Ik heb iets heel ergs

‘Dag mam, met mij… Ik weet dat je thuis bent, dus zet het antwoordapparaat uit en neem de telefoon op.’

‘Hier ben ik.’
'Waarom nam je de telefoon niet op?’
'Waarom zou ik.’
'Omdat ik je bel, mam.’
'Ja…’
'Je klinkt niet goed, wat is er?’
'Er is helemaal niets… Hang maar weer op.’
'Zeg nou verdomme wat er is, mam. Wat! Is! Er!’
'Het zal de ouderdom zijn.’
'Wat is er met die ouderdom.’
'Niks… Ik heb er geen zin meer in.’
'Wil je dood.’
'Als het mijn tijd is, is het mijn tijd.’
'Niet de vraag steeds omzeilen. Zeg wat er is.’
'Waarom bel je eigenlijk?’
'Mama, moet ik komen?’
'Je komt nooit.’
'Dat is het dus.’
'Jullie denken, dat mens is oud, dat redt zich wel. Nou, ik red me ook.’
'Ben je daarom depressief.’
'Ik heb niet gezegd dat ik depressief ben. Dat zeg jij.’
'Ben je daarom treurig.’
'Ik ben ook niet treurig, dat zeg jij.’
'Je zei: ik heb er geen zin meer in. Wat bedoel je daarmee. Waarin heb je geen zin.’
'Nou, gewoon, ik heb er geen zin meer in.’
'Omdat ik niet geweest ben, niks van me laat horen, je niet weet waar ik uithang, daarom heb jij er geen zin meer in.’
'Heb ik dat gezegd?’
'Nee, dat bedoel je.’
'Nou, jullie hebben geen zin meer in mij, dat is wel duidelijk.’
'Waaraan is dat duidelijk.’
'Ik zie jullie nooit.’
'En omdat je ons nooit ziet, heb jij er geen zin meer in.’
'Wat heb ik nog voor betekenis. Wat heeft mijn leven nog voor zin. De Moor heeft zijn plicht gedaan, de Moor kan gaan.’
'Okee. Ik zal het je maar zeggen. Ik heb met mijn broer overlegd. We hebben besloten dat je er maar een eind aan moet maken. Pleeg maar euthanasie. We hebben ook een datum geprikt. Wat dacht je van je verjaardag, volgende week.’
'Maak er maar grapjes over.’
'Nee, ik ben serieus.’
'Nee, je bent niet serieus, maar ik zit aan euthanasie te denken.’
'Wij ook, en ook aan moord. Ik denk daar nu heel sterk aan, mam.’
'Je zegt niet wat mijn leven voor zin heeft. Ik zie jullie nooit, ik vereenzaam, jullie laten niets van je horen. Ik ben overbodig, ik ben…’
'En dat terwijl ik je opbel om iets heel ergs te vertellen.’
'Wat dan?’
'Nee, het is heel erg. Maar jij hebt inderdaad aandacht nodig.’
'Wat moet je dan voor ergs vertellen.’
'Nee mam… het is erg, maar… ook weer niet… Het is… Ik wil je er niet mee belasten.’
'Zeg het.’
'Nee mam… Het spijt me dat ik niet kon komen. Maar ik had het druk… met iets… En…’
'Is het nu dan voorbij… dat iets… van je…’
'Nee, mam. Maar daar gaat het niet om. Het gaat nu om jou.’
'Nee, zeg… Zeg…’
'Nee, mam.’
'Is het echt erg? Als het iets is met M. of met je gezondheid moet je het zeggen.’
'Ach laat maar.’
'Is het iets met M.’
'Doet er niet toe, mam…’
'Maar is het erg.’
'Ja… dat wel.’
'Je gaat geen grapje maken, zoals de vorige keer. Toen zei je dat het erg was.’
'En toen was Jan Vrijman gestorven… Me dunkt.’
'Nou, dat interesseert me niks… Is het nu weer zoiets.’
'Nee, het is nu echt… Maar ik ga ophangen, ik moet aan het werk.’
'Nee, nee, wacht… Zeg nou.’
'Nee mam, ik moet weer aan het werk. Ik zal proberen volgende week te komen.’
Ik hang op.
En wacht.
De eerste minuut gebeurt er niets. Dan belt ze op - weet ik - en hangt op als ze mijn stem hoort. Maar ik neem niet op. Ik laat de telefoon gaan… Tot ze het niet meer houdt. En de hele tijd gaat bellen.
'Goed mam. Ik zal het vertellen. Mijn computer is stuk.’