Jeugdhulpverlening Een frisse blik op Amsterdam

‘Ik heb mijn kind teruggekregen’

Op verzoek van toen nog wethouder Lodewijk Asscher onderzocht Margalith Kleijwegt het reilen en zeilen binnen de Amsterdamse jeugdzorg. Asscher wilde weten waar de hulpverlening beter kan. Op deze pagina’s een selectie van de verhalen die Kleijwegt optekende.

Medium anp 2607928

De school als spin in het web

Een kleine school in Amsterdam-Noord heeft 140 leerlingen en een alerte intern begeleider. Ouders op deze school met een arme, allochtone populatie weten hem te vinden. Als ze met iets zitten, tikken ze op zijn deur. Door het raam kun je zien hoe ze twee minuten later hevig gesticulerend hun verhaal aan het vertellen zijn aan de geduldig luisterende intern begeleider. Hij is orthopedagoog en kwam als zij-instromer in het onderwijs terecht.

Tien jaar geleden begon hij in groep 8. Omdat hij zijn leerlingen beter wilde leren kennen, nam hij ze mee naar het strand in Zandvoort. De stralende blik van de leerlingen toen ze de laatste duintop over klommen en de zee zagen, zal hij nooit vergeten. De meesten waren nog nooit buiten hun stadsdeel geweest.

Veel leerlingen op deze school hebben een of meer hulpverleners. De school is niet altijd op de hoogte van wie er bij welk kind betrokken is en dat is vervelend. Met enige regelmaat blijkt er een leerling onder toezicht van de jeugd­bescherming te staan zonder dat de school ervan af weet. Hoogst frustrerend, vindt de intern begeleider: ‘Het wordt ons domweg niet verteld.’ Zo kwam er een aantal maanden geleden een jongetje in groep 3 waar de leerkracht zich al snel zorgen over maakte. Hij trok op een vreemde manier aandacht, zag dingen die er niet waren en klaagde bij de leraar dat hij thuis werd geslagen. Alle alarmbellen gingen rinkelen.

Moeder besteedde nauwelijks aandacht aan haar zoontje, zo was de intern begeleider opgevallen toen hij het jongetje een keer observeerde. Ze zat wel naast hem maar keek de hele tijd de andere kant op, naar haar mobiele telefoon. De school vond het gedrag van zowel moeder als zoon verontrustend en besloot hulp in te roepen.

In diezelfde week ontving de school een mail van de Willem Schrikker Groep, een voogdij­vereniging, met de mededeling dat het bewuste jongetje al tijden onder toezicht stond en een gezinsvoogd had. De intern begeleider snapte niet dat de school niet van deze belangrijke informatie op de hoogte was gesteld. En als dit nou een uitzondering was, maar zoiets gebeurt regelmatig. Veel leerkrachten en intern begeleiders klagen dat ze hulpverleners van gevestigde instellingen zo moeilijk te pakken krijgen. Niet alleen telefonisch, ook als ze mailen krijgen ze vaak geen antwoord. Een leerlinge die voortdurend agressief was, zou worden onderzocht bij Mentrum, een ggz-instelling, om te zien of er sprake was van een psychiatrische stoornis. ‘We hoorden maar niets’, vertelt de intern begeleider, ‘terwijl we zo bezorgd waren. Als ik belde, werd ik niet doorverbonden en ik mocht geen persoonlijk e-mailadres van de hulpverlener in kwestie hebben. Na ettelijke vergeefse pogingen heb ik mijn directeur ingeschakeld. Toen zij ging bellen, was er binnen vijftien minuten contact.’

Meneer Ayad wil geen hulpverlener meer zien

Op een dag werd ik meegenomen naar een bijeenkomst over de familie Ayad bij Bureau Jeugdzorg. De van oorsprong Marokkaanse vader van Yasmina (10), Ikram (7) en Naima (bijna 2) werd omringd door talloze hulpverleners. Een logopediste, twee sociaal therapeuten, twee kinderartsen, een ambulant gezinsbegeleider en de coach van Jeugdzorg.

Niemand zag het aankomen. De ambulant gezinsbegeleider, iemand die het gezin Ayad met raad en daad terzijde staat, kreeg zelfs de indruk dat vader goed meewerkte. Maar ineens liet hij weten met alle hulpverlening te kappen. Hij wilde niemand meer over de vloer hebben. ‘Ik ben alleen nog maar met afspraken bezig’, had meneer Ayad verzucht.

Het gezin was al een tijdje bekend bij Bureau Jeugdzorg, onder meer vanwege het over­gewicht van de twee oudste meisjes. Ook zouden ze thuis niet voldoende worden gestimuleerd om zich te ontwikkelen, met als gevolg een sociaal-­emotionele achterstand. Vader heeft al zijn hulp­verleners keer op keer te verstaan gegeven dat hij maar één probleem heeft: zijn Egyptische vrouw woont hier illegaal. Was er misschien iemand die ervoor kan zorgen dat ze legaal wordt?

In het kantoor van Jeugdzorg op een soort industrieterrein aan de rand van de stad zitten om 14.00 uur dertien man om de tafel. De bijeenkomst begint veelbelovend: de voorzitter, een gezinscoach van Bureau Jeugdzorg, tekent een indrukwekkend organogram waarop te zien is wie van de aanwezigen met welk gezinslid te maken heeft. Maar er blijkt geen agenda te zijn en de rest van het uur verloopt warrig. Er lijkt onvoldoende voorwerk te zijn verricht, er is geen schriftelijke analyse van de situatie die de basis zou kunnen zijn voor een gesprek met alle aanwezigen, waaronder twee artsen. Ook de zorgen die er kennelijk over de kinderen zijn, worden niet scherp onder woorden gebracht.

De oudere meisjes kwamen het afgelopen jaar één middag per week bij de dagopvang van Altra, een instelling voor opvoedhulp, en daar knapten ze van op, zegt de intern begeleider van de school. Mieke Wiedemeijer, de kordate klantmanager van dwi (Dienst Werk en Inkomen), vertelt dat meneer Ayad een hele geschiedenis heeft. Hij werkt al lang niet meer en zat drie jaar in wsnp (Wet schuldsanering natuurlijke personen). Hij moest drie jaar lang maandelijks iets van zijn schulden afbetalen, de rest werd hem kwijtgescholden, zodat hij daarna met een schone lei kon beginnen. Ze is vaak bij het gezin geweest, heeft op de grond gelegen om maten voor nieuwe vloerbedekking op te meten. Ze heeft een ijskast geregeld, een gasstel, maar ook zij heeft nu even geen contact met het gezin. Om de vloer boven te kunnen leggen, moet die verdieping eerst worden leeggehaald en daar kwam meneer Ayad niet aan toe.

Paul Scheerder van het Leefkringhuis, een laagdrempelig opvanghuis in Amsterdam-Noord dat ook de voedselbank runt, zit samen met zijn rechterhand Hasnae Amrani ook aan tafel. Hij kent Ayad al jaren, uit de tijd dat zijn eerste vrouw, ook Egyptisch, ook illegaal, hier nog woonde. Toen hielp hij Ayad bij het invullen van formulieren. Hij sprak vaak met Ayad als die eten kwam halen bij de voedselbank. De laatste tijd heeft Scheerder hem daar niet meer gezien.

De ambulant gezinsbegeleider van jeugdwelzijnsinstelling Altra had veel contact met de moeder, zegt ze, ‘Dat ging heel goed.’ Gesprekken werden wel met handen en voeten gevoerd omdat moeder nauwelijks Nederlands sprak.

Waarom keerde Ayad zich ineens tegen de hulpverlening? Een van de aanwezigen merkt op dat Ayads IQ vrijwel zeker laag is, dat zou een oorzaak kunnen zijn. Een ander heeft het vermoeden dat hij steeds fundamentalistischer wordt, hij zou zich te veel laten beïnvloeden door de mannen van de moskee. Opvoedingsondersteuning is cruciaal voor dit gezin, vinden de meesten, zonder precies onder woorden te brengen waarom en wat dat dan concreet zou moeten betekenen.

Dan breekt Scheerder van het Leefkringhuis in: ‘Het grootste probleem van meneer Ayad is de illegaliteit van zijn vrouw en dat probleem wordt genegeerd. Hij is bang dat zijn vrouw terug moet naar Egypte.’ Iedereen zwijgt. Er is een advocate in Amsterdam die zich heeft gespecialiseerd in dit soort situaties, zegt Scheerder. Moet zij niet worden benaderd? Opnieuw wordt er gezwegen.

Scheerder wil vader vragen zijn wekelijkse tripje naar de voedselbank te hervatten om op die manier contact met hem te krijgen. Hasnae van het Leefkringhuis zal contact met moeder zoeken. Hasnae spreekt Arabisch en draagt een hoofddoek, dat zou kunnen helpen. Iedereen knikt. De vergadering wordt gesloten, via de mail zal men elkaar op de hoogte houden.

Op een mooie zomerdag gaan Paul Scheerder, Hasnae en ik meneer Ayad opzoeken. Ayad heeft laten weten dat hij Scheerder wel wil ontvangen. Hij staat buiten als we aankomen. Goed verzorgd en gekleed in een net roze-rood overhemd en een spijkerbroek. Hij lijkt blij Scheerder te zien en nodigt ons in gebrekkig Nederlands uit naar boven te komen. Zijn vrouw begroet ons vriendelijk en gaat in een andere kamer zitten. De jongste dochter Naima is thuis, ze kijkt heel pienter uit haar ogen en houdt alles in de gaten.

De door dwi nieuw gekochte kast is kapot. ‘Nu al stuk’, verzucht Ayad, die doelt op de lades die kriskras over de grond liggen en waar kennelijk weinig zorgvuldig mee is omgegaan. We zitten op de twee banken die op de nieuwe vloer staan, alles aangeschaft met geld van dwi. Ondanks deze ingrepen maakt het huis een haveloze en zelfs vieze indruk, ook de kleren die Naima draagt zitten vol met vlekken. Meneer Ayad leidt ons rond, laat de andere kamer zien met in het midden een gehavende bank.

Als Scheerder vraagt waarom Ayad alle hulpverleners de deur wees, haalt hij zijn schouders op. ‘Al dat geouwehoer’, zegt hij in goed Nederlands. Hij zag het nut er niet van in, dat oeverloze geklets van onbekenden die zich met zijn gezin bemoeiden. ‘Wij zijn bang dat mijn vrouw wordt weggehaald, maar daar konden ze niets aan doen.’

‘Zou uw vrouw niet naar Nederlandse les kunnen?’ suggereert Scheerder. Dan blijkt er al twee jaar iemand aan huis te komen van het Amsterdams Buurvrouwen Contact om mevrouw les te geven. Nóg een hulpverlener.

‘Wilt u niet terug naar de voedselbank? Dan hebt u in ieder geval elke week een voorraadje.’ Ayad schudt zijn hoofd. ‘Ik schaam me’, zegt hij zachtjes. Scheerder en Hasnae halen Ayad en zijn vrouw, die in de deuropening is komen staan, over om tóch iedere week een voedselpakket te komen halen. Ze vragen de gegevens van mevrouw, dan kunnen ze met een advocaat overleggen over eventuele mogelijkheden van een verblijfsvergunning. Ayad aarzelt, wil het eerst niet geven, uit angst voor de politie of andere overheidsfunctionarissen. Uiteindelijk mag Hasnae het paspoort even vasthouden en het nummer overschrijven.

De problemen van de familie Ayad zijn ingewikkeld. Vooral door hun eigen toedoen. Vader Ayad heeft zijn kinderen en vrouw uit Egypte naar Nederland gehaald in de wetenschap dat zijn vrouw illegaal zou zijn. Maar hier konden zijn kinderen in ieder geval naar school, vertelde hij Mieke Wiedemeijer van de Dienst Werk en Inkomen. En dus waren zij beter af dan in Egypte. Dat hij en zijn vrouw nauwelijks in staat zijn goed voor de kinderen te zorgen lijkt hem weinig te deren. Misschien dat hij zijn onmacht niet wil laten zien. Hij is wel blij dat hij spullen krijgt van dwi.

Wiedemeijer bepaalt wanneer cliënten in aanmerking komen voor materiële hulp, zoals een ijskast, een gasfornuis of een nieuw bed. ‘Als ik op huisbezoek ga, kijk ik altijd of een kind wel een eigen bed heeft om in te slapen. Soms liggen ze op de bank, of bij hun broertje of zusje in bed. Ouders hebben vaak andere prioriteiten, die willen dan een nieuwe tv. Daar ga ik niet in mee.’

Vertegenwoordigers van dwi zitten tegenwoordig iedere twee weken bij het overleg van Jeugdzorg over problematische gezinnen. Vroeger waren ze vanwege de privacy van cliënten bij zulke besprekingen niet welkom. Wiedemeijer is opgelucht over de nieuwe koers: ‘Hulpverleners zoeken elkaar steeds meer op. Heel belangrijk, want dat houdt de gang erin.’

Bij de familie Ayad trof ze tijdens haar eerste huisbezoek een ‘uitgeleefde woning’ aan. De meubels had vader op straat gevonden. Het gasfornuis was onveilig, net als de ijskast. Op de grond lagen stukken vloerkleed, ‘waar je je nek over brak. Overal lagen kleren, er zaten geen deuren in de kast. Ik zei dat ze eerst de kleren per kind moesten sorteren en dat we daarna een kast zouden uitzoeken.’

Meneer Ayad kreeg geld voor verf en samen met Mieke Wiedemeijer ging hij naar Leen Bakker om zeil uit te zoeken. Meneer Ayad heeft het financieel extra zwaar omdat hij alleen een uitkering voor zichzelf en zijn kinderen heeft. Zijn vrouw valt vanwege haar illegaliteit overal buiten.

De gezinscoach van Bureau Jeugdzorg die de bijeenkomst met alle hulpverleners organiseerde, kreeg in 2011 voor het eerst een signaal dat het niet goed ging met de kinderen Ayad. Een kinderarts meldde dat de jongste – toen zes maanden – ondervoed was. Ze at alleen yoghurt want dat was het enige wat ze lekker vond. Er kwam later ook een melding via het schoolmaatschappelijk werk. De andere twee meisjes droegen hartje winter een dunne jas en ze hadden een muffe, ongewassen geur om zich hangen. Na de eerste zorgmelding besloot Bureau Jeugdzorg aan hulpverleningsinstantie Altra te vragen uit te zoeken wat er aan de hand was, in jargon heet dat ‘een uitzoekmodule inzetten’. Hun advies luidde: meer structuur in het gezin aanbrengen en een dieet uitstippelen voor het dikke meisje dat inmiddels ook last had van apneu, ernstig snurken.

De gezinsbegeleider ging aan de slag met video-hometraining om te zien hoe ouders en kinderen met elkaar omgingen. Maar het kernprobleem, de illegale status van mevrouw Ayad, lieten de hulpverleners liggen. Advocate Samira Bouddount, aan wie ik de situatie later voorlegde, zag wel mogelijkheden om wat aan die illegaliteit te doen. Misschien vindt men zo’n stap naar de advocaat niet passen, want toen ik dit bericht van Bouddount aan de hulpverleners doorgaf, gebeurde er niets.

Bij dit gezin waren allemaal goedwillende professionals betrokken, maar spraken ze elkaar wel voldoende aan? Of volgden ze te veel het binnen het protocol passende pad? Uiteindelijk kreeg Paul Scheerder dus weer toegang tot het gezin. Maar stel dat meneer Ayad zijn hakken in het zand had gezet en niemand had toegelaten? Het alternatief, zei de gezinscoach van Jeugdzorg later, was een ondertoezichtstelling van de kinderen. Of het toewijzen van een vig-coach, een hulpverlener die 24 uur per dag beschikbaar is en in feite de regie binnen het gezin overneemt. Dat is duur en de vraag is bovendien hoe zinvol dat zou zijn bij de familie Ayad

Inmiddels heeft Bureau Jeugdzorg zich formeel teruggetrokken uit het gezin, tot ontsteltenis van de kinderarts die graag toezicht wilde vanwege het extreme overgewicht van een van de meisjes. Nu ziet alleen Hasnae van het Leefkringhuis wekelijks de familie. Ze heeft contact met de advocate gezocht die binnenkort met meneer en mevrouw Ayad gaat praten.

Het stempel veilig

In alle vragenlijsten – en er moeten er nogal wat worden ingevuld – wordt de veiligheid van het kind aan de orde gesteld. Is die wel voldoende gewaarborgd? Voor een deel is dit nog steeds een gevolg van de zaak-Savanna uit 2004. De gezinsvoogd van het verwaarloosde meisje bleek achteraf onvoldoende oog te hebben gehad voor de deplorabele situatie waarin haar cliëntje leefde. Ze werd zo verwaarloosd dat ze aan de gevolgen ervan stierf. De gezinsvoogd werd publiekelijk verantwoordelijk gehouden voor dit drama.

Savanna is voor velen nog steeds een schrikbeeld. Ik heb gezien hoe hulpverleners door de veiligheidscultus verkrampen. Ze vullen de stapels formulieren heel nauwkeurig in omdat ze dan ‘gedekt zijn’. Dat geeft de hulpverleners, zeggen ze, ‘een veilig gevoel’. Is dat niet de omgekeerde wereld? Het kind moet zich toch veilig voelen? Zo was er een meisje dat thuis grote moeilijkheden had, maar er was geen crisisplek beschikbaar. Toen het meisje in haar wanhoop een zelfmoordpoging deed, kon de hulpverleners niets worden verweten, zeiden ze opgelucht. Zij hadden op alle formulieren ingevuld dat de situatie niet veilig was. De ironie was dat er als gevolg van deze noodkreet wel een plek voor het meisje kwam.

Die hang naar veiligheid lijkt ook tegen­gesteld aan de wens om hulp wat informeler en dichter bij huis te organiseren, om de ‘eigen kracht’ aan te spreken.

Is het niet realistischer en dus werkbaarder om te zeggen dat je – hoe naar ook – niet alles kunt voorkomen? Dat totale veiligheid niet bestaat? Is dat geen taak voor politici? Nu houden ze die veiligheidscultus in stand door te zeggen dat kinderen te allen tijde veilig moeten zijn.

Ik ga met een gezinsbegeleider naar het afsluitende gesprek met mevrouw Badour, moeder van drie jonge kinderen. De hulpverleenster kwam bijna een jaar bij deze familie over de vloer. Toen de kleine Mustafa net was geboren, kwam er een melding van een verpleegkundige die had gezien dat moeder haar kinderen sloeg.

‘Ik heb bij de kennismaking gezegd dat er vragen waren over haar manier van opvoeden’, zegt de hulpverleenster. Moeder ontkende dat ze haar kinderen had geslagen. ‘Bureau Jeugdzorg liegt’, zei ze, ‘ze willen mij mijn kinderen afnemen.’ Mustafa, de jongste, is een jaar geleden overleden aan een hersenvliesontsteking. Vanwege zijn overlijden probeerde de hulpverleenster daarna moeder vooral tot steun te zijn.

Het gezin woont in een mooi, ruim nieuwbouwhuis. Moeder maakt een opgewekte indruk en vertelt dat ze sinds een tijdje gescheiden is. ‘Het lukte niet tussen mijn man en mij, ik wilde meer vrijheid.’ De hulpverleenster knikt, terwijl de vrouwen allebei weten dat er een onderzoek loopt in verband met uitkeringsfraude. Mevrouw Badour ontvangt een uitkering voor haarzelf en de kinderen terwijl men vermoedt dat meneer Badour gewoon thuis woont en geld verdient met zijn baan in de beveiliging. De hulpverleenster zag meneer Badour iedere week het huis uit sluipen als ze mevrouw bezocht. Hij zei dan niets en vertrok.

De maatschappelijk werker ging gewoon door met de opvoedingsondersteuning aan moeder. Ze gebruikte video-hometraining en veel elementen van Triple P., een opvoedprogramma dat leert hoe je moet straffen en belonen, hoe je je kinderen leert hun tanden te poetsen, hoe je ze leert groenten te eten (steeds opnieuw aanbieden).

De vrouwen kunnen ogenschijnlijk goed met elkaar overweg en toch voel je dat niet alles op tafel komt. Mevrouw Badour is vriendelijk en beleefd, maar laat niet het achterste van haar tong zien. Omdat dit het laatste bezoek is, moet de ‘exit-vragenlijst’ worden ingevuld met vragen als: ‘Hebt u voldoende geleerd om nu alleen verder te gaan?’, ‘Hebt u door de hulpverlening meer vertrouwen in de toekomst?’, ‘Wat voor cijfer geeft u de hulpverlener?’ Mevrouw Badour is heel tevreden. De maatschappelijk werker krijgt van haar een tien. ‘Ik had je nog een cadeau willen geven’, zegt mevrouw Badour. De hulpverlener: ‘Dat jij tevreden bent, is toch een heel mooi cadeau.’

En ook al heeft mevrouw Badour goed meegewerkt en heeft ze meer grip op haar leven, niemand kan voorspellen wat de toekomst zal brengen. Het jongste meisje is erg lastig en drammerig en de situatie met meneer Badour is onoverzichtelijk. Nu gaat het goed, dus komt er voorlopig het stempel veilig op dit dossier. >

Een training agressieregulatie

of voetballen?

Het vergt ook moed om de hulp zo klein mogelijk te houden. Altijd makkelijker om een specialist in te schakelen, dan ben je van de verantwoordelijkheid af. Maar in de toekomst zal dat steeds meer worden ontmoedigd, ook om de kosten te drukken.

Een ervaren schoolmaatschappelijk werker vindt dat scholen en hulpverleners soms doorslaan bij het stellen van een diagnose of bij het geven van een behandeling. Leerlingen krijgen uit het niets een aan autisme verwante stoornis opgedrukt, of ze hebben adhd. Neem het meisje dat werd gepest en een ‘integratieve therapie’ moest volgen. ‘We zijn een jaar verder en er is niets veranderd. Het meisje krijgt exclusieve aandacht van haar therapeut en ze mag iedere keer vertellen hoe erg ze wordt gepest. Wat heeft ze daar nu aan?’

Het is wikken en wegen. Voor welke vorm van hulpverlening kies je en waarom? Hoe zwaar zet je in als een kind problemen heeft? De maatschappelijk werker vertelt over Hicham, een jongetje van elf, dat volgens zijn eigen leerkracht enorm agressief is en grote driftbuien heeft. De juf is zelfs bang voor hem als hij in een dreigende houding voor haar gaat staan. De maatschappelijk werker denkt erover om de jongen te verwijzen naar een ‘agressieregulatietherapie’ bij de Bascule, een psychiatrisch centrum in het Academisch Medisch Centrum (amc), al beseft ze dat het een zwaar en duur middel is.

Het alternatief is wezenlijk anders, namelijk Hicham lid maken van een voetbalclub. Eén wedstrijd per week en een paar keer trainen – het is zijn favoriete sport – zou hem een eind op weg moeten helpen. Alle agressie kan er dan op een natuurlijke manier uit. ‘Die jongen heeft zoveel energie’, zegt de maatschappelijk werker. Hicham komt uit een groot gezin, met vier broers, van 23, 16, 15 en 14, en een zusje van 10. Hij kwam op zijn vierde naar Nederland, zijn vader woonde hier toen al enige tijd. Vader werkt niet meer en er spelen thuis grote financiële problemen. Het gezin is zelfs al een keer ontruimd vanwege huurschulden.

Omdat Hicham nog zo jong is ziet ze het meest in de voetbalclub als therapie. ‘Laten we laag inzetten.’ Als veel sporten niet helpt, kan ze altijd nog uitwijken naar het amc. Ze wil het eerst met de juf bespreken, daarna nodigt ze Hicham en zijn moeder uit.

Op een zonnige middag is het zo ver. Hicham draagt een geel trainingsjack met het logo van FC Barcelona. Hij zit een beetje onderuitgezakt en duikt af en toe weg in zijn kraag. Een leuke jongen om te zien met een hartveroverende glimlach. Hij geeft grif toe dat hij op school af en toe boos wordt en dan gaat schreeuwen. Dat hij slaat en zelfs pest. Hij snapt dat mensen daar bang van worden, hij zou het zelf ook liever anders zien.

Hicham reageert enthousiast op het voorstel van de maatschappelijk werker, hij wil dolgraag op voetbal en hij vindt het best om daarnaast een sociale training te volgen die ze voor hem heeft uitgezocht. Dan wordt hij wat onrustig, zijn moeder had er al moeten zijn. Zou ze de afspraak hebben vergeten? De maatschappelijk werker geeft Hicham haar telefoon en vraagt hem naar huis te bellen. ‘School, kwart over een!’ roept de jongen een paar keer lichtelijk gegeneerd door de hoorn.

Als zijn moeder een kwartier later hijgend de trap op komt, heeft ze een jongere vrouw bij zich die voor haar zal vertalen. Er zijn problemen op school, legt de maatschappelijk werker uit. Hicham is vaak boos en komt bedreigend over. Gebeurt dat thuis ook? Nee, thuis gaat alles goed, zegt moeder. Over een lidmaatschap van de voetbalclub moet ze eerst met haar man overleggen. De maatschappelijk werker maakt het aanbod zo aantrekkelijk mogelijk: ‘Ik vraag het jeugdsportfonds om geld, daar kunt u niet alleen de contributie maar ook de voetbalkleren van betalen.’

Hicham moet nu worden bijgestuurd, anders is de kans groot dat hij over een paar jaar echt is ontspoord, denkt de hulpverleenster. En dat zou jammer zijn, hij is een leuke jongen. ‘Ik zie vaak een gezonde reactie op een ongezonde situatie.’

Twee weken later stuurt ze een mail: ‘Tot mijn grote vreugde kan ik je vertellen dat ik ben gebeld door de vader van Hicham die vertelde dat het goed gaat met zijn zoon en dat hij op voetbal mag!’

Eigen kracht

In Amsterdam wordt steeds vaker gebruik gemaakt van de Eigen Kracht-conferentie. Bijna altijd als er een ondertoezichtstelling dreigt, wordt eerst bekeken wat het gezin en de direct betrokkenen zélf kunnen betekenen. De bijeenkomst vindt op neutraal terrein plaats en wordt georganiseerd door een onafhankelijk burger in opdracht van de Eigen Kracht Centrale. Hulpverleners zijn welkom bij het eerste gedeelte van de bijeenkomst, het tweede gedeelte is alleen toegankelijk voor de familie en hun netwerk en bij het derde afsluitende gedeelte mag de hulpverlening weer aansluiten.

‘Laat mensen zo veel mogelijk zelf de beslissingen nemen en daar verantwoordelijk voor zijn’, zegt directeur Rob van Pagée. ‘Geef ze dat vertrouwen, maak de kring zo groot mogelijk.’ ‘Trust the citizens’, benadrukt hij, we kunnen meer dan we denken. ‘Bedenk vooral hoe je het zelf zou willen’, vult Anja Smits, regiomanager Amsterdam, aan. ‘Als je zelf problemen hebt, doe je ook een beroep op mensen die dicht bij je staan, die je vertrouwt.’

De Eigen Kracht Centrale heeft een groot reservoir van coördinatoren, 750 burgers over het hele land verspreid. Vandaag heeft coördinator Judith een conferentie georganiseerd in een buurthuis in Amsterdam-Oost. Het gaat om het gezin van Marion, een alleenstaande moeder met een zoon van achttien, Ricardo, en een dochtertje van zes, Jennifer, die bij pleegouders woont. Het is de bedoeling dat Jennifer binnenkort weer thuis komt. Marion verwacht haar derde kind over drie maanden. De kinderen hebben alledrie een andere vader en bij deze baby weet moeder niet wie de vader is.

De vraag die vandaag voorligt: hoe kan het netwerk Marion en haar gezin ondersteunen als Jennifer weer thuis komt wonen?

De vader van Marion arriveert als eerste, samen met zijn huidige partner Mia. Dan komen de hulpverleners van Spirit en de Bascule en broer Richard binnen en vlak voor elven arriveert Marion samen met Ricardo, haar moeder en een vriendin. Piet, de pleegvader die Jennifer eerder in huis heeft gehad, is er ook bij, net als Carla, de huidige pleegmoeder. De aanwezigen zitten op houten stoeltjes in een kring in de grote ruimte. Marion, een gezette vrouw met een lief gezicht en halflang lichtblond haar, maakt een kwetsbare indruk. Ze neemt plaats tussen de hulpverleenster van Spirit en haar moeder.

Jennifer ging naar een pleeggezin omdat moeder haar niet aankon, er waren voortdurend spanningen thuis. Het meisje kon verschrikkelijk lastig zijn en Marion liet over zich heen lopen. Jennifer heeft het goed gedaan bij de pleegouders, ze is rustiger en minder destructief. De drie r’en van rust, reinheid en regelmaat deden wonderen, zeggen beide pleegouders.

Het gezin wordt vandaag overgedragen aan de ggz-instelling de Bascule, Spirit stapt eruit. De hulp wordt minder intensief dan iedereen had verwacht. Het idee is één keer in de week een opvoedtraining in het amc. ‘Ik hou mijn hart vast’, zegt de pleegmoeder. Iedereen, inclusief Marion, had gehoopt dat er ’s middags thuis iemand zou langskomen om te helpen tijdens de drukke uurtjes. Laagdrempelig en praktisch. Maar dat zit er niet in. ‘Er is een wachtlijst’, legt de hulpverleenster van Spirit uit.

Broer Richard vraagt wie de busreis naar het amc voor zijn zus zal gaan betalen. De gemeente? Pleegmoeder Carla merkt op dat wanneer Marion iets minder kleren voor Jennifer zou kopen ze makkelijk een buskaartje kan betalen.

De aanwezige pleegouders zijn dol op Jennifer. Ze is geen makkelijk meisje, vaak dwingend en heeft duidelijk grenzen nodig. Zij hanteren een strak dagritme en daar gedijt ze bij. Pleegmoeder kookt om half zes, om zes uur gaan ze aan tafel en na het eten wordt er een spelletje gedaan. Daarna gaat Jennifer naar bed en wordt ze voorgelezen. ‘Ik moet me er soms ook toe zetten, maar ik weet dat ik haar zo help.’

De pleegouders benadrukken dat ze zich zorgen maken. Kan Marion het wel aan als Jennifer weer thuiskomt, zo net voor de bevalling? Marion twijfelt zelf ook, ze heeft behoefte aan rust en dat is moeilijk met Jennifer in huis. Marion knijpt de hele tijd in een tissue en barst in tranen uit als de pleegvader haar strak in de ogen kijkt en zegt dat Jennifer en Marion ‘zielsveel van elkaar houden’.

Pleegvader Piet richt zich vervolgens tot Ricardo, de achttienjarige zoon die thuis rondhangt, geen opleiding volgt en ook niet werkt. ‘Jongen, hoe zie jij je toekomst? Dit kan toch niet zo doorgaan?’ Ricardo haalt zijn schouders op. De vader van Marion, Ricardo’s opa, mompelt dat hij de jongen naar zijn vader zal sturen die in een ver buitenland woont.

De pleegouders vertrekken na het eerste gedeelte, net als de hulpverleners. Judith van Eigen Kracht trekt zich ook terug, maar blijft wel in de buurt. Ze bemoeit zich niet inhoudelijk met het proces, ze is volstrekt neutraal. De intieme kring rond Marion moet nu proberen oplossingen te verzinnen en die vast te leggen.

Een paar uur later komt Marions vader naar buiten. Het is gelukt, ze hebben een plan opgesteld, zegt hij. Judith feliciteert iedereen en noteert wat er is afgesproken. Marion vertelt dat ze huisregels gaat opstellen en die komen overal te hangen. Thuis, bij haar vader, bij haar moeder en bij haar vriendin. Na het verhaal van pleegmoeder Carla beseft Marion hoe belangrijk duidelijkheid voor Jennifer is. Haar vriendin heeft beloofd Jennifer een keer in de week op een vaste dag mee naar huis te nemen zodat Marion alleen met de baby kan zijn. Opa en Mia willen Jennifer ook geregeld opvangen. De pleegouders hebben aangegeven Jennifer één keer in de maand een lang weekend en een deel van de vakanties in huis te willen nemen. Judith vraagt heel precies en zorgt ervoor dat alle voornemens ook concrete afspraken worden.

Bij Marion zat een goede Eigen Kracht-­coördinator die de bijeenkomst tot in de puntjes had voorbereid. Ze was hartelijk, voortvarend, hield ‘het proces’ nauwlettend in de gaten, maar bleef een buitenstaander. Het succes van zo’n conferentie ligt ook aan wie haar voorbereidt en coördineert, het is altijd uitkijken dat je niet wordt gemanipuleerd. En hoe zorg je ervoor dat de voorgenomen plannen beklijven?

De Eigen Kracht-conferentie is heel waardevol en het gebruik ervan zal de komende jaren nog verder worden uitgebreid. Belangrijk is dat de plannen die tijdens de bijeenkomst worden gemaakt daadwerkelijk – ook op de lange duur – worden uitgevoerd. En dat lukt niet altijd, want het loslaten van ingesleten patronen is en blijft lastig. Zoals die keer toen meerdere hulpverleners betrokken waren bij een Surinaamse vrouw met zeven kinderen waarvan er een paar zwakbegaafd waren en onder toezicht stonden. De vrouw kon het leven maar met moeite aan en ze liet de hulpverleners vaak buiten wachten. Dan bleef ze in bed liggen, haar kinderen stuurde ze ook niet naar school. Er werd een Eigen Kracht-conferentie georganiseerd, daar leerden alle hulpverleners en mensen uit het netwerk elkaar kennen. De moeder leek zeer genegen om beter mee te werken met alle aangeboden hulp, ze zei op alles ja. De priester van de door haar bezochte kerk zou haar hoogstpersoonlijk regelmatig bellen om te horen of alles in orde was. Maar van lieverlee liet moeder het weer afweten, als de priester belangstellend belde, werd hij afgesnauwd en de hulpverleners stonden vaak voor een dichte deur. Binnen de kortste keren was de situatie weer terug bij af.

Het succes van de Opvoedpoli

Linda Bijl zag de voortdurende schaalvergroting binnen de hulpverlening met lede ogen aan. ‘In de rijke jaren tachtig kwamen er allemaal managementsfuncties bij. De zorg voor anderen werd plotseling bedrijfsmatig aangepakt. Het ging steeds meer over macht.’ Dat stoorde haar zo dat ze in 2008 de Opvoedpoli oprichtte: laagdrempelige hulp en nauwelijks wachtlijsten, persoonlijk contact en geen bureaucratie. Inmiddels werken er meer dan vierhonderd mensen en staan er kantoren door heel Nederland, de medewerkers komen uit de reguliere hulpverlening, er wordt van ze verwacht dat ze veel op pad zijn, cliënten thuis bezoeken.

Jeugdzorg zit te veel vast aan regeltjes, vindt Bijl, en daar wil ze graag aan morrelen. Een voorbeeld. Er kwam een gescheiden vader langs die alleen voor zijn kind zorgde. Hij zocht hulp, maar de moeder van het kind gaf geen toestemming. ‘Jeugdzorg begint daar niet aan en dat doen wij wel. Het is op ’t randje, ik weet het, maar wij kiezen ervoor het gesprek te openen.’

De kleinschalige instelling is populair maar heeft het financieel zwaar. Ook al wordt alom onderkend dat de aanpak van de Opvoedpoli innovatief is, toch vergoeden sommige verzekeraars sinds kort nog maar vijftig procent van de kosten.

Een voorbeeld uit hun dagelijkse praktijk: anderhalf jaar geleden kreeg mevrouw Arslan steeds meer te stellen met haar zoon. Zeki loog steeds vaker, merkte ze. En hij had woede-­uitbarstingen die ze niet begreep. Zeki is uit een eerdere relatie. Ze raakte op haar zeventiende zwanger van een religieuze, fundamentalistische man uit Turkije die haar verbood om alleen naar buiten te gaan. Ze woonde in Lelystad en vluchtte op een dag met haar baby naar Amsterdam. Een paar jaar geleden ontmoette ze haar huidige echtgenoot, bij wie ze een dochter kreeg, nu is ze zwanger van de derde. Natuurlijk zijn er wel eens problemen. ‘Hij is wel eens een paar weken weg geweest, dan verdween hij na een ruzie, maar het kwam altijd weer goed. We houden van elkaar en we willen een groot gezin, zeker vier kinderen.’

Zeki kan zich zijn vader niet herinneren. Sinds een tijdje weet hij wie het is, want de man uit Lelystad is door een speling van het lot bij ze om de hoek komen wonen. Moeder vindt dat heel onaangenaam en ze is bang dat hij Zeki op een dag zal ontvoeren. Dat deze situatie een druk op haar zoon legt, begrijpt ze, maar wat kan ze eraan doen?

De bom met Zeki barstte toen hij zich misdroeg op de huwelijksdag van zijn moeder en stiefvader. Moeder, een beetje gegeneerd: ‘Hij was alleen maar aan het schreeuwen en verpestte de hele trouwdag waar wij zo naar hadden uitgekeken.’

Na dit incident zocht ze contact met de huisarts met wie ze een goede band heeft: ‘Ik zei dat ik naar een pedagoog toe wilde. Ik wil geen kind dat later crimineel wordt.’ Ze had toen Zeki heel klein was een hulpverlener van Bureau Jeugdzorg over de vloer gehad. ‘Ik vond ze kil, afstandelijk alsof ze zich beter voelden. Bazig.’ En haar ouders? Haar eigen netwerk? Konden die helpen nu Zeki zo lastig was? ‘Mijn vader zei dat Zeki’s opstandige gedrag ook aan mij lag, maar dat wilde ik niet horen. Ik nam niets van ze aan.’ Met Zeki kon ze in die tijd geen enkel contact meer krijgen, dat maakte haar wanhopig: ‘Ik wilde mijn kind niet gaan mishandelen, ik besloot hulp te zoeken.’

Bij de Opvoedpoli kreeg ze meteen een gesprek met hulpverlener Frits, die op zijn beurt weer werd begeleid door een psychotherapeut, de hoofdbehandelaar, die eindverantwoordelijk was. Frits kwam bij Bureau Jeugdzorg vandaan, hij werkte daar bij de jeugdreclassering.

‘Zeki zei de eerste keer niets’, herinnert Frits zich. ‘Hij leek er weinig zin in te hebben. Toch was hij meegekomen en daar heb ik hem een compliment over gemaakt.’ Hij zag dat Zeki goed luisterde, alert was. ‘Moeder maakte geen contact met haar kind en hij was thuis de baas. Zij was op dat moment met haar huidige man in relatietherapie. Ik besefte dat ik niet alles van haar wist, maar dat vond ik ook niet nodig. Het probleem tussen haar en haar zoon moest worden opgelost. Zij was de stuurman, zei ik, en Zeki een van de passagiers. Die passagiers hebben inspraak, maar niet de leiding. Zij moest grenzen leren stellen.’

Frits zocht ze iedere twee weken thuis op. ‘Dat was handiger, anders moest ze met de jongste bij ons op kantoor komen’, legt hij uit. De ene keer sprak hij met moeder en de andere keer met Zeki, die inmiddels een sociale vaardigheidstraining volgde bij de Opvoedpoli. Volgens zijn moeder kwam dankzij de gesprekken met Frits de rust in het gezin terug. Zeki leerde minder snel boos te worden en het lukte haar om haar positie als moeder en autoriteit terug te winnen. ‘We hadden samen zo veel meegemaakt, hij is zo mijn vlees en bloed’, legt ze uit. ‘Het klinkt raar, maar ik voel me met hem het meest van iedereen verbonden. Ik had Zeki te vroeg te veel verantwoordelijkheid gegeven. Dankzij Frits, door wie ik me voortdurend serieus genomen voelde, heb ik mijn kind teruggekregen.’

Inmiddels is Zeki binnengekomen, een knappe jongen met een scherpe blik, hem ontgaat niets. Moeder beseft dat haar zoon op een dag zijn vader wil leren kennen, zegt ze als hij weer naar buiten is: ‘Nu is hij nog te jong en wil hij niets met hem te maken hebben. Als hij zijn vader op straat tegenkomt, kijkt hij de andere kant op en loopt gewoon door.’

Frits is nieuwsgierig en doortastend, hij ging ook mee naar de school van Zeki omdat mevrouw Arslan ontevreden over was over de manier waarop ze met Zeki omgingen. De steun van Frits kon ze goed gebruiken. ‘Een gevoel van gelijkwaardigheid is belangrijk voor cliënten’, zegt Frits. ‘Het was prettig dat deze moeder wilde leren. En bij de Opvoedpoli moet je er op af. Dat is juist het motto.’

Hulpverlenen doe je niet alleen tussen negen en vijf, vindt Frits. Maar er zijn collega’s die daar anders over denken: ‘Niet lang geleden was er een incident waarbij een dochter haar moeder met een mes bedreigde. Afschuwelijk. De Opvoedpoli was bij het gezin betrokken, dus wij er op af. De gezinsvoogd kwam ook. Die kondigde om vijf uur aan dat ze vertrok, ze moest haar kind ophalen. Terwijl er zo’n crisis is, dan regel je toch iets?’

Hulpverleners zouden wel wat kritischer tegenover elkaar en elkaars vak mogen staan, vindt Frits. Te weinig wordt de vraag gesteld: is wat we doen wel nuttig? Kan het met minder hulpverleners? Dat is geen onwil, weet hij, door de drukte van alledag komt het er gewoon niet van.

Niet te snel doorverwijzen

Het gebeurt ook dat kinderen waar eigenlijk weinig of niets mee aan de hand is door school als een probleemgeval worden gezien. Dat overkwam de dochter van een hoogleraar ouderenzorg en dementie. Haar dochtertje, lief en gevoelig, was niet gelukkig toen ze in de derde groep van de basisschool kwam. ‘Ze raakte haar onbevangenheid kwijt’, herinnert haar moeder zich. ‘Het klasgenootje dat haar moest helpen zich op haar gemak te voelen, had problemen thuis en deed vervelend. En haar vriendinnetje uit de kleutertijd keek plotseling niet meer naar haar om. Steun van de juf kreeg ze niet. Ze wilde niet meer naar school, ze had voortdurend buikpijn en sliep slecht. Doordat ze zich op school ongelukkig voelde, haalde ze slechte cijfers.’

De school problematiseerde de situatie, de juf had geen affiniteit met het meisje en zei dat er ‘veel aan de hand was’. De ouders voelden zich aangevallen en hadden niet het gevoel dat er naar een oplossing werd gezocht. Haar moeder vroeg telkens of haar dochter niet naar een andere klas kon, ze werd namelijk steeds vaker gepest en dat zag ze als een belangrijke oorzaak van de ellende. Maar de school wilde die stap niet zetten. Haar moeder twijfelde, wist de school het misschien toch ’t beste? vroeg ze zich af. Juffen en meesters zijn tenslotte de professionals.

De school wilde het meisje door de Opvoedpoli laten onderzoeken. Haar ouders waren inmiddels onzeker geworden en durfden geen nee te zeggen. Vanwege de wachtlijsten duurde het even voor ze aan de beurt waren. Vele testen en onderzoeken later bleek er niet veel met het kind aan de hand te zijn. Wel was duidelijk dat het meisje onder alle druk had geleden. Op advies van de Opvoedpoli kreeg ze een sociale vaardigheidstraining om wat meer zelfvertrouwen te krijgen en voerde ze een aantal individuele gesprekken met een psychologe, die haar goed deden.

Haar moeder vroeg de school opnieuw en nu dringender of haar dochter niet naar een andere klas kon en nu lukte het. Ze kwam bij een lieve, hartelijke juf. Wat haar moeder verwachtte gebeurde: het meisje bloeide vanaf de eerste dag op. Ze presteerde goed, kreeg vriendinnetjes en was vrolijk.

Waarom heeft school die stap niet meteen gezet? vraagt de moeder van het meisje zich nog steeds af. Haar dochter was dan zoveel ellende bespaard gebleven. Ze neemt het zichzelf kwalijk dat ze destijds niet resoluter is opgetreden. Deze ervaring leerde haar hoe cruciaal de relatie tussen de leerling en juf of meester is. ‘Waarom kun je niet hardop zeggen dat dat soms niet klikt?’ Iets simpels als een andere leerkracht, weet ze nu, doet soms wonderen.

De namen van de cliënten zijn vanwege hun ­privacy gefingeerd


Frisse blik

Over een paar jaar wordt de hulp aan jongeren niet langer door de provincie betaald maar door de gemeente. Dé kans om de hulpverlening overzichtelijker, effectiever en goedkoper te maken, dacht Lodewijk Asscher toen hij nog wethouder in Amsterdam was. Minder versnippering en meer hulp door familie en vrienden. Zoals het kabinet – waarvan Asscher nu vice-premier is – nu ook uitdraagt bij de zorg voor ouderen.

Om zicht te krijgen op dilemma’s die spelen vroeg Asscher mij verhalen te schrijven over de praktijk van alledag. Mijn opdracht kreeg de titel ‘Frisse blik’, de buitenstaander die naar binnen kijkt. Ik werd op pad gestuurd met vragen als: waar lopen hulpverleners tegenaan? Wat gaat er goed en waarom? Wat zou er beter kunnen? Ik sprak met tientallen hulpverleners, ambtenaren, ouders en kinderen. Ik was verbaasd over het grote aantal organisaties dat hulp aanbiedt en die ook nog eens onderling met elkaar concurreren. Hulpverlening is een enorme industrie.

De professionals spraken graag over hun werk, al voelden ze zich ook onbegrepen. Ze doen lastig werk en politici en ambtenaren snappen de weerbarstige praktijk onvoldoende, vinden ze. Een hulpverlener: ‘Er is nu eenmaal een groep cliënten die al generaties lang hulp nodig heeft om te over­leven. Een kwestie van pappen en nathouden en dat is al moeilijk genoeg.’

Hoe kies je als hulpverlener voor de beste aanpak? Wat is ervoor nodig om de hulp ‘dichtbij’ te houden? En moet je er niet voor uitkijken dat ook dat weer een mantra wordt?

Afgelopen januari werd het verslag van mijn ervaringen gepresenteerd in aanwezigheid van een groot aantal hulpverleners en van Pieter Hilhorst, de huidige wethouder, die ook een groot voorstander is van ‘ontzorgen’. Op deze pagina’s een selectie van mijn bevindingen.


Bezuinigingen in de jeugdzorg

Amsterdam schat de kosten van het huidige jeugdstelsel van de stad op circa 275 miljoen euro, waarvan nu ongeveer 85 miljoen euro vanuit de gemeentelijke begroting komt. De decentralisatie van de jeugdzorg gaat gepaard met oplopende bezuinigingen. Die van het eerste kabinet-Rutte beginnen in 2015 met 80 miljoen euro en lopen op tot 300 miljoen in 2017. Rutte II voegt daar nog eens 150 miljoen euro aan toe, oplopend van 40 miljoen in 2015 naar 150 miljoen in 2017. Samen is dat vijftien procent op het budget van de zorg voor de jeugd.

Er wordt niet alleen direct op de zorg voor de jeugd bezuinigd, maar ook ‘indirect’ via de bezuiniging op de AWBZ-functies begeleiding en verzorging. De korting start direct in 2015 met een omvang van 25 procent. Voor begeleiding van de Amsterdamse kinderen betekent dit een bezuiniging van 7,5 miljoen euro. Ook de gemeente moet bezuinigen op de eigen inzet voor de jeugd.

Volgens de huidige inzichten komt dit neer op een rijksbezuiniging van 34 miljoen euro voor het nieuwe jeugdstelsel in Amsterdam. Van de 275 miljoen euro blijft er dan dus 241 miljoen over. De grote onbekende is echter de wijze waarop het rijk de middelen gaat verdelen over de gemeenten. Hierover is nog geen besluit genomen. De bezuiniging kan – in het meest pessimistische scenario – voor Amsterdam oplopen tot een extra korting in 2017 van 36 miljoen euro of meer.


Foto: Marcel Antonisse / ANP