Opheffer

Ik heb de pest in

We zeggen wel dat je makkelijk van standpunt kunt veranderen, maar iemand die daadwerkelijk van standpunt veranderd is, krijgt meestal hoon over zich heen. Zo iemand «waait met alle winden mee», hij is een «opportunist», hem wordt verweten dat hij «vroeger zo dacht en nu zo». Wie andere opvattingen heeft dan vroeger wordt geestelijk niet als sterk gezien.

Mijn standpunten zijn veranderd. Soms denk ik zelfs dat ik een totaal andere le vens beschouwing heb, maar dat valt mee.

Ik heb gemerkt wat er gebeurt als je vriend vermoord wordt – en dat heeft veel van mijn standpunten veranderd. Ik zag hoe er alleen verbaal beleid wordt ge voerd. Je wilt het niet denken, want je hebt zo vaak mensen gesproken en gezien, en altijd van bedenkelijk allooi, die zeiden: «Ze hebben alleen maar mooie praatjes.» En je wilde je er altijd voor hoeden dat jij ook zo zou worden. Maar verdomd: je hoorde na de moord op je vriend alleen maar mooie praatjes. Niet eens mooi, trouwens. Je hoorde praatjes.

Het praatje dat we ons goed moesten reali seren dat de fanatiekelingen in feite een achtergestelde groep vormden die zich nergens thuis voelde. En dat de moord dus «ergens» onze eigen schuld was. Het praatje dat de moord nu precies de consequentie was van een samenleving die zich steeds rechtser aan het ontwikkelen was. Het praatje dat de sociale cohesie was verdwenen. Het praatje dat er harde maatregelen genomen moesten worden. Het praatje dat er geen maatregelen genomen moesten worden. Het praatje dat er van alles werd gedaan, en dat er niets werd ondernomen.

Ik weet nog dat ik op de zaak van mijn vermoorde vriend de e-mails bekeek die we na de moord van politici hadden ontvangen en dat ik, verdomd als het niet waar is, niet begreep waarom ik er een paar miste.

Had mijn vermoorde vriend soms geen reclamefilmpjes voor de PvdA gemaakt? Had hij niet altijd Jan Marijnissen ruimhartig geïnterviewd? Tja, ik begreep het allemaal wel, maar toch.

Praatjes.

Ik moest denken aan hoe mijn helden in de geschiedenis vaak rigoureus hun standpunten hebben veranderd. Cicero, Seneca, Dylan, Sartre, Reve, Russell, Wittgenstein… Zou ik nu ook weer een ander standpunt innemen?

«Ach, hij waait toch altijd met alle winden mee.»

«Je kunt hem niet betrappen op enige consequentie.»

«Wat heb je aan zijn mening als hij morgen toch weer iets anders denkt.»

Ik probeer nog steeds de inspiratie voor mijn meningen van de straat en uit de buurt te halen. Ik probeer goed te luisteren en te kijken of ik nieuwe ontwikkelingen ontwaar, maar of het nu komt doordat ik enigszins bekend ben of doordat ik niet goed luister, of juist alles wel goed hoor en zie, ik voel overal agressie om me heen. Behoefte aan oorlog, aan strijd. Men heeft het gevoel dat het tijd wordt om de ander eens een lesje te leren.

Ik loop in de buurt van Mohammed B. – ik blijf het doen al wordt het steeds moeilijker – en ik hoor (hoor ik het echt goed?) moslim jongeren scanderen: «Mo-ham-med B.! Mo-ham-med B.!» Doen ze dat omdat ik daar loop? Weten ze dat Theo een vriend van mij was? Het is zonder meer enigszins angstig als je dat hoort, kan ik u zeggen.

Maar ik hoor ook dat die jongens «niet nog iets moeten flikken of de buurt gaat zich ermee bemoeien». «Ze maken ook mijn handel kapot.»

Wat ik vooral opmerk is het gebrek aan noodzaak om met elkaar om te gaan.

Ik mijd mijn moslimvrienden. Ik daag ze niet uit, ik ontwijk ze. Als ze roepen ga ik weg. Ik wil geen gedonder. Laf? Vast. Soms is lafheid een goed schild. Maar ik besef dat er ook geen noodzaak is om met ze om te gaan. Hoe anders in het ziekenhuis waar ik mijn hart moet laten onderzoeken. De verpleegster heeft een hoofddoekje om. Ik moet mijn lot in haar handen leggen. We kijken elkaar niet aan – maar er is een noodzaak. Hoe belachelijk ik ook over haar denk, ik heb met haar te maken en moet samenwerken.

Ik heb geen respect voor haar gods dienst. Ik vind de koran niet mooi, poëtisch, inspirerend, integendeel. Ik vind vele voorschriften eng, kleingeestig en ronduit gevaarlijk. Ik vind dat sommige voorschriften in dat heilige boek stevig bestreden moeten worden. Ik zie om me heen een grote lafheid, want niemand durft dat meer. «Respect» is een vorm van lafheid geworden, een panacee om je er niet meer actief mee te bemoeien, een schuilhut.

En tja, ik zie ook dat homogeweld, in de dubbele zin van het woord met de twee tegengestelde betekenissen. Eerst een foto van twee jongens uit een koranland die vanwege hun seksuele voorkeur zijn opgehangen, en daarna een nichtenfeest; daar zit iets misselijkmakend hypocriets in waar ik niet goed de hand op kan leggen. Net alsof, door dat gefeest, die lynchpartij niet helemaal serieus genomen hoeft te worden. Er zit ook iets in van: na mij de zondvloed. De decadentie die gerechtvaardigd wordt door de gedachte: ach, straks komen ze ons hier ook ophangen. Het cynisme aan de macht.

Ik leg mijn standpunten op de balans en heb de pest in. Cynisme is ook mijn levens houding aan het worden.

Ik voel me verraden door hen met wie en voor wie ik altijd solidair ben geweest. Uit roeping heb ik me voor alles en nog wat ingezet, en kijk: de revolutie eet zijn eigen kinderen op; de kinderen van de allochtonen die ik heb leren lezen, willen nu mijn keel opensnijden.

En ik, lul, twijfelaar, ruggengraatloze angsthaas, wil nog steeds met ze omgaan of iets voor ze doen, maar ik word gehaat en veracht – en dat voel ik ook.