Henk Westbroek stapt op

‘Ik heb een stronthekel aan de politiek’

Henk Westbroek zegt met plechtige stem dat hij bij deze zijn politieke testament tekent. Omringd door Engelse literatuur, kunst werken, cd’s en verzamelingen van inktpotten en negentiende-eeuwse erotische prenten belooft hij vanuit een leren stoel in zijn Utrechtse woning met de hand op het hart zich nooit meer in het openbaar te uiten over de landelijke politiek. Het is een besluit dat direct samenhangt met een voor hem veel zwaardere beslissing om als raadslid van Leefbaar Utrecht – de partij die de weg heeft ontsloten voor het fortuynisme – de gemeentepolitiek te verlaten. ‘Ik gun mezelf nog drie weken bedenktijd’, zegt hij er haastig bij. ‘Maar de wijze waarop ik nu zou moeten werken, past niet bij mij.’ Hierna zal het scheldkanon met, zoals hij zelf zegt, ‘soms een heel kort lontje’ zijn werk hervatten als disc jockey bij de Vara. ‘Eigenlijk heb ik een stront hekel aan de politiek, maar ik heb altijd gemeend dat ik niet anders kon.’

Zijn missie om de bijl te zetten in de gevestigde politiek is geëindigd in een nationaal drama. Net als Pim Fortuyn, met wie hij overigens een afstandelijke relatie had, is Henk Westbroek iemand die hardop zegt wat hij denkt. Ook hij roept met zijn harde stijl van debatteren veel weerstand op. Maar voor Westbroek is de lol eraf. ‘Mij werd na de moord op Fortuyn van alle kanten aangeraden me te laten flankeren door lijfwachten. Tot aan de voordeur van mijn slaapkamer toe – nee zeg, dank je wel. Ik heb een dochter van twaalf die, toen we het nieuws over Fortuyn hoorden, echt doodsbang werd. Ook dáár denk ik aan. En ik wil op een braderie door mensen spontaan aangesproken kunnen worden, zoals ik gewend ben. Als je werkelijk wilt weten wat er leeft onder de mensen, dan moet je je niet in een kamertje opsluiten of gedwongen zijn je te verschuilen achter bodyguards. Dat is politieke zelfmoord.’

Opstappen ziet hij beslist niet als weglopen voor zijn verantwoordelijkheid tegenover de kiezers. ‘Ik ben toch omhooggekomen in een totaal ander politiek klimaat. Wat er nu is gebeurd, vind ik vreselijk, walgelijk, schokkend. Schelden en bedreigingen over en weer, ik mag op mijn knieën bidden dat dit proces niet verder escaleert. Als er geen drastische bestuurlijke en democratische verandering komt bij de oude partijen blijft het ongenoegen broeien en is er niet veel nodig om de zaak weer te laten ontploffen. Mijn partij heeft de verkiezingen dik verloren; wij hebben immers de Messias er uitgegooid. Toch hebben we een beetje gewonnen. De politiek beweegt en leeft.’

Uitgerekend op dezelfde dag als de landelijke verkiezingen mocht de bevolking van Utrecht zich op initiatief van Leefbaar Utrecht per referendum uitspreken over de herinrichting van het centrum rondom het station-winkelcentrum Hoog Catharijne. Daarmee is de cirkel rond, want de bron van de revolutie – van een polderende consensuscultuur naar een recht-voor-z’n-raap-stijl – ligt in de stad waar Westbroek samen met zijn kameraad Broos Schnetz in 1997 besloot een protestpartij op te richten ‘tegen de gevestigde bestuurders’ die al vijftien jaar in de rondte vergaderden om een oplossing te vinden voor het vermaledijde betonblok ‘Hoog Chagerijne’. Het groeiende ongenoegen kreeg een stevige vuist in Leefbaar Utrecht, dat in 2000 met overweldigend succes de gemeenteraadsverkiezingen won. De vele lokale klonen die door heel Nederland volgden, resulteerden onvermijdelijk in de oprichting van een landelijke partij.

‘Het is heel interessant om te zien hoe de oude partijen – en vooral ook de pers – omgingen met de nieuwe indringers. Toen ik begon, zei men: dat succes komt door die popi Jopie Westbroek. Even later zei ik: waar is dan die popi Jopie in Eindhoven, Almere, Hilversum? De leefbaarheid-partijen werden groot, samen haalden de lokalen landelijk zo’n 35 procent van de stemmen op. Dan heb je nog maar één ding nodig: een wat charismatische figuur. Dat werd Fortuyn. Toen hij succes had in Rotterdam werd er gezegd: ach, de aanhang bestaat uit laagopgeleide, wat domme mensen – gedefinieerd als semi-fascistoïde. Terwijl die mensen vroeger, toen ze nog op de PvdA stemden, hardwerkende, eerlijke mensen werden genoemd. Je zou je toch de ogen uit je kop schamen als je dit soort retoriek bedrijft.’

Westbroek komt op het hete hangijzer: het verwijt dat vanuit links is gepoogd Fortuyn te demoniseren, wat individuen medeverantwoordelijk zou maken voor de moord. Dit is inmiddels geformuleerd door de advocaten Hammerstein en Spong in een aanklacht tegen een aantal exponenten van deze ‘hetze’.

‘Ik stel links zeker niet exclusief verantwoordelijk. Het is net zo goed in de zogenaamde rechtse hoek gebeurd, de hagel kwam van alle kanten. Niemand heeft natuurlijk gewild dat die ene man de trekker zou overhalen. Maar wel vind ik dat er een klimaat is geschapen waarin zoiets kan gebeuren. Iedereen is een klein beetje verantwoordelijk. Ook Kok zweeg als het ging om de onveiligheidsgevoelens van Fortuyn.’

De woordenstroom van Westbroek, die uiteindelijk het beginpunt markeert van de taal verharding in de politiek, is onstuitbaar: ‘Die stemmingmakerij heb ik als eerste over me heen gekregen. Toen ik begon in Utrecht was ik eerst die domme discjockey. Daarna een simpele kroegbaas. Vervolgens werd gesteld dat ik eigenlijk overbodig was, want de oude partijen zeiden: wat u wilt, willen wij allang. En toen het succes groeide, heette ik een gevaarlijke populist te zijn. Toen dat niet lukte, werd uitgerukt met zwaarder geschut: je bent een fascist. Dat heb ik honderden keren te horen gekregen. Zo’n aantijging beoogt – bedoeld of onbedoeld – dat je politiek uitgeschakeld wordt. Met iemand die je een fascist noemt, of je ermee vergelijkt, debatteer je als fatsoenlijk mens niet; het maakt de weg vrij om in verzet te komen tegen zo’n engerd. In de strijd tegen het kwaad is alles geoorloofd, ook een buitenparlementaire stap.

Maar politiek is geen kindercrèche. Ik houd van het Engelse debatmodel van van-dik-hout-zaagt-men-planken. Noem elkaar een zak of wat dan ook, maar bij schelden ligt er een heilige grens bij het woord “fascist”. Dat refereert aan gruwelijke dingen. Toen het mezelf allemaal overkwam, deed ik er niks tegen. Ik ben wel wat gewend aan bedreigingen. Ik ben vele malen met de dood bedreigd, op straat is er naar me gespuugd. Nu pas besef ik de ernst ervan.’

De totale gekte die uitbrak na de moord op Fortuyn is volgens Westbroek niet zomaar uit de samenleving te slaan. Er zijn, vindt hij, minstens drie condities nodig om de kracht van het grote ongenoegen in de samenleving te kunnen de-escaleren. ‘Eén: onder het uiteindelijke onderzoeksrapport naar de veiligheid rondom Fortuyn moet ook de LPF zijn handtekening kunnen zetten. Het mag geen niks-aan-de-hand Srebrenica-rapport à la Van Kemenade worden. Dat is fataal. Twee: ondanks het grote succes bij de verkiezingen van de LPF is er een radicale democratisering van het politieke bestel nodig. Bij een eventuele centrum-rechtse coalitie zullen ze het eens moeten worden over twee dingen: de deprivatisering en de bestuurlijke vernieuwing. Dat betekent ook dat de huidige politici diep in hun eigen vlees moeten durven snijden. Een deel van de zittende politici zal moeten opstappen om onverdachte nieuwelingen in de gelederen toe te laten. En ze mogen niet automatisch een bestuurlijk baantje krijgen. Die zelfopoffering is nodig. En verder pleit ik voor een soort officieel Mea Culpa, vergelijkbaar met de kwestie-Srebrenica. Politici hebben geen schuld, maar ze hebben de consequenties van hun uitlatingen niet overzien. Ze moeten morele verantwoordelijkheid nemen voor uitlatingen waarvan ze niet goed hebben ingeschat wat de gevolgen waren. Zou dat gebeuren, dan is een rechtszaak echt niet nodig en denk ik dat de broeiende onlustgevoelens wegebben.’