Uitgebreide versie: Astrid Holleeder over loyaliteit, wraak en schuld

‘Ik heb dezelfde gekte en meedogenloosheid als Wim’

Het toneelstuk Judas, dat deze week in première gaat, is een Griekse tragedie over angst, wantrouwen, verraad en wraak. De slotakte van het echte drama vindt plaats in de rechtbank: daar voert Astrid Holleeder met haar broer een titanenstrijd. ‘Het is hij of ik.’

v.l.n.r. Stien, Sonja, Gerard, Willem sr., Astrid en Willem Holleeder (1966) © privécollectie familie Holleeder

Het succes van haar boek heeft Astrid Holleeder zelf verrast. Maar blij, dat is ze niet. ‘Ik zat op een kamertje van tien vierkante meter, zonder werk, en zonder bewegingsvrijheid en begon voor mijn dochter te schrijven als een uiting van wie ik ben en waar ik vandaan kom. Het was nooit bedoeld voor een boek. Tegen mijn uitgever zei ik toen het klaar was: “Wie wil dit in godsnaam lezen?” Want voor mij is het normaal. Het is echt erg hè, dat ik dit allemaal heb gedaan. Daar ben ik echt niet trots op.’

Begin deze maand verscheen een tien pagina’s tellend portretterend interview in The New Yorker. Ze werkte eraan mee voor de publiciteit van haar boek dat in Amerika verschijnt, nadat de filmrechten al eerder verkocht waren aan Steven Spielberg. Maar aan de Nederlandse pers geeft ze nauwelijks interviews. Haar verhaal is immers bekend door Judas, een familiekroniek (2016) en Dagboek van een getuige (2017). En als getuige in de rechtszaak tegen Willem Holleeder is ze in de afgelopen maanden zo uitgebreid aan het woord geweest dat de advocaat van de beklaagde partij een keer tegen de rechter verzuchtte: ‘Er komt geen einde aan, ze krijgt alle ruimte’ – waarop Astrid Holleeder snedig antwoordde: ‘Ik wil gewoon mijn verhaal vertellen, over alles wat daar krioelt in die slangenkuil van hem.’

In de week voor de première van Judas, de toneelversie van haar boek, liet ze weten bij uitzondering in te gaan op een van de vele verzoeken. Ze wil uitleggen wat voor de meeste mensen moeilijk te begrijpen is: hoe het is om op te groeien in de wurgende greep van een familie waarin de grenzen tussen loyaliteit en moraliteit voortdurend op de proef gesteld worden. In de kern draait het daar om in het toneelstuk, dat regisseur Johan Doesburg en dramaturg Sophie Kassies hebben neergezet als een moderne versie van een Griekse tragedie. Vanuit het perspectief van vier vrouwen – Astrid, haar dochter Sam (niet gebaseerd op de echte dochter), haar zus Sonja en moeder Stien – word je meegezogen in een beklemmende cultuur van achterdocht, angst, verraad en wraak. Een universeel familiedrama dat uitstijgt boven het bekende relaas van deze ene beruchte familie. Astrid Holleeder gaf aan het script – ook aan de toegevoegde elementen van de dramaturg – een half jaar geleden haar goedkeuring, maar ze heeft het stuk nog niet gezien. De acteurs heeft ze van tevoren ontmoet; in Renée Fokker die haar speelt kan ze zich herkennen. ‘Nuchter, stoer en rationeel’, zegt ze tevreden.

Astrid Holleeder ontmoeten, onder de veiligheidsvoorwaarden die daarbij horen, brengt even een schok teweeg. Ze is uitgegroeid tot een celebrity, ik ken haar relaas, haar stem die tijdens de rechtszitting op de perstribune luid en duidelijk te horen is via de intercom; ze spreekt daar in strakke, zakelijk en soms juridisch geformuleerde zinnen. Die ze plotseling kan afwisselen in een onversneden Jordanees gescheld op de verdachte. Maar hóe ze eruitziet, dat weet naast haar privékring niemand. Op het internet is geen recente foto van haar te vinden. En dan staat ze voor je met de woorden ‘Hallo, ik ben Astrid.’ Haar precies beschrijven, mag ik niet. Wel valt er dit over te zeggen – vandaar ook die schok: uiterlijk is ze onmiskenbaar de zus van. Knap en jeugdig, en tegelijk onopvallend.

Ze heeft voor haar gast lekkers meegenomen van de banketbakker, waar ze zelf tijdens het lange gesprek geen hap van zal nemen. Ze drinkt water. Een aardige vrouw, die rustig spreekt, helder reflecteert op de gelaagde structuur van haar familiesysteem, maar af en toe als haar emoties opspelen in hamerende zinnen begint te pleiten. Als ik uitgebreid controleer of mijn dictafoon wel aan staat en zeg: ‘Daar weet jij alles van, angst dat opnameapparatuur niet functioneert’, begint ze hard te lachen.

‘Ik moet je eerlijk zeggen, ik lees niks over wat er over mij in de pers verschijnt, omdat ik het moeilijk kan verdragen. Het doet pijn als er dingen in staan die niet kloppen. Wel check ik de teksten in verband met het proces. Ik moet weten wat Wim heeft gezegd om daar op te reageren. Als ik inbreng heb gehad lees ik dat puur met een juridisch oog. Verder sluit ik me eigenlijk overal van af.’

Het gaat nu weer wat beter met haar, maar de afgelopen maanden voelde ze zich somber. De rechtszaak, de eenzaamheid van haar gedwongen beveiliging – ze kan nooit even afspreken in een café met vrienden want dan brengt ze ook de ander in gevaar. Ze wordt gekweld door wat ze heeft gedaan: haar broer verraden. Sinds kort heeft ze wat rust om te lezen. ‘Geen literatuur, dat gaat te diep, ik kan de wereld om me heen nog niet loslaten. Ik moet de controle houden. Dat is hetzelfde als kinderen met fantasie. Vannacht zat ik daar nog eens over na te denken: zou iemand mij ooit hebben zien spelen zoals ik mijn kleinkinderen zie spelen, in de fantasiewereld met poppetjes? Het enige wat ik kan herinneren is dat ik een Barbiepop had gekregen die had ik gevraagd om er bij te horen op school, maar ik kreeg natuurlijk wel de goedkope versie. Maar ik had nog nooit met poppen gespeeld. Ik wist niet hoe dat moest. Later ben ik gaan lezen. Daar kon ik in wegvluchten. Ik had een klein bibliotheekje, en ik had school, en ik had Pepi, de overbuurvrouw. Zij was mijn rolmodel: single, met een kind, een rijbewijs en een baan. Ik ging in de zomer zes weken met haar mee naar Noordwijk en paste dan op haar kind. Ik kwam herboren terug en sprak Algemeen Beschaafd Nederlands. In de buurt was ik de kakker, “praat effe normaal zeg”.’

In het toneelstuk zegt Stien op een gegeven moment: ‘Assie was anders, altijd met de jongens, altijd met haar koppie, al vroeg de bemiddelaar.’ Klopt dat beeld?

‘Ja, en ik ben nooit veranderd. Ik wist als kind in ieder geval wat ik níet wilde zijn: mijn moeder, niet in elkaar geslagen willen worden. Zij lag onderop. Mijn vader was eerder een rolmodel voor me, nou ja niet echt natuurlijk – hij was gestoord en gewelddadig, en als mikpunt sliep ik met een mes onder mijn bed. Ik bedoel te zeggen: ik was ook liever de agressor, daarom begrijp ik mijn broer ook zo goed. In het gezin hebben we een tweedeling, de jongste en de oudste zijn de agressors, en daartussen zitten de twee slachtoffers, Sonja en Gerard. Ik heb er voor gekozen om geen slachtoffer te zijn. Wim en ik kunnen eigenlijk heel goed met elkaar opschieten, we lijken ook heel veel op elkaar. Alleen zitten we moreel op een andere golflengte.’

Was dát verschil al jong duidelijk?

‘Nou, ik heb altijd een sterk rechtvaardigheidsgevoel gehad. Ik kwam altijd op voor kinderen die werden gepest. Ik was heel groot van stuk, groter dan de rest. Langdarm werd ik genoemd. Stoer en sterk – ik vocht elke dag met mijn broertje, Gerard. Wij tweeën waren altijd samen, als hij niet een winkel in durfde om iets te kopen, voerde ik het woord. Ik was zijn verlengstuk, altijd kwam ik voor hem op. Al heel vroeg parentificeerde ik mijn broertje, en later mijn zus – dat is ook waarom ik hier zit.’

Loyaliteit aan het gezin was al vroeg heel sterk, hoe verhield zich dat tot de moraliteit?

‘Ik denk dat er met de moraliteit in ons gezin niks mis was. We kregen heel duidelijk normen en waarden opgelegd, zeker ook van mijn vader. Als we een tientje vonden op straat, moesten we dat van mijn vader naar het politiebureau brengen. Dieren pest je niet. Al die dingen. Je bent solidair aan je nest en de buurt, zoiets weet je niet, dat gebeurt. Dat kun je niet beredeneren. Ik heb ook familierecht gedaan en heb heel wat loyaliteit gezien. Dan heb je te maken met uithuisplaatsingen. Kinderen van een junkiemoeder blijven nog liever thuis. Dat gold ook voor mij; ook al word je geslagen. Ik zocht wel ontsnapping van thuis bij anderen, zoals bij een vriendin die in een kindertehuis zat. Daar was ik veel, maar zelf deed ik niks met instanties. Dan zou mijn vader ter verantwoording zijn geroepen en dan nam ik een risico voor de rest. Dat wist ik al jong: ten dienste zijn van het geheel.’

Ze probeert uit te zoeken bij zichzelf waarom ze heeft gedaan wat ze heeft gedaan – of ze nog een ander motief heeft dan het willen stoppen van haar destructieve broer. ‘Ik ben me bewust van mijn drijfveren, maar ik wil weten of ik nog een dieper motief heb. Ik herinner goed de vraag van de rechter-commissaris: wat is uw motief? Ik dacht: wat is dat voor een rare vraag? Een getuige heeft over het algemeen geen motief, de verdachte heeft dat wel. Ik reageerde vrij geïrriteerd en zei: “Wat denk je ervan als hij mijn zussie wil dood schieten? Waar heb je het over? Moet je dan achterover gaan leunen en zeggen: nou schiet maar?” Voor mij is een motief alleen maar slecht. En als je het goede wil vind ik dat dus normaal, vanzelfsprekend – het is dus niet omgekeerd. Ik ga altijd uit van het goede in de mens, mijn ingebakken normaalnorm is dat je goed doet voor een ander. Mijn moeder is ook een heel goed mens, mijn vader was gestoord maar in oorsprong was hij niet slecht, hij is slecht gemaakt. Het is nature én nurture – anders kun je niet verklaren waarom Wim en ik zoveel op elkaar lijken maar in essentie toch zo verschillend zijn.’

Renée Fokker en Margo Dames als Astrid en Sonja Holleeder in de theaterproductie Judas © Bob Bronshoff / Senf

Slecht-zijn koppelt ze niet zozeer aan sekse, maar wel aan een verschil in mogelijkheden in de maatschappij. ‘Jongens hebben de mogelijkheid om op het slechte pad te gaan. Een meisje had dat in mijn tijd nog niet. Bij ons in de Jordaan was het normaal dat vrouwen werden binnen gehouden, achter het aanrecht, en verder je bek houden, zeker bij ons thuis. Een man mag wel doen wat hij wil, die kon naar de kroeg – en daar begint zoiets. Ik denk dat in oorsprong de moraliteit van ons allebei goed was. Ik kan me een situatie herinneren dat een jongen een ijsje gooide op een kinderwagen, dan gaf Wim die knaap een paar klappen. Dan kan je zeggen: het middel dat hij toepaste was wel agressief, maar opvoeden met de hand was onze manier van communiceren. Als Wim in de rechtszaal zegt “een paar klappen geven was normaal”, dan klopt dat. Daar val ik ook niet over. Alleen op een gegeven moment komt hij in die wereld. Dat was puur toeval hè. Ik was toevallig heel goed op school, en ik bedacht: dat is mijn ticket om hier uit te komen.’

Die gescheiden mannen- en vrouwenwereld bleef ook toen iedereen het huis uit ging. ’Mijn zuster, mijn moeder en ik kwamen elke dag bij elkaar over de vloer – dat was gezellig en warm, de vrouwen regelden samen alles, we vertrouwden elkaar. Het is alleen die mannenwereld die bij ons zo’n scheefgroei bracht. De criminele wereld is niet vrouwelijk maar masculien, nog steeds. Maar als je mij de leiding zou geven over een criminele organisatie zou ik dat ook prima kunnen.’

‘Ieder milieu heeft zijn eigen regels en codes waar je je aan moet houden. Alleen dat besef je zelf niet. De dingen die ik heb meegemaakt worden uitvergroot, dat is ook zo mooi aan het theaterstuk geworden, maar elke familie kent dergelijke mechanismen, alleen wat voor jou extreem is, is voor mij normaal. Toen ik op de universiteit kwam, kreeg ik een stapel boeken waarvan ik dacht: hoe moet ik dat nou in mijn hoofd krijgen. Bij rechten moet je heel veel uit je hoofd leren, je begint met eentje en dan ben je in staat om er zes uit je hoofd te leren. Dat is training. Ellende ervaren is ook training. Ik schaam me echt helemaal nergens voor, ook niet voor wat ik over mijn familie heb opgeschreven. Het is zoals het is.’

Schaamte niet, maar u wordt wel gekweld door een schuldgevoel.

‘Dat doe ik elke dag, ja. Ga er maar aan staan dat je verantwoordelijk bent, wellicht, en zo voel ik dat dus, voor het feit dat iemand 24 uur per dag in een hok zit. Terwijl je weet hoe iemand vrij beweegt, dat vind jij toch ook fijn, en dan sluit je iemand op. Begrijp je’, zegt ze met gesmoorde stem door haar opwellende tranen.

‘Ik denk veel aan hem. Ik weet hoe zo’n celletje eruitziet, wat het dagelijks ritme is van gedetineerden, dat ken ik door mijn werk. Ik begrijp hem ook zo goed. Het is niet gezond om je familie aan te geven, daarom bestaat ook het verschoningsrecht. Ik ben er heel erg van overtuigd dat dit moest gebeuren, om hem te laten stoppen. Daar heb ik ook geen spijt van, rationeel weet ik dat. Het is van de twee slechte opties de minst erge. Maar daarom is het wel erg.’

Wim, Gerard, Astrid en Sonja (1966) © privécollectie familie Holleeder

Had haar leven anders kunnen lopen, vraagt ze zich vaak af. Had ze niet zoals als haar broer Gerard heeft gedaan de banden met de familie moeten loslaten? ‘Ik had ook in Maastricht kunnen gaan werken. Alleen dan komt dat onderdeel van hoe je bent opgegroeid en de positie die je hebt binnen de familie: altijd de dingen willen oplossen. Ik kon mijn zusje niet alleen laten, ik moest voor haar zorgen. Dat zie je nu ook , dat is heel heftig, nu Wim is weggevallen. Er was altijd een acute situatie, er was altijd gevaar, er was altijd dreiging. Constant redderen, redderen, dweilen met de kraan open. De hele tijd was je bezig, en toen dat weg viel, omdat Wim wegviel, zie je dat de verhoudingen veranderen. Ik ging kijken hoe de dynamiek tussen alle familieleden nu anders moest, begrijp je. Want die móest anders. Het is makkelijk om ruzie te maken en weg te lopen – dat is wat Wim deed. Ruzie, dat is je niet laten raken, niet naar binnen gaan, vluchten. Vooruit verdedigen, slaan om niet geslagen te worden – dat is Wim. En ik kan je vertellen: ik werd eerst bijna Wim binnen dat gezin. Ik veranderde daar in mee. Ik heb daar heel veel over moeten praten, en lezen, om te begrijpen hoe dat gaat.’

Ze snift, de tranen komen weer terug. ‘Dit gaat dus niet over zijn eerdere detenties hè. We leefden toen door, we zaten nog in zijn systeem en speelden de rol die hij wilde. We deelden de geheimen. Maar nu waren wij naar buiten gekomen en werd alles anders; we waren ineens onszelf, we vertelden hoe het werkelijk zat in ons leven.’

Ze valt stil en zegt: ‘Dat was een enorme bevrijding, de hele kots was eruit gekomen en dat iedereen het kon lezen. En dat we ook niet langer tegen elkaar hoefden te zwijgen. De man van mijn nichtje had tegen haar gezegd: “Nu pas snap ik wat je bedoelt.” En dat hij na het zien van de trailer van het toneelstuk ook kon voelen hoe het werkelijk in onze familie toeging. Ik vond het fijn om dat te horen. En om het even juridisch te maken: de boeken zijn toegevoegd aan het dossier; de rechter weet nu hoe het bij ons werkt, en als hij naar het theater gaat kan hij die sfeer voelen.’

De rechtszaak, daar kan ze natuurlijk niet veel over zeggen. Maar wel dat hun relatie, hun gecodeerde communicatie in de rechtszaal doorgaat. ‘De lading die er onder de woorden ligt, kan niemand horen’, zegt ze. Ze beschrijft in haar boek dat ze vroeger binnen de familie altijd in gesluierde taal spraken, uit angst om afgeluisterd te worden door justitie of de onderwereld, maar ook uit wantrouwen jegens elkaar. Non-verbaal maakten ze bekentenissen aan elkaar bekend, door bijvoorbeeld een handgebaar of door juist te zwijgen. Tijdens zittingen kan ze alles aan de andere kant van het tussenschot duiden, een buiging in zijn stem, als hij aarzelt, ritselt, tikt met een pen.

‘Kijk, ik zit hier nu met jou te praten, nu ben ik Astrid – die Astrid is. Als ik dáár zit te praten ben ik Assie, dan praat ik anders, ik praat tegen Wim.’

Maar u praat toch tegen de rechter?

‘Nee, ik praat zijn taal. Omdat we in elkaars taal hebben gesproken, verklaar ik ook in zijn taal. Daarnaast spreek ik in onze taal met hem, hij zegt dingen die ik alleen hoor. Het gaat ook tussen ons, daar kan ik me niet aan onttrekken. Waarom zou ik niet in onze taal spreken? Omdat het geen ABN is? Ik ben wie ik ben, ik ga niet acteren, omdat de media meeluisteren? En ook naar de rechters toe veins ik niet.’

Tijdens een zitting kun je horen hoe ze beiden in soms onnavolgbare logica praten. Beiden zijn taalvaardig, en als haar emoties worden getriggerd wordt Astrid Holleeder de oude straatvechter. In The New Yorker wordt die tweestrijd beschreven als ‘heel intensief, en soms schokkend grof’.

‘Ook daar schaam ik me niet voor. Ik leef in twee werelden, dat heb ik altijd gezegd. Als ik mocht kiezen, dan zou het er anders uitzien, maar ik heb mijn ene wereld nooit losgelaten. Ik praat in twee werelden. We praten tot elkaar. Wat ik doe, is deels een strategie. Kijk, als je met mij het gevecht wilt aangaan, dan prikkelt dat iets op onze manier.’

Ze gaat staan en laat zien hoe ze in één keer verandert in een straatvechter. Ze begint intimiderend te ratelen: ‘Jij wil weten hoe ik verander, gaan we bijdehand doen, wat jij, gaan we dreigen, is dat wat jij wil, jij hebt ook kinderen hè, onthoud dat goed – ik kan het heel goed.’

‘Als iemand mij of mijn familie bedreigt, ga ik er op af. Dan heb ik geen angst, het interesseert me niet. Kom niet aan mijn kinderen en kleinkinderen, dan ga ik het gevecht aan, all the way. Niet aan mijn zusje komen. Dat heb ik ook tegen de advocaten Stein Franken en Sander Jansen gezegd. Ga niet doen alsof Sonja dom is, neem haar serieus. Ik geef mensen een waarschuwing, want ik weet door mijn broer en mijn werk hoe de hazen lopen. Wim en ik zitten beiden zo te schaken; daar ga ik zeker niet aan ten onder, ik krijg er energie van. Als ik kan vechten voel ik me helemaal in mijn element.’

Waarom bent u rechten gaan studeren?

‘Rationeel gezien: dat gaf de beste kansen voor de toekomst. Maar ja, ik heb een gedeukt rechtvaardigheidsgevoel meegekregen uit mijn jeugd. De ontvoering en de nasleep daarvan heeft diep ingeslagen. Maar van nature weet ik – en dat heeft mijn moeder ook – wat goed en kwaad is. Dat je daarin vanuit loyaliteiten schuift – en dingen accepteert die ethisch niet deugen – komt ook doordat je aan die andere kant niet geaccepteerd wordt. Ik dacht: “Ik kom in een wereld terecht waar iedereen rechten heeft gestudeerd en onderscheid kan maken tussen mij en mijn broer” – maar dat was helemaal niet zo. Daar kwam ik bij mijn eerste stage al achter, dat vond ik heftig, Ik was een Holleeder, en dus wist iedereen al hoe ik in elkaar zou zitten. Ik koos voor de sociale advocatuur, dan zat ik bij mijn eigen soort, die snappen mij. Voor het strafrecht gold hetzelfde: ik zag families die begrepen wie ik was.

Kopstukken uit de onderwereld heb ik nooit willen doen, het zijn innemende, charismatische figuren die je heel makkelijk kunnen inpakken en je gaat dan glijden. In die rol wilde ik niet zitten.’

Bent u als advocaat misbruikt door uw broer?

‘Ik werd serieuzer genomen door hem, nu was het: “Wat vind jij ervan?” Ik probeerde hem via die weg nog wel te sturen. Maar er waren ook andere advocaten die hem anders adviseerden. En dan was ik weer de imbeciel.’

Hoe schat u de kansen in van uw broer?

‘Dan ga ik voorspellen, toch? Ik ken het hele proces niet – dat weet je niet als getuige. Als ik zou weten wat hij verklaard zou hebben, dan zou ik kunnen reageren. Soms begrijp ik door de vragen die er worden gesteld waar hij naartoe wil. Dat doet hij natuurlijk heel slim, heel strategisch.’
Het is het ene woord tegen de andere, het is nog best moeilijk.

‘Nee, dat is niet zo heel moeilijk, want het hangt af van hoe betrouwbaar en hoe geloofwaardig de verklaring is van de getuige, en hoe geloofwaardig die is van hem – en daar zitten langzamerhand wel wat deukjes in. Ik vind het helemaal niet moeilijk, maar ik mag me natuurlijk niet bemoeien met de rechter.’

Ze hoopt in ieder geval dat het langzamerhand duidelijk wordt dat zij en haar zus in de tang zaten – hoe je in die wereld bewust deelgenoot wordt gemaakt van zaken die strafbaar zijn. ‘Je komt op het gebied te staan waar verkeerde dingen gebeuren, je wordt de structuur in getrokken maar je kunt niet naar de politie gaan. Dus pas op, het is niet zo makkelijk. Dat geldt vooral voor Sonja. Haar man zat er met beide benen in, je wordt onderdeel van een levensstijl waar je nooit vragen over mag stellen. Het is net als in maffiafamilies – dingen verschuiven uit liefde, uit solidariteit. Zo was het ook bij Wim. Het is begonnen met het losgeld, daar is het zwijgen begonnen, het bedekken van de waarheid, het gedogen en het onderdeel worden van het geheel. En wanneer houd je er mee op? Kijk, ik heb bijvoorbeeld in de gokhallen gewerkt; rationeel heb ik meegedaan aan witwassen. Maar ja, ik dacht ik werkte voor mijn geld, ik heb het niet gepikt! Sonja stelde geen vragen, vragen stellen mag niet, en het feit dat je die niet kan stellen zegt genoeg, dan weet je het al. Cor ging echt niet elke dag met een pakkie brood onder de arm werken. Het is zoals de Sopranos.’

‘Hij roept nu in de rechtszaal dat ik er ook van geprofiteerd heb. Ik zal je vertellen, die vuile vieze smerige vrek heeft mij nog nooit een piek gegeven. Ik wil er niet meer naar luisteren wat hij zegt. Het raakt me diep in mijn ziel dat hij me neerzet als een of andere geldbeluste poenhoer, what the fuck, dat is het laatste wat mij heeft geïnteresseerd. Ik ben niet materialistisch. Geld interesseert me helemaal geen bal. Ik zag de ontsnapping altijd ergens anders. Voor mijn zus is geld veiligheid, voor Wim is dat macht – ook veiligheid. Ik waardeer kennis en ontwikkeling, dan komt het geld vanzelf wel. Kijk maar wat er met me is gebeurd. Ik had geen werk meer, ik heb een boek geschreven vanuit een innerlijke overtuiging maar niet met het doel om er rijk van te worden. Ik kan nu leven op het niveau van het werk dat ik ben kwijtgeraakt. Ik moet manoeuvreren om voor mezelf een manier te verzinnen om te werken. Niks doen is geen optie, dan word ik gillend gek.’

Ze snikt. ‘Dat is het offer. Het dubbele is dat de Astrid die ik via scholing en werk zelf heb gecreëerd, heb moeten opgeven. Wat je overhoudt is de Astrid die de familie niet kan loslaten.’ Kordaat zegt ze: ‘Maar ik probeer me er nu aan te ontworstelen. Dat ik me niet zo verantwoordelijk voel voor de ander. Niet altijd zorgen voor Sonja – want zij is degene die mij aanstuurt, en niet omgekeerd. Wat ik altijd doe, omdat zij zich hulpeloos maakt. Die hulpeloosheid is zo krachtig en machtig, daar word je helemaal gek van. Dat is haar rol, het heeft énorm veel effect op de omgeving. Haat en liefde zitten in onze familie heel dicht bij elkaar. Mijn therapeut zei een keer: “Jullie hebben pech gehad. Normaal kom je er met zo’n vader wel doorheen, maar de bróer kwam er bij – en hij hield het verleden actueel, en daarmee die oude gezinsdynamiek in stand.” Een perpetuum mobile. We hebben er gewoon een zooitje van gemaakt.’

Er komt straks een einde aan die zaak, wat dan?

‘Bij levenslang wordt de kans groter op revanche, daar gaat hij dan de hele dag op zitten broeden. Hij dacht dat wij een goede verstandhouding hadden, en ík heb hem verraden. Maar als hij vrijkomt, betekent dat ook revanche. Daar zit niks tussen. Maar ik zou hem zo graag mee naar huis nemen, dat is mijn gevoel. Het gaat dus niet om een echt huis, iets materieels, maar het huis in jezelf: geborgenheid, veiligheid, samen zijn, dat ik toegang tot hem heb.’

Dat kan dus niet.

‘Nee, ik heb hier met een patiënt te maken. Luister naar die tapes, hoe hij zichzelf niet onder controle heeft, hoe hij impulsief reageert, hoe krankzinnig hij is – in de rechtszaal schokt dat iedereen. Ik moest ook af en toe lachen tijdens die opnamen, hij maakte een heel scala van redeneringen waarmee hij zichzelf altijd kan rechtvaardigen, dat is fabelachtig. Hij is gestoord, maar ik noem hem geen psychiatrisch patiënt, want dan krijgt hij straks nog tbs. Ik ben wel blij dat mensen nu zien wat die gekte is, want dat was voor mij altijd het zware aan het geheel – je moest mee in iets waar je tegen bent. Ik praatte altijd met hem, eigenlijk altijd over de dood, over mensen die dood zijn en of hij daar wel of niet voor gepakt kon worden. Dat was het enige gesprek dat ik nog met hem had. Vroeger was dat niet zo.’

Astrid op de lagere school (1973) © privécollectie familie Holleeder

Ze is nu bezig met haar eigen rol in de familie; ze is geconditioneerd om voor iedereen te zorgen, juist omdat ze anders is dan de rest – en dat moet ze loslaten. ‘Het werkt niet meer. Ik probeer te leren van mijn eigen rol, ik heb daar natuurlijk ook belang bij, ik vind het ook fijn. Ik was iemand, ik vind ook dat ik het goed kan, ik heb het karakter, de intelligentie – van nature hè, daar heb ik niks voor gedaan. Ik kan het dragen. En als ik het kan dragen, dan vind ik dat ik het moet dragen. Ik denk wel in karma, ik ben ervan overtuigd dat je het goede moet doen en kan er niet tegen als mensen slecht behandeld worden. Maar ik heb het er nu wel moeilijk mee, met dat proces naar binnen toe.’

‘Maar ik zoek altijd naar een uitkomst. Laatst keek ik naar Zomergasten, met als gast psycholoog Esther Perel. Ze gaf me een enorme positieve impuls. Ze noemde een boek van Victor Frankl – De zin van het bestaan – die vier concentratiekampen heeft overleefd. Dat wilde ik lezen, want hij weet vast wat de zin van het bestaan is. Hij zegt bijvoorbeeld ook: vrijheid is keuze – en ik heb een keuze gemaakt. Dus ik moet niet zo kreunen en steunen. Na het lezen van de verschrikkingen die hij had doorgemaakt denk ik dan: schaam je. Geef jezelf een schop onder de kont, doe even normaal. Wat ik er ook uit haalde is dat in bepaalde omstandigheden je in staat zou zijn om iemand af te slachten. Ik zou dat echter nooit doen als iemand mij daar een bevel toe geeft. In de context van mijn broer vind ik wél dat ik dader moet worden, om hem te stoppen – ik abstraheer het nu even. Het gaat om de morele keuze die je maakt.’

En ze zegt peinzend: ‘Ik had liever gehad dat ik hem had doodgemaakt. Jazeker, dat heb ik serieus overwogen. Dan had er veel ellende voorkomen kunnen worden. En als ik het nu zou kunnen doen, zou ik het nog doen. Met alle consequenties van dien, dat ik gestraft word. Kijk, ik heb redelijk kunnen voorzien dat als ik hem zou verraden mij dat veel pijn zou doen. Toen ik tegen mijn therapeut zei dat ik dat wilde, zei ze ook dat ik daar niet mee zou kunnen leven. Vanuit psychologisch oogpunt, ja. Ik heb dan ook enorm geaarzeld om naar het OM te stappen. Maar je hebt ook een breder maatschappelijk oogpunt.’

‘Ik weet dat ik boven aan zijn lijstje sta. Logisch. Ik had hem ook vermoord. Ik weet wat er gaat gebeuren, dat wéét ik. Ik heb ooit al die gesprekken gevoerd over anderen. Denk je dat ik een uitzondering ben? Nee, ik ben juist degene die het in zijn ogen nog meer verdient. Dat vond ik zo mooi aan het boek van Esther Perel: op een gegeven moment schrijft ze: “Er is vergeldende gerechtigheid die je zoekt na ontrouw of verraad” – en dat is wat ik heb gepleegd. Of er is een herstellende gerechtigheid. Ik ga voor de herstellende; ik had graag gewild dat het goed was gekomen met ons. Maar hij ziet de gerechtigheid die ik zoek als een persoonlijke belediging. Ik zet hem voor schut in alles wat ik over hem gezegd heb. Dat krenkt hem, als narcist. Hij wil alleen maar die vergeldende gerechtigheid, wraak, dan pas kan hij zich – pff – een beetje ontspannen.’

Dat schaakspel speelt zich nu af in de rechtszaal, met elkaar en met de buitenwereld. ‘Ik kan bijvoorbeeld niet zomaar namen noemen, dat wil hij graag. Maar dan heb ik nog meer mensjes die me uit het leven wensen. Ik heb ook mijn testament. Ik laat iets achter, ik noem in de rechtszaal dus geen namen, maar als je me fokt en ik ben er niet meer, dan komt het allemaal alsnog naar buiten. Het is vastgelegd, daar hoef ik niet eens wat voor te doen. Dat gaat gewoon helemaal vanzelf. Ik ben natuurlijk niet achterlijk! Als het moet, heb ik dezelfde gekte en meedogenloosheid. In de criminele wereld is er altijd een balans, laten we die handhaven, jij doet dit niet bij mij, dan doe ik dit niet bij jou. Maar doe je het wel, dan doe ik het net zo makkelijk.’

Maffiapraktijken.

‘Ja, zo gaat het toch. Je moet je wel houden aan de codes, er niet overheen gaan. Dan schuiven de ladingen, en op dat niveau praten we nu met elkaar. Hij kan mij verdriet doen, maar ik hem ook. Het is alles of niets. Het is niet wat ik wil, het is niet wie ik wil zijn, maar ik moet zo zijn.’

Ze gaat huilen, en zegt als een mantra dat het vast wel weer goed komt met alles. ‘Ik wil me losmaken van mijn familie – zijn wie ik zelf ben. Anders kom ik nooit aan leven toe. Ik ben echt niet diegene die een uur geleden opstond en tegen je begon te schreeuwen. Het allerbelangrijkste op familieniveau is dat wij nu wel de waarheid kunnen zeggen. Weet je hoe het is om de hele tijd te liegen, te zwijgen als je iets weet. Zwijgen is passief liegen. Dat is voor de generaties na mij doorbroken, dat is de winst.’

En dan begint weer de angst op te spelen. ‘Toen hij nog vrij was bedreigde hij Sonja zo dat zij uit angst en zelfbescherming hem vertelde dat ze hem had opgenomen. In de hoop dat hij haar met rust zou laten. Toen hij dát hoorde, zei hij tegen mij: “Daar is doodschieten niet genoeg voor, die moet lijden, er heel lang over doen voordat ze sterft.” Dat soort zinnen zitten nu in mijn hoofd. Omdat ik altijd die gesprekken met hem heb gevoerd over anderen kan ik dat niet wegpraten, zoals sommigen tegen me doen. Ik ga mezelf niet in de maling nemen. Mijn therapeut zegt: koester je waakzaamheid, vertrouw daar op. Als ik het slim doe, stel ik het uit. De tijd rekken door zinvolle dingen doen. Een boek schrijven is zinvol. Als ik zie hoeveel betekenis dat kan hebben, dat het ook anderen kan helpen, dan heb ik, nu ik geen cliënten meer kan hebben, toch nog een functie. Ik leef onder restricties, dus ik pas me gewoon aan. Als je in je hoofd maar vrij bent.’