die tijd omringd door grote rijken, zoals het Perzische rijk en het Byzantijnse rijk. Die hadden al honderden of duizenden jaren een god, een boek en een profeet. De primitieve Arabische stammen leefden verspreid in de woestijn en hadden niets. Het was een failliete, corrupte samenleving en de wetten die Mohammed veertienhonderd jaar geleden bracht, waren zo nieuw en modern als het internetten van nu. Maar als je er nu aan vasthoudt, is het alsof je ooit een oude zwart-wittelevisie hebt gekregen en daar veertienhonderd jaar mee door blijft gaan.
Voor een miljard moslims zit Mohammed met een touwtje aan Allah verbonden. Ik heb voor het eerst over Mohammed als mens geschreven. Ik heb dat touwtje tussen hem en Allah gewoon doorgeknipt. Ik laat Mohammed op eigen benen staan. Je ziet hoe hij ter plekke zijn wetten creëert. Die man, met z’n kracht en z’n zwakke plekken, die boeit mij. Ik benader hem nu op deze manier en over vijftig jaar komt er weer iemand die hem op een andere manier zal benaderen.’

Kader Abdolah is een pseudoniem dat hij in zijn revolutionaire tijd heeft ontleend aan de namen van twee gesneuvelde kameraden. Als Hossein Sadjadi Ghaemmaghami Farahani is hij in 1954 geboren in Arak, in het noorden van Iran. Over zijn biologische vader heeft hij ontroerend geschreven in zijn roman Spijkerschrift. Die was doofstom, analfabeet en is altijd een eenvoudige man gebleven. In Het huis van de moskee heeft hij de plek beschreven waar hij opgroeide met in het middelpunt zijn oom – in het boek Aga Djan – die hij als zijn geestelijk vader beschouwt, die nu heel oud is en die hij af en toe vanuit Nederland opbelde als hij in de knoop zat met het vertalen van een passage uit de Koran. Uit diens oude, Arabische Koran heeft hij het boek vertaald, met gebruikmaking van Perzische en Nederlandse vertalingen.
Kader Abdolah: ‘Tot mijn vijftiende jaar heb ik thuis de Koran gelezen, in het huis van de moskee. Wij verdienden er ons brood mee, dus wordt het boek gedoceerd aan de zonen van het huis. Toen ik zes, zeven jaar was kon ik de Koran lezen. Begrijpen is iets heel anders, als kind had ik geen besef waar het over ging. Toen ik vijftien jaar was, werd mijn contact met de Koran verbroken, ik leerde de literatuur kennen, romans, detectives, Amerikaanse supermarktromannetjes, maar ook radio, televisie en Hemingway: The Old Man and the Sea.
Daarna was er de linkse ondergrondse beweging in Iran. We waren geen communisten, we waren tegen de russofielen, onze voorbeelden waren Che Guevara en Fidel Castro. Het was de romantiek van uit de bergen komen en de steden veroveren, we waren anti-sjah en anti-Amerikaans. Toen de sjah in 1979 uit Iran vertrok was er even een enorm moment van vrijheid. Maar wij waren nog onervaren, wij hadden geen politieke partij, alle leiders zaten in de gevangenis. Er was alleen één superslimme leider die een eeuwenoud georganiseerd systeem in beweging wist te brengen, dat was ayatollah Khomeini, die uit Parijs terug kwam. Hij had geen politieke partij, maar de netwerken van de moskeeën om het land in beweging te brengen.
Ik heb natuurkunde gestudeerd, maar ik had een groot Perzisch schrijver willen worden, zoals mijn betovergrootvader Qhaem Megham Ferahni. Ik kom uit een goed nest! Maar toen moest ik vluchten, eerst naar Rusland, toen naar Nederland. Hier las ik Jip en Janneke, maar ook Multatuli, Bloem, Hermans, Harry Mulisch. Dat creëerde een sfeer waardoor mijn kijk op mijn eigen cultuur en de Koran totaal veranderde. Mijn worsteling met de Nederlandse taal, de Nederlandse cultuur, de Nederlandse politiek, het Nederlandse landschap, de Nederlandse koeien, de Nederlandse rivieren, de Nederlandse regen, de Nederlandse vrouwen, alles!
Ik ontdekte hier dat de Bijbel de grote inspiratiebron is voor de Nederlandse literatuur. Zonder de Bijbel is er geen cultuur in Nederland. Mijn droom een groot Perzisch schrijver te worden was in het water gevallen. Toen dacht ik dat ik een groot Nederlands schrijver zou kunnen worden. Zonder de Bijbel was er geen Turks fruit van Wolkers, had Reve De avonden niet zo kunnen schrijven, was er geen sprake geweest van Harry Mulish. Toen kwam bij mij ineens de vraag boven: waar sta ik? En ik ontdekte de Koran. Ik kan alles lezen wat Mulisch heeft gelezen, maar hij kan niet de Koran lezen. Dat is mijn privé-domein, een geheim oord, waar honderd Harry Mulischen niet binnen kunnen gaan.’
‘Toen pakte ik de Koran, die ik 35 jaar niet had ingekeken, die ik als opium voor het volk heb beschouwd. Het werd een geheimzinnige, een ongelooflijk reis. Ik ontdekte de mens Mohammed. En ik ontdekte een geheim in het leven: dat alles waar je hand naartoe reikt van jou zal worden. Hetzelfde wat Mohammed heeft ontdekt. Door de studie natuurkunde weet ik alles over Darwin en de eerste bing-bang-bong. Maar nu weet ik dat alles wat een mens fantaseert werkelijkheid kan worden! Mohammed had er alle bedriegerijen, alle doden, alle gevechten, alle mooie woorden, alle mooie vrouwen, alle lelijke vrouwen voor over om zijn droom te verwezenlijken. Hij was toen, veertienhonderd jaar geleden, modern. Maar hij woonde in een achterstandswijk. Wie nu met de Koran in de hand gaat regeren, creëert een achterlijke samenleving.
Mohammed keek met verwondering naar wat er was. Dat boeit mij. Hij kon Allah niet pakken, er gebeurden geen wonderen, dus zei hij: kijk naar het wonder van de olijfboom. Mohammed ziet Allah overal. Mohammed zegt: Allah is lief, hij vergeeft. Dan komen er in de Koran al die harde woorden over wat de ongelovigen te wachten staat. Maar dat is mijn probleem niet. Het staat er. Net als de Belastingdienst kan ik het niet leuker maken, wel makkelijker. Je kunt de Koran eigenlijk niet vertalen, net zo min als je een oude rivier kunt vertalen. Ik heb alleen een gat in de muur gemaakt. Ik kan de Koran toegankelijker maken, maar wat voor invloed het heeft, kan ik niet bepalen.’

‘Toen ik, vier jaar geleden, begon de Koran te vertalen, was Wilders er nog niet. Ik heb geen probleem met hem, ik heb hem altijd lief behandeld. Ik vind hem ook een soort Mohammed, iemand die iets bedenkt en in staat is het te verwezenlijken. Maar ik houd van Nederland, omdat er op hetzelfde moment 150.000 exemplaren van die twee boeken van mij worden gedrukt. Hoe de reacties zullen zijn weet ik niet. Ik verwacht aanvallen zowel van de gelovige moslims als van ultrarechtse oorspronkelijke Nederlanders. Zij zullen zich kwaad maken, maar het is net als met de geur van herten in de lente: niemand kan die geur tegenhouden. Ik wil het verhaal over de mens Mohammed verspreiden. Ik ben heel hard over hem, ik laat in De boodschapper iedereen zijn mening zeggen. Ze noemen hem een nepprofeet, een dief, een klootzak. Wat de mensen ook zeggen, over honderd jaar hebben we een sterke islamitische cultuur in dit land.
Wat ik maak is geen Perzische literatuur, het is Nederlandse literatuur. Daarom staat er een tulp op het omslag van De boodschapper en hebben we Nederlandse vignetten gebruikt in de Koran: een klomp, een koe, een molen, een tulp en een regenbui.
Ik kan nu niet terug naar Iran, later misschien wel. De Nederlandse regering kan me daar niet beschermen. Kort geleden was mijn oom, mijn geestelijk vader, ziek. Hij is 95 jaar en hij lag op zijn sterfbed. Ik huilde, ik durfde hem niet te bellen, maar ik belde hem toch. Hij kon niet praten. Ik zei tegen hem: “U bent nu 95, houd het nog vijf jaar vol. Dan kom ik en kijken we wat we kunnen doen. Of u dood mag gaan of niet.” Hij lachte en hij zei met volle kracht: “Zeg: insjallah!” Als Allah het wil! Hij weet dat ik niet gelovig ben. Ik zei: “Insjallah. Maar ik kom over vijf jaar!” En hij zei: “Afgesproken.” Dus ik geloof dat hij weer uit zijn sterfbed kruipt.
Ik wil naar Iran teruggaan, maar voor die tijd heb ik nog vele boeken te schrijven, in elk geval een roman over Europa. Opeens zijn er miljoenen moslims Europa binnengekomen. Dat veroorzaakt angst, aanpassingen, veiligheidssystemen. Maar het is zoals de regen, het kan niet anders. Europa is aan het veranderen en we zullen zien wat het resultaat zal zijn. Maar de Koran is goed voor Europa. Europa wordt sterker, gezonder, jonger, blijer door wat de Koran veroorzaakt. Je moet niet luisteren naar de haat, het gaat niet om de mensen die nu leven, die gaan dood. Je moet met een helikopterview naar de samenleving kijken. En dan ben ik heel optimistisch.’

Kader Abdolah, De Koran, een vertaling, 382 blz. en De boodschapper, een vertelling, 266 blz., De Geus, samen € 39,90