Hélène Cixous over misogynie, de Fransen en het schrijven als missie

‘Ik heb een pact met de literatuur’

Hélène Cixous stond aan de basis van de vrouwenstudies, én van de écriture féminine. In Frankrijk werd ze van jongs af aan omringd door discriminatie, haat en geweld. Ze vluchtte in literatuur.

Stampvol is de theaterzaal in Lyon waar Hélène Cixous haar nieuwe boek presenteert. Veel jongeren, veel Duitstaligen. Het boek heeft de vorm van een correspondentie met de Frans-Duitse schrijfster Cécile Wajsbrot, waarbij de laatste, een bewonderaar en vriendin van de beroemde Franse auteur, op zoek gaat naar Cixous’ Duitse familiegeschiedenis. Geen sinecure, want haar achtergrond is meervoudig en meerstemmig, zoals alles in haar persoon en in haar werk. De sfeer in het theater is verwachtingsvol, het publiek is gekomen voor een internationale grootheid, een vrouw die in veel intellectuele kringen op handen wordt gedragen.

Eind jaren tachtig volgde ik als student enige tijd haar fameuze séminaire over ‘l’écriture féminine’. Ver buiten het centrum van Parijs, in het Bois de Vincennes, verzamelde de filosofe haar steevast in het zwart geklede getrouwen om zich heen, vrouwen die het werk van Luce Irigaray bestudeerden, van Monique Wittig of Clarice Lispector. Van die bijeenkomsten herinner ik me de bijna gewijde stemming, de ingewikkelde tekstanalyses en de enorme adoratie voor de vrouw die in het middelpunt stond.

Hélène Cixous is ondefinieerbaar – in alle opzichten. Ze is filosofe, literatuurcritica, feministe, dichteres, (toneel)schrijfster en hoogleraar Engelse letterkunde. In 1974 richtte ze het eerste Centrum voor Vrouwenstudies op aan de Université de Vincennes. In de Verenigde Staten geldt ze als voortrekker van de French Theory. Nog steeds wordt haar werk er, net als dat van Foucault, Derrida en Lacan, door studenten gelezen. Hoe actueel haar werk is blijkt wel uit het feit dat Laurent Binet in zijn onlangs verschenen hilarische roman De zevende functie van taal, over de Franse semiotici en hun succes in de VS, ook Cixous opvoert. Met Ariane Mnouchkine richtte ze het beroemde Théâtre du Soleil op en maakte ze vernieuwend toneel. Haar werk onttrekt zich aan iedere genreaanduiding en is doordrenkt van literaire verwijzingen naar auteurs die ze zich volledig eigen heeft gemaakt, van Shakespeare en Clarice Lispector tot Montaigne en Akhmatova, van Joyce en Ingeborg Bachmann tot Proust, Balzac, Dante en Kafka.

Medium anp 29518091

Hélène Cixous werd in 1937 geboren in Oran, een Algerijnse stad aan de Middellandse Zee. Haar vader was een Algerijnse arts, haar moeder een Duitse vroedvrouw afkomstig uit de Elzas. ‘Al heel vroeg was ik me bewust van onrecht en geweld’, zei ze een paar jaar geleden, ‘mijn geheugen is een soort verzamelplaats van een immense kroniek.’

Die kroniek begint met alle verhalen die haar moeder en grootmoeder haar vertelden. ‘Mijn kindertijd is altijd dubbel geweest, ik heb altijd gehoord wat er vóór mij was gebeurd, waar ik vandaan kwam, wat mijn erfenis was, wat er in Europa gebeurde in die eeuw van verwoesting en bloedbaden. Ik heb altijd een panoramische blik op onze tijd gehad. Op het balkon van ons appartement in Oran stond ik op het balkon van de hele eeuw, ik zat er midden in.’

Die metafoor spreekt Cixous – zilvergrijs, welbespraakt, fragiel, met iets onverzettelijks in haar houding – nog steeds aan. Ze vergelijkt het balkon waar ze als kind stond met het balkon in een theater: ‘Ik keek uit op het plein in het centrum van de stad, La place d’Armes, waar alles zich afspeelde. Ik heb de soldaten van maarschalk Pétain zien aankomen, later, na de landing in Noord-Afrika de Amerikanen, weer later generaal De Gaulle. Alles op dat grote toneel. Tegenover mij het stadhuis met grote bronzen leeuwen ervoor. Het waren de allerlaatste leeuwen in Algerije, alle andere waren door de Fransen gedood. Rechts de stadsschouwburg. Links een kleine bazaar, de winkel van mijn grootvader van vaderskant. Ze verkochten er kwartiermutsen, biezen, boorden, dingen die behoorden tot de uitrusting van een soldaat, maar ook hoeden en ansichtkaarten. De winkel heette Aux deux mondes.’

In die tijd was Algerije een Franse kolonie. Cixous’ vader was geboren in Algerije, dus officieel Frans. Haar moeder, wier familie afkomstig was uit Osnabrück in Duitsland, was geboren in Straatsburg, in een streek die in de loop van de geschiedenis nu eens Duits en dan weer Frans was. Allebei haar ouders waren joods en kregen te maken met de anti-joodse wetten van de nazi’s. Haar vader mocht zijn beroep niet meer uitoefenen, het meisje Cixous mocht niet naar school. De familie van haar moeder werd tijdens het naziregime grotendeels vermoord. In Oran werden Algerijnse joden met scheve ogen aangekeken en als verraders beschouwd.

‘Ik ben geboren in een gekoloniseerd land’, zegt ze, ‘dat geweld werd aangedaan, waar het volk leed, iedereen werd gekweld. Ik was beschermd door het liefdevolle gezin waarin ik opgroeide, er was liefde, intelligentie, schoonheid. We werden omringd door monsters, daar was ik als meisje erg bang voor. Mijn vader, de beschermer van de familie, stierf, ineens was hij er niet meer. In die wereld kon ik niet leven, het was de hel. In ben naar de uitgang gehold: de boeken. Ik wist al jong dat je in geen enkel land ter wereld aan de barbarij kon ontsnappen. Ik moest een trap vinden, een papieren trap. Toen ik heel klein was vluchtte ik in het lezen, het schrijven kwam toen mijn vader stierf. Ik moest een papieren geheugen fabriceren om de leemte weg te werken.’

Hélène Cixous werd van jongs af aan omringd door discriminatie, onrecht, haat, uitsluiting en geweld; haar werk draagt er de sporen van. Ze vluchtte in literatuur en werd daarbij omringd door vele talen. Thuis sprak ze Frans, met haar grootmoeder sprak ze soms Duits, haar vader beheerste Arabisch en Hebreeuws. Het Frans was toen de officiële taal in Algerije. In het park waar ze speelde, hoorde ze Duits, gesproken door joden die vertrokken waren uit nazi-Duitsland. Op haar dertiende begon Cixous te schrijven. Altijd zou haar literatuur ‘plurielle’ zijn, meertalig. Altijd zou ze zich tegen grenzen verzetten, ook die van de taal.

Toen ze in 1968, als hoogleraar Engels, medeoprichter was van de universiteit Paris VIII/Université de Vincennes stelde ze ‘literair polylinguïsme’ verplicht, literatuur moest in meerdere talen bestudeerd worden. In haar recente boek Une autobiographie allemande schrijft ze dat er voor haar maar één taal is ‘die soms Engels spreekt, soms Duits zingt, als een welluidende rivier waar zich steeds meer zijrivieren bijvoegen’, ‘mijn hart is polyglot’. Voor Cixous heeft taal altijd één betekenis gehad: ‘liberté’. ‘Saute-frontière. Hors-la-loi’, schrijft ze associërend. Taal, ‘wat een vervoermiddel naar de diepten, wat een onder- en bovengrondse trappen! Ik ga terug tot aan de wortel van de woorden. Ik vraag ze waar ze vandaan komen, ze dragen de tijd als pollen op hun lijf. En ze zijn van gemengde afkomst. Als die suffe, stompzinnig nationalistische Fransen nu eens zouden begrijpen dat ze niet één zin uitspreken die niet meerdere wortels heeft! Dat er Arabisch in hun taal zit!’

Welk onderwerp je ook aanroert, steevast haalt Cixous uit naar Frankrijk en de Fransen. Het is terug te voeren op haar kinderjaren in Oran, waarin er, schrijft ze, ‘een immense en onoverbrugbare kloof was tussen “ons” en “de Fransen’’’. ‘De stad stonk naar Vichy en Pétain. Nooit van mijn leven heb ik “Frankrijk” of “de Fransen” kunnen idealiseren. Ik heb ze aan het werk gezien.’ Ze herinnert zich dat Franse vrienden van haar vader, een arts en zijn rooms-katholieke vrouw, afscheid kwamen nemen, omdat ze vertrokken naar het vrije, zuidelijke deel van Frankrijk. Zelf konden ze niet vertrekken, haar vader had tuberculose. ‘Er waren waardige Fransen’, schrijft Cixous in Une autobiographie allemande, ‘en een hele hoop onwaardige.’ Dat observeerde ze ook later in haar leven, ‘een waardige minderheid en een grote meerderheid die heftig racistisch was en xenofoob’. Hetzelfde zag ze in de koloniale oorlogen, van Indochina tot Algerije. ‘De hele geschiedenis van de mensheid hangt aan elkaar van verlies, loskoppeling, verdrijving. Ik ben altijd iemand geweest met een historisch bewustzijn. Dat van mezelf én dat van mijn moeder en grootmoeder. Ik ging in mijn gedachten terug naar de steden waar ze vandaan kwamen. Van daaruit keek ik naar mijn eigen wereld. Vanuit die oorlogen keek ik naar de oorlog waar ik zelf getuige van was.’

‘De hele geschiedenis van de mensheid hangt aan elkaar van verlies, loskoppeling, verdrijving’

Dat Cixous zich nooit volledig Frans heeft gevoeld, vindt ze heel positief, ‘als anderen dat gevoel zouden delen zou dat een enorme vooruitgang zijn’. Als je eens van school bent geweerd, en daarna mag je ineens wel, namelijk als er Amerikanen in de stad zijn, dan kijkt men je toch scheef aan, vertelt ze. Het heeft haar vertrouwen in de Franse nationaliteit voorgoed beschaamd. ‘De Franse staat blijft je dat trouwens goed inpeperen’, zegt ze, ze heeft regelmatig problemen met haar paspoort. Waarom moet ze bewijzen dat haar Algerijnse vader Frans was? En hoe zou ze dat kunnen? Gelukkig komt haar moeder uit Straatsburg. Niemand in Frankrijk die weet dat de stad toen Duits was, lacht ze.

Cixous voelt zich solidair met al die mensen die uren in de rij moeten staan voor het politiebureau om hun nationaliteit te bewijzen. ‘Ik walg van het fantasme van rassenzuiverheid, ik ben erg blij dat ik ervan verdacht word niet helemaal Frans te zijn.’ Altijd voelt ze zich op de drempel, in de deuropening. Schrijven doet ze met zicht op de oceaan, met de rug naar het centrum. Ze voelt zich verwant aan Montaigne, de man van de tolerantie. Eén voelt ze zich alleen met de Franse literatuur. ‘Maar literatuur is niet Frans.’

Bijna ieder jaar publiceert ze een nieuwe titel, eerst 25 jaar bij Les Editions des Femmes, de laatste tijd bij uitgeverij Galilée. Soms heeft een boek een essayistisch karakter, dan is het weer meer autobiografisch. Ze gaat te werk als een archeoloog, voelt zich gewijd aan ‘onderzoek van diepten, mijnen, tunnels, doolhoven, plekken waar wordt begraven en opgegraven, ik beluister de longen van de schepping’. De laatste jaren werkt ze aan een reeks die ze kenschetst als ‘pétales’, bloemblaadjes. ‘Ik wil dat het organisch is, zonder dwang waar het vorm, chronologie en inhoud betreft. Het moet groeien als een immense bloem, ver van iedere bewuste constructie.’

In 2015 verscheen Homère est morte…, een boek waarin ze de dood van haar moeder op de voet volgt en doorvoelt. Nooit eerder heb ik een dergelijk verslag van een levenseinde gelezen, op de huid van het lijden en het sterven, maar opgetild, verheven in de taal, in de beelden en de klanken die eigen zijn aan het universum-Cixous. Het is het persoonlijkste, intiemste boek dat ze ooit schreef, ontregelend, soms onbegrijpelijk maar altijd fascinerend. Het is taalspel en literatuurgeschiedenis, monoloog en dialoog, beschouwing en hartenkreet. Het is kaal en komt soms hard bij de lezer binnen.

Cixous’ moeder was vroedvrouw en zette duizenden kinderen op de wereld. Ze werd 103. Ze was ‘sterk en blij’ tot een jaar voor het einde. Met name de laatste maanden van haar leven waren zwaar. ‘Op een dag in januari viel de dood haar bruut aan’, aldus Cixous. ‘Vanaf dat moment voerde ze een verloren strijd. Maandenlang hield ze heldhaftig stand. Het was noch leven noch sterven. Het was de ultieme ervaring, de laatste oversteek. Het was onverdraaglijk. Een foltering. Ze raakte los van alles, als een bootje dat reddeloos verloren is. Je wilt de mens die lijdt en met wie je lijdt behouden en tegelijkertijd wil je dat het lijden ophoudt. Ik zat de hele tijd naast haar, om het te verdragen maakte ik aantekeningen. Ik hield me vast aan de metalen spijlen van haar bed, én aan mijn stukjes papier. Dat had ik nodig. Ik dacht niet dat het een boek zou worden, ik dacht zelfs dat het uitgesloten was. Maar ik moest het doen. Iedere keer als ik iets deed wist ik dat het de laatste keer was. Ik probeerde geen minuut te verliezen van wat tot ons gemeenschappelijke leven behoorde. De textuur van de tijd veranderde iedere dag. Het was een tijd die ik nog niet kende, ongelooflijk snel, stormachtig en verwarrend en tegelijkertijd van een onmetelijke lengte, een bovennatuurlijke tijd. Iedere minuut duurde eeuwen.’

Cixous noteert hoe ze van 14 tot 22 januari 2013 heen en weer wordt geslingerd. ‘Ze wordt zwakker. Ze houdt vol. Ik vrees, vrees niet, vrees. Ik blijf vrezen dat mijn vrees zich uitput, dan herneemt de vrees haar elan.’ Toen haar moeder eenmaal was gestorven, kon ze niet ophouden met schrijven, ze beleefde steeds opnieuw de dingen die nog ‘brandend’ waren. En dan schrijft ze, ineens, tussen haar verslag door: ‘Ik vind dat je de Literatuur moet verdedigen, land van onrust en van de eeuwige diskwalificatie van gemoedstoestanden.’

‘Ja, je moet de Literatuur verdedigen’, zegt ze. ‘Het is mijn enige missie. Ik heb een pact met de literatuur, ik heb haar altijd nodig gehad, zonder literatuur kon ik niet leven. Overleven. Door de dood heen gaan. Ik heb een schuld aan de literatuur. Literatuur is heilzaam voor de mensheid. Ze is onontbeerlijk. Zij die haar niet kennen zijn minder menselijk, wie zich met haar bezighoudt is intelligenter. Je moet voortdurend proberen haar met anderen te delen. De literatuur wordt aangevallen, meer en meer. Door de markt, door de sociale media. De taal verarmt, wordt vervormd. Je kunt dat niet stoppen, maar wel een tegengif voorstellen: Literatuur.’ Ze heeft het over Literatuur met een hoofdletter, verduidelijkt ze, de literatuur die die naam waard is, zoals Derrida zei. Veel boeken zijn niets meer dan producten op een markt, hebben met literatuur niets te maken, ‘het zijn usurpators’.

Wat bedoelt Cixous met de diskwalificatie van gemoedstoestanden? ‘Wie naar extremen gaat, ervaart wisselende gevoelens. Je voelt je een paar momenten zus en een paar minuten later weer zo. Wat de literatuur ons brengt – en dat zie je bijvoorbeeld bij Shakespeare – is een toneel waar de passies die we niet kennen, maar waar we vol van zijn, ontploffen. Macbeth, dat we onlangs speelden met Théâtre du Soleil, gaat over een onbegrijpelijk noodlot. Niemand begrijpt waarom hij een monster wordt. Iedere tien minuten verandert hij van mening, doet hij weer wat anders. Dat zie je in literatuur. En dat gebeurt onszelf ook. Wat maakt dat we tegen ons verlangen ingaan? Waarom verkeren we voortdurend in ons tegendeel? In literatuur worden verschijnselen als zenuwziekte en psychose in geraffineerde vorm uitgewerkt. Het is het terrein van de psychoanalyse, maar de literatuur houdt ons ook een spiegel voor.’

Medium hh 40282753

In Homère est morte… schrijft Cixous dat ze ‘het laatste lichaam’ van haar moeder moest beschrijven. ‘Ik kan het niet. Hij verdedigt zich. Hij vlucht. Hij verdwijnt. Koppig laat hij zich vervangen door een van die sterke lichamen, zelfs het lichaam dat ze had toen ze honderd was en dat veel sterker was dan het mijne.’ Zoals in haar hele oeuvre schrijft ze vanuit het lichaam en over het lichaam.

Bij een van onze ontmoetingen ontvangt Hélène Cixous me thuis, in Parijs. Haar woonkamer is groot en licht, met felle gele en oranje kleuren. Aan de muur hangt, ingelijst, een groot aantal foto’s van haar moeder. Ik vraag haar waarom ze over het lichaam van haar moeder moest schrijven, als het haar zo zwaar viel. ‘Het was zwaar maar tegelijkertijd ook mooi’, zegt ze. ‘Ik wilde het behouden. Ik heb altijd van haar lichaam gehouden, en nu gebeurden er vreselijke dingen mee. Ik wil het niet vergeten. Je verliest iemand van wie je houdt en dan komt er een soort straatveger van de ziel die alles wegrukt, wist, weghaalt. Daar ben ik erg beducht voor. De wond sluit zich, vormt een litteken. Dan verdwijnt de pijn, het verdriet. Ik heb een monument willen scheppen voor het nu van de pijn. Kijk naar die foto’s, mijn moeder ziet er gelukkig uit. Maar ik wil de momenten van verdriet niet vergeten, ze maken deel uit van wat we samen hebben doorgemaakt.’

‘Vrouwenhaat en antisemitisme zijn pesten die maar doorgaan en steeds weer verschillende maskers krijgen’

In haar boek The Portable Cixous noemt Marta Segarra haar ‘zonder twijfel een van de meest invloedrijke theoretici en vernieuwende schrijvers in de hedendaagse literatuur’. Ze verwijst naar het enorme aantal referenties aan haar werk in academische studies en de vele jaarlijkse symposia die aan haar thema’s worden gewijd. Haar werk, meer dan 75 boeken en honderden artikelen, is in veel talen vertaald, waaronder het Engels, Spaans, Duits, Italiaans en Japans. Vaak gaat het om haar vroegere theoretische teksten, die van invloed waren op de feministische theorie en genderstudies.

Haar levenslange vriend Jacques Derrida vatte hun beider positie samen in een interview met Magazine Littéraire in 2004. ‘De teksten van Hélène Cixous’, zei hij, ‘zijn in de hele wereld vertaald, maar ze blijven onvertaalbaar. We zijn twee Franse schrijvers die een vreemde relatie, of een vreemd vertrouwde relatie of een vertrouwd vreemde relatie (unheimlich, uncanny) hebben tot de Franse taal – we worden vaker vertaald dan veel Franse auteurs en we zijn tegelijkertijd onvertaalbaarder.’ Het geeft de paradox van het werk van Cixous uitstekend weer en verklaart waarschijnlijk ook waarom geen van haar titels in het Nederlands verkrijgbaar is: voor vertaling van haar vernieuwende en volstrekt ongebruikelijke taalgebruik moet ook in de doeltaal een heel nieuwe taal uitgevonden worden.

De tekst die waarschijnlijk het meest wordt geciteerd is Le rire de la Méduse (1975), waarin Cixous het concept van de ‘écriture féminine’ lanceert. Sindsdien heeft ze dat pad meer en meer verlaten, haar teksten werden een mix van autobiografie, literatuur, poëzie, psychoanalyse en kunst, ze gaan vaak vergezeld van foto’s van Adel Abdessemed of tekeningen van Pierre Alechinsky. Ze verlegde haar aandacht naar haar jeugd in Algerije, het leven van haar vader (OR: Les lettres de mon père, 1997), van haar moeder (Osnabrück, 1999), schrijft meer over wat het voor haar betekent joods te zijn, over dromen en talen, over moedertaal en moederland, over het begrip ‘belonging’, over cultureel erfgoed. Haar taalgebruik is zo specifiek dat je het blind zou herkennen, het is beeldend, zit vol spel, van de ene taal naar de andere, een explosie van taal en klank, beeld en ambiguïteit, dialoog en reflectie. De filosoof Frédéric-Yves Jeannet doopte Cixous’ ongeëvenaarde taal het ‘Cixaldien’.

Le rire de la Méduse publiceerde ze als artikel in het tijdschrift L’Arc, dat gewijd was aan Simone de Beauvoir. In die tijd pendelde ze tussen Frankrijk en de VS, waar een fel feminisme opkwam. In haar stuk trekt Cixous ten strijde tegen de wijdverbreide vooroordelen over de vrouw. Ze roept vrouwen op te gaan schrijven; ze moeten zelf gaan schrijven én ze moeten andere vrouwen aanzetten tot schrijven. Vooral richt ze zich tot vrouwen die zich wel wíllen uiten, maar het niet durven, omdat ze denken dat het te hoog gegrepen is. Schrijven is, in die tijd, voor de groten, dat wil zeggen ‘voor de grote mannen’. Cixous constateert dat er tot dan toe nog maar heel weinig vrouwen de pen hebben opgepakt, terwijl juist in schrijven de mogelijkheid tot verandering ligt, ‘als een springplank voor subversieve gedachten, de aankondiging van een transformatie van sociale en culturele structuren’.

Schrijf, zegt Cixous, laat je lichaam spreken, neem het woord en zorg ervoor dat je als vrouw een plaats krijgt in de geschiedenis. Kom uit de van oudsher voor vrouwen gereserveerde plek, kom uit de harem, de marge, doorbreek de stilte. Hoe die ‘écriture féminine’ eruit zal zien, zegt ze, valt niet te definiëren. Ze is niet vatbaar voor theorie, voor codes, ze kan niet worden opgesloten, vastgepind, in woorden gevat. Maar ze zal in ieder geval anders zijn dan het ‘normale’ discours van ‘le système phallocentrique’, het domein van de man.

Overigens is de ‘écriture féminine’ volgens Cixous niet voorbehouden aan vrouwen. Ook in mannen zit een vrouwelijke én een mannelijke kant. Het zal de fictie veranderen, lezers en schrijvers zullen kennismaken met een ander soort taal, een ander soort literatuur, die korte metten maakt met hokjes, etiketten, klassen en codes. De vrouw, schrijft Cixous, heeft altijd gefunctioneerd binnen ‘le discours de l’homme’, het is tijd dat ze die positie laat ontploffen. De vrouw moet de taal op haar eigen manier laten ‘voler’, wat twee betekenissen heeft: ‘vliegen’ en ‘stelen’. In het verlengde daarvan moet de vader-moederrelatie herzien worden, stelt Cixous, ‘wil je een kind of niet, dat is jouw zaak’. Als het gaat om de vrouw-manrelatie, moeten de oude verhoudingen verbeurd verklaard worden, er is behoefte aan een nieuwe constellatie van het begrip familie.

Het zijn nog steeds hot items, ook bijna 45 jaar later. Over haar beroemde essay wil Cixous niet meer spreken. ‘Alles wat ik erover te zeggen heb, heb ik al gezegd.’ Ze weet dat het nog steeds wereldwijd wordt gelezen, het ergert haar dat ze steeds maar weer wordt gereduceerd tot dat ene essay, terwijl ze zelf al zo veel verder is.

In een paar West-Europese landen is het feminisme opnieuw ‘cool’. Ze zucht bij het horen van het begrip feminisme, ‘die term verandert zo vaak van inhoud en van toepassing. Er is maar één algemeen geldende uitleg voor en dat is het recht voor de gelijke behandeling van de vrouw. Daar is iedereen het over eens, daarna wordt het ingewikkeld.’ De term ‘cool feminisme’ komt uit de VS, vertelt ze, er zit zo’n marketingmachine achter die concepten verzint en er geld aan verdient. ‘Zo’n begrip heeft een duur van vijf tot tien jaar, daarna verzinnen ze weer wat nieuws. Nouveau feminisme. Nouveau nouveau feminisme. Post-feminisme.’ Cixous heeft er geen moeite mee, zolang je je maar realiseert dat het producten zijn. Handelswaar.

Dan wil ze toch nog wel wat kwijt over Le rire de la Méduse: ‘Toen ik het essay schreef, had ik geen ander verlangen dan in het historische moment te zijn, heel specifiek, midden in de jaren zeventig, in Frankrijk. Het was een antwoord op wat er toen gebeurde. Ik wilde vooral afstand nemen van Simone de Beauvoir. Dat wil ik trouwens nog steeds. Natuurlijk wist ik dat de vrouwenbeweging van toen noodzakelijk en urgent was. Maar de misogynie, die al eeuwenlang gangbaar was, gingen we er niet mee oplossen. En zo is het gegaan. We hebben de vrouwenhaat niet uitgeroeid, net zo min als het antisemitisme. Het zijn pesten die maar doorgaan en steeds weer verschillende maskers krijgen.’

Inmiddels is er veel veranderd. Vrouwen zijn gaan schrijven, zijn aanwezig in het publieke discours en bekleden meer zichtbare posten in de samenleving. ‘Zeker’, zegt Cixous. ‘Toen ik begon te schrijven waren er in Frankrijk maar een paar andere vrouwen die dat ook deden. Marguerite Duras, Nathalie Sarraute. Nu zijn er veel vrouwen die schrijven. Dat wil overigens niet zeggen dat de vrouw of de literatuur daar beter van is geworden. Het is heel goed dat de vrouwelijke creativiteit naar buiten is gekomen, maar het heeft het lot van vrouwen niet fundamenteel veranderd. Natuurlijk is er nu een groter arsenaal van teksten, van ervaringen waar we uit kunnen putten. Maar als het gaat om de positie van de vrouw, wereldwijd en in Frankrijk, zien we regressie.’

‘Alles wat, zoals Freud zei, betrekking heeft op het liefdesleven of het seksuele leven is beangstigend achteruit aan het gaan. Denk aan de opkomst van extreem-rechts, aan de terugkeer van de religie. Vorig jaar waren er in Frankrijk die grote demonstraties tegen het “mariage pour tous”, het homohuwelijk. Er zal opnieuw gestreden moeten worden. Ik zal niet meer meemaken dat die strijd definitief achter de rug is. In de VS, waar het beste én het slechtste naast elkaar bestaan, is er soms een beetje speelruimte. Ik ben noch optimistisch noch pessimistisch. De strijd tegen het kwaad is noch gewonnen noch verloren, je moet steeds weer opnieuw beginnen.’


Beeld: (1) Hélène Cixous (Fred Dufour / AFP / ANP); (2) 1969 (Rene Saint Paul / Rue Des Archives SAS / HH)