Opheffer

Ik heb geen vaderlandsliefde

Mijn ouders kwamen gestoord uit de oorlog — en besloten daar niets over te zeggen. Niet tegen elkaar, en niet tegen de kinderen. Oorlog was taboe. Maar zwijgen over de oorlog hielden ze niet vol. Ze droomden erover, en raakten daarvan overstuur zodat ze liever niet droomden en wakker bleven, met alle gevolgen van dien.

Ze vertelden elkaar elkaars verhalen. En ze vertelden ook aan ons elkaars verhalen.

Waarom elkaars verhalen? Om dat ze hun eigen verhaal niet konden vertellen, daarvoor hadden hun eigen woorden te weinig gewicht. Hun eigen woorden dekten nooit wat ze werkelijk hadden meegemaakt. Bestaat er een absurdere dialoog uit mijn jeugd dan:

«Ik heb mijn eigen graf moeten graven.»

«Nee ik! Ik heb mijn eigen graf van de Jappen moeten graven!»

«Nee, ik, ik heb dat moeten doen. Bij jullie waren ze al gegraven, dat heb je zelf verteld!»

«Niet waar… bij jullie… Ik weet het zeker… dat je dat verteld hebt… Ik heb in ieder geval mijn eigen graf moeten graven…»

En dat ging zo door.

Hoewel mijn ouders wandelende oorlogsmonumenten waren voor wie ik mij heb geschaamd omdat ik ze gek vond doen, waren ze altijd voor hard ingrijpen. Alles wat ze hadden meegemaakt — drie en vijf jaar krijgsgevangenschap, martelingen et cetera — kwam neer op het volgende: ze voelden zich in de steek gelaten. Door wie? Door iedereen. Door Nederland, door de Indonesiërs, door de Amerikanen, door elkaar. De grote frustratie was dat ze al waren doodverklaard voordat ze daadwerkelijk dood waren. Bij stukjes en beetjes druppelde er nieuws in het kamp door, maar de teneur was altijd hetzelfde: zij daar in de vrije wereld beslissen en besturen, maar wij lijken niet te bestaan.

Mijn ouders waren dan ook altijd voor snel ingrijpen en je moest voortdurend laten weten dat je de gevangenen ging helpen.

Het vreemde is dat mijn ouders allesbehalve «vredelievend» waren. Wij lazen destijds Het Parool, juist omdat dat achter de Amerikanen stond in Vietnam. Tegelijkertijd waren mijn ouders links, zou je kunnen zeggen. Sociaal-democraten. En juist heel erg vredelievend. Mijn pacifisme hebben ze altijd verafschuwd en veroordeeld, en ik begrijp dat nu ook. Zij geloofden in vrede door de atoombom. De neutronenbom — laat gebouwen staan maar de mensen sterven — vond mijn vader een schitterend wapen, want zo zou het culturele erfgoed van een land behouden blijven. Ik denk dat mijn vader nu in Irak zou hebben aangedrongen op neutronenbommen, want dat Bagdad weer vernietigd zou worden, zou hem erg aan het hart gaan.

Bij ons thuis werd veel over oorlog gesproken, niet over De oorlog (die van mijn ouders) maar over oorlog in het algemeen. Mijn vader kwam uit een militair geslacht dus wist veel van tactiek en dergelijke. Hij kende Von Clausewitz’ Vom Kriege en hij kon je op een papiertje uitleggen hoe «Normandië» was verlopen. Tot de jaren zeventig waren woorden als eer, land, trots, vaderlandsliefde bij ons normale woorden die daarna redelijk vies werden. Met sommige heb ik nog moeite. Vaderlandsliefde… heb ik niet. Wel liefde voor Amsterdam. Maar als ik in Friesland zit, wat ik heerlijk vind, heb ik toch hetzelfde gevoel als wanneer ik in Frankrijk ben. Het is niet «mijn». Het Vondelpark is «mijn». Het Stedelijk Museum.

Ik mis mijn ouders bij dit soort grote gebeurtenissen als «Irak».

Ik probeer er met mijn dochter over te spreken, maar die weigert mijn standpunten aan te horen; ik kan haar geen ongelijk geven. Gis teren zei ik dat Saddam erger was dan Stalin — ze vond het flauwekul en ik kreeg het «Nou en?»-antwoord op alles wat ik zei. De woorden «onschuldige slachtoffers» liggen in haar mond bestorven.

Is de opvoeding van mijn ouders geslaagd? Is mijn opvoeding geslaagd?