‘ik heb met slauerhof geleefd’

Weer heeft biograaf Wim Hazeu een berg van formaat beklommen. Na zijn kloeke Achterberg-biografie ligt er nu een over Slauerhoff. Straks volgt Simon Vestdijk, en later mogelijk W. F. Hermans. Een gesprek met een bezetene.
‘IK WOU DAT Slauerhoff mijn vriend was’, schreef de negentienjarige Wim Hazeu op 9 februari 1960 in zijn exemplaar van Brieven van Slauerhoff, uitgegeven door Arthur Lehning. Een zeldzame hartekreet, zegt Hazeu, ‘ik schreef nooit in boeken’. Toen hij in 1988 klaar was met zijn levensbeschrijving van Gerrit Achterberg, stuitte Hazeu op deze vergeten notitie. Het was het startschot voor een jarenlang met Pruisische tucht volgehouden bestaan in de schaduw van Neerlands enige echte poete maudit.

‘Ik mag toch wel zeggen dat ik een tijdje met Slauerhoff heb geleefd’, zegt de biograaf, gezeten in het ruime werkvertrek in de tuin van zijn Baarnse woning. 'Hij was af en toe min of meer aanwezig, dan kon ik met hem praten, vragen wat hij er nu van vond. Zoiets kan alleen met discipline. Zo'n biografie kan je sowieso alleen maar schrijven als je totaal bezeten bent van iemand. Er zijn velen geroepen, doch slechts weinigen uitverkoren. Als ik niet elke dag om half negen ’s avonds met schrijven was begonnen, zou ik geen afspraak kunnen hebben met Slauerhoff, dan was hij niet zo voor me gaan leven.’
Het resultaat mag er zijn. Een monumentale, bijna achthonderd pagina’s tellende studie, die tal van van mysteries omtrent de leven en liefdes van 'de Rimbaud van Leeuwarden’ ontrafelt, en er ook nog enkele aan toevoegt. Wie wist bijvoorbeeld dat Slauerhoff ernstig bedrukt was over een eventuele affaire tussen zijn echtgenote, de bevallige danseres Darja Collin, en de prins van Wales, dezelfde die een tijdje later legendarisch en troonloos zou worden door zijn huwelijk met de Amerikaanse mevrouw Simpson? Hazeu vond in de nalatenschap van de dichter-scheepsarts een enveloppe met twee naaktfoto’s van zijn Darja en een portret van de Britse troonpretendent, met daarbij een geschreven verzuchting van de dichter, die eigenlijk geen andere conclusie toelaat dat er inderdaad sprake was van een monarchale vrijage van zijn geliefde en gehate gade.
Zulke kardinale vondsten heeft Hazeu nog wel meer gedaan, mede dank zij het onvoorwaardelijke vertrouwen dat hij genoot van de familie van Slauerhoff. Strak en feitelijk reconstrueerde Hazeu de turbulente levensloop, zonder zich te wagen aan psychoanalytische speculaties. Het credo dat Slauerhoff bij leven voor biografen uitvaardigde ('Elke biografie moet een mengsel zijn van waarheid en verdichting, het kan niet anders. Wie zuivere historie eist geeft blijk het wezen der historie niet te kennen; de absolute historie bestaat niet, ook niet bij volledige feitenkennis’) lapte Hazeu aan zijn laars. Zijn biografie is een feitenmonster, hetgeen juist bij een zo van mythomanie doordrenkt leven als dat van Slauerhoff onweerstaanbaar de fantasie prikkelt. In die zin is Hazeus boek wellicht eerder een impuls voor een nieuwe golf slauerhovologie dan het eindpunt ervan. Wat dat betreft hebben de 'spookbiografen’ van Slauerhoff, over wier verrichtingen Hazeu bij het schrijven aan zijn kolossale werk telkens bij geruchte iets vernam, nog wel degelijk werk te doen. In zijn boek geeft Hazeu genoeg aanzetten tot verdere studies, zoals over Slauerhoffs passie voor astrologie en theosofie.
ZOALS HIJ DIRECT na het verschijnen van zijn Achterberg-biografie Slauerhoff ter hand nam, zo zet Hazeu - auteur van diverse romans en dichtbundels, ex-hoofd-programmamaker voor de NCRV, nu directeur van uitgeverij De Prom en De Fontein van het Bosch & Keuning-concern - nu al de eerste stappen op weg naar een biografie van Simon Vestdijk. Weduwe Mieke Vestdijk, een onneembaar bastion voor andere Vestijkvorsers, zoals Hans Visser, heeft haar zegen al aan de onderneming gegeven.
Hazeu: 'Mijn literaire belangstelling heeft de tijd na 1914 als zwaartepunt. Ik zou er niet aan moeten denken om biografieen te schrijven van zestiende-eeuwse schilders, zoals mijn vrouw doet. In de Nederlandse literatuur heb ik zes helden, van wie ik eigenlijk allemaal een biografie zou willen schrijven. Naast Achterberg, Slauerhoff en Vestdijk zijn dat Lodeizen, Nijhoff en Hermans. Met Achterberg heb ik de meeste affiniteit, in de zin dat we op elkaar lijken. Net als Achterberg kom ik uit een agrarisch milieu - een geslacht van boeren en tuinders - en ik herkende het schuldgevoel dat hij een tijd heeft gehad, in ieder geval tijdelijk ook het onvermogen dat hij kende om echt het leven met een vrouw te delen.
Met Slauerhoff lag dat anders. Hem had ik liever willen zijn, liever dan Achterberg in ieder geval. Mensen die zeggen dat ze Slauerhoff alleen maar iets voor de jeugd vinden, zijn ontstellend dom of lui, die kunnen gewoon niet lezen. Zo'n verhaal als “Larrios”, misschien wel het mooiste verhaal uit de Nederlandse literatuur, daar kun je toch op rijpe leeftijd ook nog de tranen van in je ogen krijgen, dat kan je bij wijze van spreken toch elke dag lezen? Ik ben erg gesteld op het indelen van mensen in goed en slecht, en zou willen zeggen dat je goede mensen kan herkennen aan hun liefde voor Slauerhoff.
Het valt natuurlijk niet te ontkennen dat mijn leven niet erg op dat van Slauerhoff lijkt. Mobiel ben ik nooit erg geweest. En ik heb ook nooit zo'n hekel aan Nederland gehad als hij, al ben ik er graag niet en had ik liever in Praag gewoond. Met Slauerhoff deel ik een apocalyptisch levensgevoel. Hij ontleende een soort duivels plezier aan ondergangsvisioenen, en ik persoonlijk ben in mijn romans ook niet de meest optimistische geest. Ik denk dat deze wereld zo tegen het jaar 2050 wel zijn langste tijd zal hebben gehad.
Net zoals Slauerhoff heb ik ook een ontstellende hekel aan het doen van concessies, hetgeen me vaak in conflict met autoriteiten heeft gebracht. Ik had bijvoorbeeld een prachtige baan bij de NCRV, maakte mooie culturele programma’s, maar toen mijn baas zei dat hij meer “minderheidsprogramma’s” wilde hebben - daar bedoelde hij dagsluitingen mee en meer van dat soort spul - nam ik van de ene op de andere dag ontslag. Hetzelfde zou ik nu ook doen als ik te horen kreeg dat het allemaal wel mooi was met het uitgeven van Appie Baantjer en Toon Hermans, maar dat het uit moest zijn met het uitgeven van dichtbundels.’
OF HAZEU AL ZIJN zes literaire helden een statige biografie zal meegeven is nog maar de vraag. In het geval van Martinus Nijhoff ('Op het eerste oog een saai leven, maar vol verborgen zaken’) zijn de tekenen weinig hoopgevend. Hazeu: 'Andre Oosthoek is daar al jaren mee mee bezig. Hij zit met zijn gat ook op de nalatenschap van Faam Nijhoff, de zoon van Martinus, dus dan wordt het al helemaal hopeloos. Ik ga ook geen Vestdijk-biografie schrijven als er ergens nog een stapel papieren ligt waar ik niet bij kan. Dan heeft het geen zin. In het geval van Slauerhoff kon ik ook niet overal bij. Zo weigerde Arthur Lehning zijn dagboek af te staan - dat is begrijpelijk genoeg voorbehouden aan zijn eigen biograaf. En het archief van F. C. Terborgh (de schrijver-diplomaat met wie Slauerhoff innig bevriend was - rz) is nog steeds verzegeld. Gelukkig was Terborgh in zijn eigen boekje over Slauerhoff al tamelijk openhartig.
Een biografie van Lodeizen zou ik ook dolgraag schrijven, al zie ik er wel tegenop om me zo te storten in de Anglosaksische literatuur, wat dan noodzakelijk zou zijn. En dan natuurlijk W. F. Hermans, al mag je je afvragen of dat wel kan, zo vroeg na zijn dood. Ik heb de laatste tijd nog erg veel gecorrespondeerd met Hermans. Ik maakte voor de NOS een tv-portret van hem, vandaar. Het wonderlijke is dat Hermans telkens maar op die biografie terugkwam. Hij wantrouwde me een beetje. Hij dacht natuurlijk: die Hazeu is al bezig geweest met Achterberg en Slauerhoff, nu zal hij wel aan mij willen beginnen. “Ik moet u weinig hoop geven”, zei hij tegen me. En op zich vond ik dat wel een mooie stijlfiguur om uit te spreken tegen je mogelijke biograaf. Hermans zei me dat hij niet zo gesteld was op het biografische genre, maar als je zijn werk dan eens nakijkt, zie je dat hij juist veel heeft geschreven op biografisch vlak, zeker over Franse auteurs.’
NADAT HIJ ZICH tijdens het schrijven van zijn Achterberg-biografie 'opgesloten voelde in een luciferdoosje’ - zo schrijft Hazeu in het voorwoord van zijn Slauerhoff-boek -, voelde hij zich bijna gedwongen om bij wijze van tegengif tegen zoveel claustrofobie het ruime sop van Slauerhoffs levensverhaal te kiezen. Toch zijn er wel overeenkomsten aan te wijzen tussen de twee grote dichters, vertelt Hazeu. 'Van beiden stond het leven in het teken van een geweldige tragiek, een soort hang naar zelfvernietiging. Achterberg zoop en rookte zich kapot, Slauerhoff bespoedigde zijn eigen einde door bijvoorbeeld nooit naar een collega-arts te stappen en tot in het dwaze aan toe zelfmedicatie te blijven toepassen. Hij had al vroeg een longziekte en astma, en als medicus moet hij hebben geweten dat zoiets de uiterste medische zorg vraagt. In plaats daarvan leek hij zijn ziekte te ontkennen en mocht de buitenwereld er niets van weten, behalve, bij hoge uitzondering, Adriaan Roland Holst. Voor een man met zijn gezondheid was een bestaan als scheepsarts wel de slechtste keuze die zich denken liet.
Als hij tijdens zijn eerste reis als scheepsarts naar Nederlands-Indie getroffen wordt door een longbloeding, dus op zijn achtentwintigste jaar, weet Slauerhoff eigenlijk al dat hij jong zal sterven, maar dat heeft hij altijd goed verborgen weten te houden. Als iemand ook maar een opmerking maakte over zijn wankele gezondheid, werd hij woedend. Want dat zou zijn toekomst als scheepsarts maar belemmeren. Daar zit een element van zelfvernietiging in, en men moet maar raden waar dat vandaan kwam.
Slauerhoff werd in elk geval gedreven door een hekel aan zijn eigen milieu. Hij komt echt uit een lager middenstandsmilieu, uit een geslacht van postbodes en ketellappers, en ik denk dat hij zich daar tegen heeft afgezet. Daarnaast kon hij eigenlijk ook niets anders dan scheepsarts zijn. Als arts op het vasteland was hij door zijn ziekte te vaak afwezig, er zat geen gewone baan voor hem in. Kwaadsprekers als Victor van Vriesland hebben gezegd dat Slauerhoff op de zak van zijn vrouw leefde, maar uit mijn boek blijkt daar dus niets van waar. De dansschool van Darja was zo goed als failliet, en Slauerhoff moest wel weer gaan varen om de benodigde financien bij elkaar te krijgen.
Het is jammer dat hij geen kans heeft gehad om in diplomatieke dienst te komen, zoals hij zo graag had gewild. In tegenstelling tot bijna alle andere landen heeft Nederland geen traditie om schrijvers aan een of ander erebaantje te helpen. Hij heeft er genoeg naar gehengeld, en hij had natuurlijk ook gewoon cultureel attache moeten worden gemaakt in Spanje of Portugal. Maar dat zat er niet in, in Nederland. Hier respecteert de politiek toen en nu sowieso geen schrijvers. Nooit bezoekt een vertegenwoordiger van het koningshuis of een minister de begrafenis van een schrijver, en lezen doen ze al helemaal niet.
Als je in Frankrijk aan een politicus vraagt of hij de laatste tijd nog een boek heeft gelezen, vraagt hij: vandaag of gisteren? Kom daar maar eens om in Nederland. In Belgie is het al veel beter. Lampo was inspecteur voor het bibliotheekwezen, een erebaantje dat hem genoeg vrije tijd liet om te schrijven. Duitsland kent de zogeheten stadsschrijver, die gewoon op kosten van de gemeenschap zijn boeken schrijft. Voor Slauerhoff, de grootste schrijver en dichter van het interbellum, zat dat er allemaal niet in. In plaats daarvan werkte hij zich te pletter bij de Nieuwe Arnhemsche Courant, waar hij dan ook nog bedelbrieven moest schrijven om zijn honorarium binnen te krijgen. Zijn uitgever Stols heeft een geweldige blunder begaan door Slauerhoffs aanbod om Kafka te vertalen niet aan te nemen. Dat zou een stunt van jewelste zijn geweest. Slauerhoff zag als een van de eersten in Nederland in dat Kafka vreselijk belangrijk was, en het was natuurlijk geweldig geweest als het hele werk van Kafka in het Nederlands van Slauerhoff was verschenen. Als uitgever kan ik van zo'n blunder alleen maar gruwen.’
'MAAR OOK NU blijft Nederland slordig met hem omspringen. Waarom is er in vredesnaam toch nooit een speelfilm gemaakt van Het verboden rijk? Daar zou zo'n duo als Paul Verhoeven en zijn scenarist Gerard Soeteman toch een fantastische film van kunnen maken, zoals Conrads Heart of Darkness toch ook prachtig is verfilmd? Maar op de een of andere manier blijft Slauerhoff in Nederland een buitenstaander. Dat was bij zijn leven zo en dat blijft. Daar was hij zelf trouwens geheel van doordrongen. Dat is de tragedie van Slauerhoff.
Ondertussen wordt hij in het buitenland steeds meer herkend als een groot schrijver. Dat is vooral te danken aan Cees Nooteboom, die in het buitenland werkelijk fungeert als Slauerhoffs persoonlijke culturele ambassadeur. Nooteboom heeft ervoor gezorgd dat Slauerhoff in het Italiaans is vertaald, terwijl hij ook de hand heeft gehad in vertalingen in het Spaans en het Duits.’
Bij leven kon Slauerhoff niet bogen op zoveel collegialiteit vanuit de wereld van de literatuur. Hazeu: 'Bij zijn dood was het nog niet zo erg als nu met Hermans, waar je Harry Mulisch hebt kunnen horen zeggen dat hij “geen triomf voelde” bij diens overlijden, maar je kan wel vaststellen dat Slauerhoff zo'n beetje met iedereen gebrouilleerd was. Zijn grote conflict met Du Perron, die toch zo veel voor hem gedaan heeft, is natuurlijk het meest schrille voorbeeld. Ik denk dat Du Perron te veel verlangde in ruil voor zijn diensten aan Slauerhoff.
Er is altijd geweldig geklaagd over Slauerhoffs slechte karakter, maar ik heb die verontwaardiging nooit kunnen delen. Iemand die zo mooi schrijft, vergeef je eigenlijk alles. En achteraf moet je ook vaak tot de conclusie komen dat Slauerhoff het bij het juiste einde had. Zijn hekel aan Van Vriesland, die na zijn dood zo veel kwaadgesproken heeft over Slauerhoff, was toch eigenlijk wel terecht. Van Vriesland was inderdaad geen man om in de redactie van Forum te zitten. Dat was toch helemaal geen vent, zoals later ook wel bleek. Overigens zou Forum zonder Slauerhoff ook helemaal niet hebben bestaan, daar ben ik van overtuigd. De literaire doctrine van Forum was door Du Perron helemaal gericht op de persoon van Slauerhoff. Zelf beschouw ik dat als een van de belangrijkste conclusies die je uit mijn boek kan trekken.’
'VOOR HET OVERIGE toont mijn biografie aan dat Slauerhoff nog veel autobiografischer te werk ging dan al werd aangenomen, en dat hij in zijn vriendschappen helemaal niet zo ontrouw was als zo vaak is gezegd. Ook op zijn status van onverbeterlijke Don Juan valt wel wat af te dingen. In mijn optiek had Slauerhoff als astmalijder en dolende iets kwetsbaars, wat vooral getrouwde vrouwen aantrok. Hij was er niet op uit om huwelijken open te breken, het gebeurde bijna automatisch. Hij was altijd de derde man, de shadow, maar het initiatief ging zelden van hem uit. Een hoerenloper was hij ook al niet. Hij bezocht wel bordelen, maar als puntje bij paaltje kwam, gebeurde er niet zo veel. Daarvoor verlangde hij te zeer naar de zuivere liefde en het zuivere lichaam.
Vandaar ook zijn onvoorwaardelijke overgave aan Darja Collin, voor wie hij werkelijk het ene offer na het andere heeft gebracht. Vanwege haar werd hij ook verteerd door een verschrikkelijke jaloezie. Hij kon het niet aanzien als hij zijn vrouw op het podium zag dansen met zo'n prachtige Russische balletdanser, ook al wist hij dat die homofiel was. Ik ben ervan overtuigd dat zijn liefde voor Darja Slauerhoff fataal is geworden, al was het aantal maanden dat ze werkelijk bij elkaar waren eigenlijk erg klein. Dat huwelijk was vanaf de geboorte van hun dode kind eigenlijk voorbij. Slauerhoff, die stapelgek was op kinderen, was kapot van verdriet. Darja wist dat of goed te verbergen of ze had het gewoon niet. Voor haar was het dansen veel belangrijker. Als ik de foto zie die Slauerhoff van dat dode jongetje heeft gemaakt, krijg ik tranen in mijn ogen. Ik heb er lang over geaarzeld of het wel kies was om die foto in mijn boek op te nemen, maar ik kon het gewoon niet laten.’