‘ik heb geen partner’

JA, EEN INTERVIEW - gut. O, reuzeleuk zou hij het vinden om samen in Le Garage te eten, bij Braakhekke. Maar echt, de laptop is gestolen en het oudejaarsprogramma móet af. En ja: woensdag, eens even kijken, dan eet hij er al! Toeval hoor, hij eet hooguit eens per half jaar in Le Garage.

Mag ik mee?
‘Nee.’
Dan maar naar zijn kantoor in een mooi Amsterdams grachtenpand. Een grote en lege ruimte met in de hoek een tafel vol computer- en videoapparatuur. De werkplek.
Zijn hele leven heeft hij 'overal’ gewerkt: in de opera, het theater, 'literaire dinges’. Paradiso begin jaren zeventig: hing hij meisjes op schommels boven het publiek en droegen ze de heilige mis voor. Daarna in Milaan en Londen: als kunstmanager en als assistent van Jan Cremer. Hij opende Chez Nelly, zijn eigen sterrencafé in de Bethaniëndwarsstraat. Weer later kwam Rur met Jan Lenferink. Zodoende kende hij mensen uit alle kringen toen hij eind jaren tachtig begon met Milieu, de rubriek met societyfoto’s die hij in de Haagse Post verzorgde.
'Van de schilders ken ik de belangrijkste. Van de schrijvers, de artiesten en inmiddels ook van de televisie en showbusiness. Dus toen ik voor Milieu op het Boekenbal kwam, liep ik op Harry Mulisch af en was het meteen gezellig.’
Het is leuk om met veel mensen kort te praten. Als een kameleon bewoog hij zich van cirkel naar cirkel. De bijschriften? Ja, die waren wel eens een tikje gemeen. Bij een foto van een dansende Elly de Waard op het Boekenbal stond: 'Elly de Waard had weer veel plezier met de meisjes op de dansvloer. Als een fret ging ze door het kippenhok.’ Jeroen Henneman noemde hij een 'wandelende erectie’.
'Tja, die Elly de Waard, zo'n beeld krijg je dan ineens. En Henneman wás een ontzettende vrouwenjager. Hij kwam met moeite door de Bethaniëndwarsstraat heen.’
Leuke mensen dus.
'Henneman is een hartstikke leuke man. Ik hou niet zo van saaie mensen. Ik wil graag nog iets… speciaals. Aardig zijn is niet genoeg.’
EIGENLIJK WAS het nogal chic om in Milieu te worden afgezeken. Bekende Nederlanders, dat kwam op in die jaren, de jaren des overvloeds. Nederland wilde rijk en beroemd zijn. Alles laten zien.
Toen kwam Glamourland: Milieu op televisie. De kijkcijfers zijn nog immer hoog, want Glamourland heeft twee publieken, legt hij uit.
'Mensen die van de roddelbladen houden vinden Glamourland leuk om de glamour. Mooie plaatjes van bekende mensen, helemaal hun droom. De groep die dergelijke bladen haat, luistert naar het commentaar en vindt Glamourland daarom leuk.’
De laatste tijd, nu elke televisiezender hem heeft nagevolgd, ziet hij wel eens iemand wegduiken voor de camera. Maar problematischer zijn de mensen die juist niet wegduiken.
'Mensen die leuk gaan doen, heel vervelend. Mensen zijn niet zo leuk. Zetten ze een stemmetje op: “Gaat het weer een beetje, meneer Dröge?” Niet uitzenden.’
Geld heeft hij nooit aangenomen. Cadeautjes na afloop wel. Een fles parfum. Een keer een fles wijn.
Maar Jan des Bouvrie stuurt geen nieuwe driezitter op?
'O nee, nee. Ik krijg wel korting, maar evenveel als iedere andere bekende Nederlander.’
Heb je mensen beroemd gemaakt?
'Ik heb volgens mij erg veel gedaan voor de bekendheid van Harry Mens. Ik was ongeveer de eerste die hem signaleerde en bij mij heeft hij ontzettend de smaak te pakken gekregen. Je ziet hem nu overal.
Niet bekend
En toch, te veel publiciteit is ook weer niet goed. Want alleen een heel goede, mooie, ronde en warme persoonlijkheid als Hennie Huisman slaagt erin om populariteit vast te houden. Het allerbeste is daarom: geen interviews geven en geheimzinnig zijn. Zo blijven de mensen het langst nieuwsgierig naar je. Zodra iedereen weet welke kleur de wc-bril van de koningin heeft, raakt haar imago beschadigd.
NA EEN SEIZOEN Glamourland was Dröge zelf beroemd. De voordelen? Herkend worden, meer egards ontvangen in het restaurant, vrijkaartjes. Bovendien krijgt hij enorm veel kerst- en nieuwjaarswensen toegestuurd.
'Het is ook ontzettend leuk om herkend te worden als je op een rode loper loopt met tien filmploegen erbij en je ziet er mooi uit. Dat is heel leuk.’
Waarom?
'Nou, omdat het erbij hoort. Dat is een soort glamour. Maar als ik met zes plastic tassen door de Leidsestraat loop of bij Albert Heijn zwaar zwetend door vrouwen op mijn rug word getikt, vind ik dat niet leuk.’
Maar waarom vind jij het leuk op die loper?
'Dat is het ultieme plaatje van bekend-zijn: in smoking op de rode loper.’
Waarom is dat zo leuk?
'Omdat het de ijdelheid streelt. Het is een teken dat het goed met je gaat. Je bent succesvol, je doet je werk goed.’
Heb je zelf ook last van de roddelpers?
'Ik? Neu. Ik ben niet interessant voor die bladen en programma’s.’
Waarom niet?
'Ze zitten achter nieuwe liefdes aan. Een liefdesbaby, een droomhuwelijk of een scheiding. Dat soort dingen heb ik helemaal niet.’
Jij bent heel spannend
'Ik heb een saai leven, ik heb geen partner.’
Heel geheimzinnig dus.
'Niet voor die bladen. Ze kunnen hier wel op de brug gaan liggen, maar ze zien niks. Ja, ik die mijn poes uitlaat.’
WAT DE BLADEN schrijven, heeft altijd met 'emotie-dingen’ te maken. Een paar jaar geleden, na een televisiegala, vertelde hij ze een waar verhaal.
'Ik had enorme buikpijn voor aanvang. Van zenuwachtigheid had ik wel een hele cake opgegeten. Ik was vreselijk verstopt. En ja, ik móest die show doen. Dus ik dacht, ik kan ook geen pillen nemen waardoor ik naar de wc moet, want stel je voor dat ik dan tijdens het televisiegala ineens afmoet! Ik vertelde het aan een van de bladen, en ja hoor… eindelijk had ik zo'n pagina: “Presentator krimpt ineen van pijn”, “Show bijna niet doorgegaan”, “Huilende presentator!” Echt, alle kreten precies zoals het hoort. Daar was ik heel trots op.’
Je hart uitstorten, vertellen over je problemen, over de echtscheiding van je ouders, de dood van de kat. Het helpt allemaal bij het beroemd worden.
'Dat is tegenwoordig wat met die ontboezemingsmolen. Iedereen moet maar alles vertellen en wijt zijn ongeluk ergens aan. Elke ongelukkige is ooit wel eens verkracht. Het interesseert me niets. Iedereen heeft wel wat in zijn jeugd.’
Zelf wordt hij deze maand ook weer flink ondervraagd. Over Jan des Bouvrie. Of mensen niet boos worden om zijn programma. En wat of hij het mooiste boek van het oude jaar vond. En wat de mooiste film.
’“O, niet de Titanic?” zeggen ze dan. Ik geef heel korte antwoorden hoor.’
Je verhuurt jezelf dus ook.
'Nee, ik wil dat mensen naar mijn oudejaarsshow kijken. En Glamourland begint weer in januari. Het eerste jaar heb ik helemaal geen interviews gedaan. Tot de laatste show. Toen zat ik bij Sonja en ik zei op het eind: jullie hoeven niet naar Paul Witteman te kijken, jullie moeten gewoon zappen naar Nederland 1, dat is veel leuker. Er keken een miljoen mensen méér. Een miljoen mensen had overgeschakeld! Witteman was razend. Toen dacht ik: vaker interviews geven.’
Vaak - het lijkt wel om de aandacht af te leiden - vertel je over andere dingen. Over Ludwig.
'Ludwig! Ja, daar kom ik graag op. Maar ik ben niet zo gehaaid hoor, als je dat bedoelt.
Ludwig staat trouwens daar op tafel - mocht je toch iets over hem willen weten…’
Nee.
'Há.’

'Wil je nog wat drinken?’
Hij haalt drinken. De bel gaat. Een nieuwe verslaggever komt binnen. Volgende! Ja, gut en tja. De televisiegidsen, de GPD-bladen - hij móet zijn oudejaarsprogramma promoten. Nou, zaterdag dan nog maar eens. Maar daar komt ook de fotograaf. Net nu hij zo'n dik oog heeft!
’S ZATERDAGS betreden we zijn woonvertrekken, een tijdloos boudoir met hoogpolig blauw tapijt. Alles is mooi. Hoogtepunt is de Moors geïnspireerde badkamer met - pal naast de wasbak - een urinoir.
Eenmaal aan de koffie schiet Dröge in de lach bij het horen van de woorden 'bronsgroen eikehout’.
'Ja, dat klopt!’ Hij zingt voor: 'In een bronsgroen eikehout, nachtegaaltje zingt. Tralala lala lala, la lala lala.’ Zo begint het volkslied van Limburg. Het is gecomponeerd door zijn grootvader en daar zijn ze in de familie héél trots op. Hij vertelt. Eigenaardige familie verder, van grootvaders kant. Diens broers zwierven uit over Europa. Een werd beroemd operazanger in Duitsland. Hij is nog vermoord ook. Doodgestoken op straat door een vrouw. Uit jaloezie, een echte crime passionel. Een ander was een beetje gek en stond op het Gare du Nord in Parijs. Weer een ander verdiende in Portugal een fortuin met wijn. Zijn vader komt uit Groningen, zijn moeder uit Limburg. Ze vestigden zich in Enschede alwaar vader tandarts werd. Proestend vertelt hij over het familiewapen: 'Mijn vader dacht in de oorlog: Goh, leuk om eens te kijken hoe de familiestamboom eruitziet. Dat bleek heel interessant: die gaat terug tot 1500. Kom, dacht hij, ook eens uitzoeken of we een familiewapen hebben. Dan kon hij er een schildje van slaan. Hij kreeg de uitslag - het was midden in de oorlog - en… kwam er een heel groot hakenkruis in ons familiewapen voor! Zo'n heel oud Germaans runeteken. Nou, daar hebben we maar geen schildje van gemaakt.’
WE PRATEN WEER over roem in Nederland. Het is allemaal zo… zo… middle of the road. Je mag niet met de kop boven het maaiveld. Je bent pas beroemd als je je normaal blijft gedragen. Is er eens een gala en mag je alles laten hangen, dan is er weer de overdaad, té veel willen showen.
Het heeft iets onbeholpens.
'Burgerlijk wordt het! De smaak van de grote massa is de smaak van Joop van den Ende.’
En het Boekenbal?
'Ook daar lopen mensen met rode smokingdasjes rond.’
Die grote knollen van gouden horloges zijn de laatste tijd weer een beetje passé. De nieuwe rijken en bekenden proberen chic te doen, ze gaan naar een couturier ('Niet dat dat helpt’) en op cursus beschaafd Nederlands spreken.
'Maar ja, ze vallen uiteindelijk toch altijd door de mand. Altijd. Dan zeggen ze weer normalíter.’
Ze spreken de taal van de commerciële zenders. Hij kan het niet aanhoren. De oorzaak zoekt hij in Amerikaanse en Engelse series en films. Daardoor zijn we de accenten gaan verleggen.
'Vroeger hadden we het over émielie. Nu is het opeens èmullie, een beetje zoals in het Engels. En het is niet meer marcèl, het is: màrcel.’
In de doorgedemocratiseerde wereld mag iedereen op televisie.
'Wat dat betreft is de democratie misschien een beetje doorgeschoten. Iedereen mag nu op televisie. Tot het laagste van het laagste aan toe. Om hoge kijkcijfers te halen moet je je richten op de grootste gemene deler. En dat is “het volk”. Nou, wij hebben al geen goede smaak, laat staan dat “het volk” een goede smaak heeft.
Het stoort mij ook als van die onbenullige meisjes mij bij Veronica toespreken met je en jij. Vast heel ouderwets, maar het stoort me echt. Vooral die platte, die echte Veronica en RTL-stemmen. Daar straalt zo'n burgerlijkheid van uit. Mij doet het wegzappen.’
Alles moet middle of the road. Zeker op de televisie. Ook humor moet vooral gezellig zijn.
'Er wordt te veel leuk gedaan op televisie. Mensen die leuk en jeugdig doen, dat is zo vreselijk om te zien. Je bent leuk of je bent het niet, leuk doen is nooit leuk.’
Nederlanders leggen een grap ook altijd tegelijk uit. En ze vertellen hem immer tweemaal. Engelse grappen zijn veel spitser en intelligenter. Of ze zijn heel plat, met poep en pis. Maar altijd zijn ze grappiger dan de Nederlandse.
'Hier zie je én weinig briljante dingen én je ziet weinig poep en pis. Want in Nederland moet het altijd gezellig zijn en dus wordt het middle of the road.’
HOE ZIT HET eigenlijk met bekend Nederland, the next generation? Moeilijk. Zoveel kliekjes, kleine kringetjes. Er is een overdaad aan bekende mensen gekomen. Iedereen wil maar beroemd worden.
'Harry Mens is beroemd. Waarom? Hij wil graag beroemd zijn. Beroemd worden om beroemd te worden, dat is deze tijd. Niet omdat je heel mooi bent of heel mooi kunt fluiten.’
Meer mensen zijn kortere tijd beroemd. En vaak op jongere leeftijd. Ze worden beroemd als ze meteen alles vertellen, ze raken daarmee tegelijk hun geheimzinnigheid kwijt en ze worden snel weer opgevolgd.
Gut, en hoe laat is het nou al weer? Tja.
'Vroeger ging ik altijd om een uur of vijf naar een bepaald café met een leuke borreltijd. Ik zou niet weten waar nu nog een leuke borreltijd is. De Kring? Ook vervlakt, ook middle of the road geworden; de kliek is uit elkaar gevallen.
De herenclub? Nee, voor de herenclub ben ik niet gevraagd. Maar ik ken ze wel bijna allemaal heel goed. Ik pas nergens bij.
Maar goed, de tijden veranderen.’