De aanpak van Gertjan Verbeek

‘Ik heb een hekel aan niks doen’

Gertjan Verbeek, de man die vanaf komend seizoen bij AZ op de bank zit, is mede gekozen om zijn imago als harde trainer. Thuis kan hij dat niet, op de bank zitten. ‘Ik klus.’

GERTJAN VERBEEK, vanaf komend seizoen trainer van AZ, woont in Jubbega. Ik leerde hem kennen toen ik in het voetbalseizoen 2000-2001 meeliep met selectie en trainers van SC Heerenveen en daar een boek over schreef, Het mooiste leven… Ik herinner me nog goed zijn onvermoeibare lessen aan me in de geheimen van het voetbal. Als je kunt schrijven, dan kun je ook leren begrijpen hoe voetbal werkt, was zijn uitgangspunt. Sinds die tijd hebben we contact gehouden. Hij begon zijn trainerscarrière als assistent-trainer bij SC Heerenveen, werd daarna hoofdtrainer van Heracles, was vervolgens een aantal jaren succesvol trainer bij Heerenveen, ging naar Feyenoord, waar het niet goed afliep en keerde voor een zeer succesvol seizoen terug naar Heracles. En nu is een paar weken geleden de training bij AZ begonnen. Voetbaltrainer is een merkwaardig beroep: als het elftal succesvol is, ligt het in de ogen van de media en het publiek aan de spelers, gaat het minder, dan heeft de trainer het gedaan. Gevierd en verguisd, het ligt allemaal dicht bij elkaar: je moet er maar tegen kunnen.
Hij is niet thuis wanneer ik arriveer. Ik loop rond zijn huis, een fraai verbouwde ruime boerderij, met een vijver en een grote tuin. Tien jaar geleden was ik hier al een keer, hij was toen druk bezig met de verbouwing. Ik herinner me betonmolens, stapels tegels, bakstenen, hoge bergen zand. Toen ik de afspraak maakte, vertelde hij dat de boerderij klaar was en dat hij kort geleden een nieuwe in de buurt had gekocht, waaraan hij de komende tijd ging werken. Kom daar maar naartoe, zei hij, dan laat ik je het zien. Hij leidt me via zijn 06 naar het nieuwe pand. Het is een oude boerderij, ligt aan een smalle weg, is omringd door hoge bomen, in de grote tuin is een vrijwel ingegraven tuinhuis. Er is een ruim hok met kalkoenen, eenden en kippen. Op het erf toont een pauw zijn fraaie staart. Ik maak kennis met de voormalige bewoonster, moeder van een ex-vriendin van Gertjan. Ze had hier een winkel in gebruikte kleding, boeken en curiosa.
Hij heeft nog vakantie, ziet eruit als een bouwvakker. Alles gaat hier veranderen, hij wijst waar gesloopt gaat worden, wat blijft staan, welk deel van het dak weg moet, waar slaapkamers komen, de woonruimte, een open keuken. Hij laat me de bouwtekeningen zien. Dit is een meerjarenproject, vertelt hij tevreden, zoals zijn andere boerderij in Jubbega dat ooit was, daaraan heeft hij ongeveer vijftien jaar gewerkt. Of hij hier gaat wonen, weet hij nog niet, maar daar gaat het niet om, het gaat om het bouwen. Hij schat dat dit huis hem ongeveer zes jaar gaat kosten. We rijden naar zijn andere huis, waar hij zich voor het gesprek begint eerst opknapt.

JE BENT IEMAND die altijd keihard werkt, hoe vul je je vrije tijd in?
‘Dat heb je gezien. Ik klus. Omdat ik het niet iedere dag doe, moet ik mijn gedachten er goed bij houden, voor je het weet verzaag ik me, sla ik een spijker door mijn vinger of heb ik een elektrische schok. Ik heb niet voor bouwvakker geleerd, ik heb het mezelf aangeleerd, af en toe helpt iemand me, maar verreweg het meeste doe ik toch zelf. Als ik klus denk ik niet aan voetbal. Dit is langzamerhand gegroeid. Ik heb een hekel aan niks doen, ik werkte altijd zeven dagen in de week, maar ik merkte in de loop van de tijd dat ik daar niet beter van werd, dus is het voor mij goed om een dag in de week iets anders te doen. Echt iets anders. Het hoeft niet de hele dag te zijn, ik hou me zo’n beetje aan bouwvakkerstijden, dus om half acht beginnen en om vier uur laat ik alles uit mijn handen vallen en stop ik ermee. En ’s avonds bereid ik me voor op de volgende dag, de training, de afspraken, eventueel lezingen en wat er allemaal bij mijn werk komt kijken.
Toen ik nog bij Heerenveen zat, woonde ik al in Jubbega, vlak bij Heerenveen, dus als er iets was, belden ze me en dan zei ik: ik kom wel even. Dat kon natuurlijk niet bij Heracles en gaat ook bij AZ niet lukken. Ik rij niet zo even van Jubbega naar Alkmaar dus kan ik echt van mijn vrije dag gebruik maken. Ik probeer het zo in te richten dat ik vrij heb wanneer de jongens vrij hebben. Meestal is dat twee dagen na een wedstrijd, de dag na de wedstrijd is er altijd een lichte training, uitlopen noemen we dat, en de dag daarna hebben ze vrij. Lang uitslapen en op de bank zitten kan ik niet, daar krijg ik een raar gevoel van schuld van, dat doe je niet, dat is zonde, de week is al zo kort en dan ga je niet niks doen. Ik kijk ter ontspanning heus wel naar de televisie, vanaf een uur of tien ’s avonds, ik wil weten wat er verder op de wereld gebeurt, ik kijk niet naar series, dat heeft geen zin, de ene keer kan ik wel, de andere keer niet.’
Kijk je wel eens als een liefhebber naar een voetbalwedstrijd, niet als trainer?
‘Ik ben natuurlijk altijd een liefhebber, maar gewoon als toeschouwer kijken kan ik niet. Ik kijk altijd naar de organisatie van een team, hoe laag het niveau ook is. Van de week ging ik naar een wedstrijd van het zoontje van een kameraad van me, die kon kampioen worden en ik betrapte me erop dat ik weer stond te kijken naar dingen waarop getraind kon worden om die jongens beter te maken. Dat is heel raar, ik kan het niet anders, terwijl het om jongetjes ging van een jaar of tien. Vooral als er ouders langs de kant staan die allerlei onzin roepen, heb ik er moeite mee me in te houden. Ik kijk altijd als trainer, niet als supporter of ouder, ik heb zelf geen kinderen. Ik denk altijd in systemen, alleen niet bij de allerjongste jeugd, die spelen zonder organisatie, ze doen maar wat. Er is altijd wel een jongetje bij waarvan ik denk, hé, die heeft het, in ieder geval meer dan een ander, zoiets gaat helemaal automatisch.’
Was je ook aan het begin van je sportcarrière zo systematisch?
‘Ja, dat hoort bij me. Ik plan en organiseer, het is bij mij geen chaos. Vanaf mijn tiende, twaalfde jaar deed ik aan een aantal sporten, vooral voetbal en boksen. Ik moest ze op elkaar afstemmen, ook school en thuis. Training was voor mij heilig, dus organiseerde ik alles daaromheen. School deed ik omdat het moest, ik werkte er niet hard voor, ik was een goeie mavo-leerling, met een beetje inspanning had ik havo kunnen halen, maar dat zat er niet in. Wat ik met sport heb, heb ik niet met leren. Al slaagde ik dus wel met hoge cijfers voor het eindexamen, dat was mijn eer te na, ik heb een sterk ontwikkeld eergevoel, misschien hoort dat bij sporters.
Als er geen jongens op straat waren om te voetballen, ging ik met mijn vader dingen doen. Ik ging hardlopen om een betere conditie te krijgen, daarom ging ik ook boksen, mij fysiek ontwikkelen. Twee keer trainen met voetbal vond ik niet genoeg. Ik regelde het wel zo dat de trainingen van boksen en voetbal niet samenvielen. Ik deed boksen ook zo goed mogelijk, ik had er beslist talent voor, als ik iets doe wil ik het goed doen. Bij boksen startten we altijd met hardlopen, dus leek het me een goed idee alvast hardlopend naar de boksschool te gaan, dan had ik de warming-up al achter de rug. Dat was een kilometer of zeven, de trainer bracht me na de training naar huis. Op zondagmorgen was altijd bokstraining, daar deed ik gewoon aan mee en dan ging ik ’s middags competitie voetballen. Ik heb veel energie. Nu zou ik het niet goed vinden wanneer de jongens voor de wedstrijd zo’n inspanning leveren, maar ik denk dat het misschien toch goed zou zijn wanneer ze ’s ochtends drie kwartier een beetje zweten, een beetje spanning maken. Dat is in het huidige voetbal taboe, ik heb toch al het imago van een hardwerken-trainer, dus daar zal ik maar niet mee aankomen.’ (lacht)

PROFVOETBAL BESTAAT uit trainen, rusten, wedstrijd spelen, rusten, trainen enzovoort. Spelers hebben veel vrije tijd, hoe vullen ze dat in?
‘Ideaal is natuurlijk wanneer ze op de juiste momenten rust nemen, goed eten en leuke dingen doen. Vaak gaan de jongens in hun vrije tijd winkelen, op familiebezoek, of naar Amsterdam om een tatoeage te laten zetten, dat is het dan. Dat doen ze niet uit balorigheid, ze hebben er geen idee van wat wel en niet goed voor ze is. Vaak vervelen ze zich gewoon, het heeft te maken met hun energiebalans. Je moet leuke dingen gaan doen, dat kost geen energie, als je je verveelt kost het wel energie. Als je niks om handen hebt, geeft voetbal alleen te weinig bevrediging, als je niks ernaast doet is het geestdodend.
Je ziet de laatste tijd ook jongens die ermee stoppen omdat ze het leven van een prof niet aankunnen. De sociaal-maatschappelijke begeleiding van voetballers stopt vaak bij de verzorging van huisvesting, de regeling van de juiste papieren en familiebezoek. Vaak komt het er bij de clubs niet van om te kijken wat een speler verder doet. Als ze kinderen krijgen, is er weer structuur in hun leven, als je een gezin hebt, dan kom je de dag wel door, dan ben je bezig. De jongens werken niet acht uur op een dag, vaak trainen ze alleen ’s ochtends, dan duurt een dag wel erg lang.
We hadden bij Heracles een regeling waarbij er meer van de jongens op sociaal-maatschappelijk gebied werd gevraagd. ’s Middags waren er, als er alleen ’s ochtends werd getraind, steeds meer activiteiten in de stad: met jongeren, met bejaarden, met buurtwerk. Dat zie je ook bij AZ. Bij Heracles wilde de gemeente wel inspringen met financiële ondersteuning, maar daar moest dan wel wat tegenover staan. Spelers staan vaak wat los van de maatschappelijke realiteit. Er zijn jeugdspelers die al snel dertigduizend euro verdienen, dan heb je het over normale contracten. Die vinden dat heel gewoon, ze weten niet dat je als jonge jongen in het bedrijfsleven niet aan zo’n bedrag toekomt. En als de club een goed seizoen draait, zoals dit jaar bij Heracles, dan krijgen ze premies, het kan wel oplopen tot het dubbele van het jaarsalaris. Ze weten vaak niet wat iemand modaal verdient, ze klagen zelfs over hun eigen salaris, ze horen van leeftijdgenoten bij Ajax dat die veel meer verdienen.
Over dit soort dingen praat ik met ze. Je hebt jongens die bereid zijn het maximale uit hun carrière te halen, die komen heel ver, die hebben een goede energiebalans, die zijn bereid zich als mens verder te ontwikkelen, dat loopt parallel met je ontwikkeling als voetballer. Als je niet bereid bent buiten je eigen wereldje te stappen, dan ontwikkel je je ook niet als voetballer.’
Waarom halen sommige talentvolle spelers de top niet?
‘Voetbaltalent bestaat niet. Voetbal is geen talent, het is een vaardigheid. Goed voetbal spelen ligt niet opgesloten in je DNA, dezelfde jongen die in een ander milieu opgroeit blinkt uit in een andere sport, in hockey bijvoorbeeld. In je DNA ligt opgesloten dat je een goede oog-voetcoördinatie hebt, of goeie explosieve spiervezels of dat je fijne motoriek goed is. Je moet beschikken over een aantal fysieke kenmerken om de top te kunnen halen. Maar het hangt allemaal ook af van toeval, je kunt goede kwaliteiten of vaardigheden hebben maar als je die niet ontwikkelt wordt het niks.
Bill Gates werd schatrijk omdat de universiteit waar hij studeerde toevallig een computer aanschafte en hij daarmee ging werken. Je moet je talenten leren ontdekken. Als je ergens goed in bent, vind je het vaak leuk en dan ontdek je je sterke kanten veel eerder. Als spelers de top niet halen, dan hebben ze die niet voldoende uitgewerkt. Ik was mentaal heel sterk, maar voetbaltechnisch minder vaardig, dat heeft te maken met mijn fijne motoriek. Die heb ik wel maximaal ontwikkeld, maar andere jongens komen daarin verder. Ik was nooit Bergkamp geworden, ook niet als ik toptrainers had gehad. Maar ik was mentaal wel sterk, sterker dan veel andere jongens.
Ik leg spelers soms heel simpele vragen voor, bijvoorbeeld: noem eens vijf dingen waarom je ’s ochtends opstaat. Ja, ik ben wakker, ik moet trainen natuurlijk, maar dat is niet genoeg, ik wil weten wat hun drijfveren zijn. Ik probeer ze over dat soort dingen te laten nadenken. Vroeger ergerde ik me als trainer wel aan jongens die geen hoge eisen aan zichzelf stelden, nu ga ik de discussie met ze aan, probeer ze bewust te maken van de kansen die ze laten liggen. Het is in hun belang als ze naar PSV of Ajax kunnen, maar ook in het belang van de club. In voetbal is er iedere week een examen, spelers moeten voldoen aan bepaalde normen. Tussentijds evalueren we uiteraard de vooruitgang van een speler. Ik wil na een jaar niet hoeven zeggen dat we er niet alles aan hebben gedaan om goede voorwaarden te creëren om ze beter te laten presteren. Dat is niet alleen een kwestie van techniek en fysiek, ook van mentaliteit.’

HOE GA JE met conflicten om?
‘Ik zoek ze niet op, vaak kennen journalisten de achtergronden niet. Ik houd van de discussie met goede argumenten. Ik begin niet zelf, ik zeg gewoon wat ik vind. Ik houd te weinig rekening met de consequenties, of wat anderen ervan vinden. Ik heb een mening. Dat heeft te maken met mijn opvoeding, de wijze waarop ik met mijn vader en moeder ben omgegaan. Ik heb al vrij vroeg voor mezelf moeten opkomen. Soms komt wat ik zeg heel direct en confronterend over, anderen vinden dat bot, maar ik voel dat niet zo. Er zijn mensen die me dan onbeschoft vinden, dat is dus interpretatie. Ik heb geen invloed op wat mensen ergens van vinden. Ik zeg dit soort dingen niet om iemand te plezieren of te ergeren, ik vind ze gewoon en dan zeg ik het. Ik probeer dicht bij mezelf te blijven.
Als je vindt dat ik tactischer moet zijn, moet je de dingen niet aan me vragen. Er ontstaat bij mij pas een conflict als ik het idee heb dat ik word besodemieterd. Op dat moment heb je geen gemakkelijke aan me. Je hebt in het voetbal een soort driehoeksverhouding tussen spelers, directie en trainer. Net zoals je thuis als kind binnen een driehoek leeft: vader, moeder en de kinderen. Mijn vader was tamelijk autoritair, hij beschouwde alles in zijn huis als zijn bezit, mijn moeder bemiddelde, in de puberteit gaf dat wel eens strijd en was de sfeer wel eens gespannen.’

WAT VIND JE van je imago in de pers dat je een harde trainer bent?
‘Ik stoor me wel aan die verhalen van journalisten die me tot beul verklaren, dat ik twee tot drie keer train, dat ik enorm aan krachttraining wil doen. Ik denk niet dat ik me daartegen moet verdedigen. AZ is bij me gekomen op basis van mijn imago wat betreft discipline en trainen, en de wijze van voetballen. Alles waaraan je veel aandacht geeft, groeit en bloeit. Dat geldt ook voor negatieve dingen, ik hou me liever bezig met positieve zaken. Mensen als Johan Derksen zeggen toch wel wat ze willen zeggen, ze hebben daar een eigen programma voor, ik besteed er geen aandacht meer aan want dat schiet niet op. Ik ga niet meer in dat soort programma’s zitten, ik geef alleen aandacht aan mensen en dingen waarvan ik vind dat ze moeten groeien en bloeien.
Ik probeer spelers structureel te ontwikkelen, ik wil geen incidententrainer zijn, ik werk systematisch. Ik weet langzamerhand wat je wel en niet moet doen om jongens beter te maken. Wat wel of niet past bij een speler. Ik luister naar spelers. Ik legde een keer een bepaalde techniek uit aan Huntelaar, die zei toen: ja maar trainer, dat past niet bij mij. Zoiets vind ik goed, dat betekent dat een speler naar zichzelf kijkt en nadenkt. Ik leer nog altijd bij. Ik ga naar cursussen en workshops. Op fysiologisch en technisch-tactisch gebied ben ik goed op de hoogte via vakbladen en collega’s. Ik denk dat er vooral op mentaal gebied nog veel winst te boeken is in het profvoetbal. Er wordt steeds meer bekend over de werking van de hersenen, ik lees daar veel over en maak er gebruik van in mijn werk. Ik wil dit werk zo lang mogelijk blijven doen, dan moet je ook in jezelf investeren.’