Het fijne pennetje van Pierre Audi

‘Ik heb niemand geïmiteerd en niemand heeft mij geïmiteerd’

Op 1 september loopt na dertig jaar dienst het contract af van Pierre Audi met De Nationale Opera. Maar Audi heeft als regisseur en artistiek leider nog vele internationale projecten op stapel staan. ‘Ik ben iemand die altijd op de grens van alle culturen is gaan zitten.’

Hij blijft in Nederland wonen, hij wordt misschien zelfs officieel Nederlander, toch werkt hij voortaan vooral in New York, waar hij artistiek directeur is van het Armory Art Centre, en in Aix-en-Provence, waar hij het zomerse operafestival leidt. Bijna verbaasd, heel rustig, verwoordt Pierre Audi het: ‘Nederland is een beetje thuis geworden.’ Toch wel? ‘Ja, natuurlijk. We blijven hier wonen. Maar ik ben iemand die altijd op de grens van alle culturen is gaan zitten.’

Pierre Audi bij het kunstwerk van Steve McQueen, Remember Me, 2016 © Judith Jockel / laif / HH

We zitten aan een grote tafel in de werkkamer beneden, in zijn huis aan de Keizersgracht. Stemmen van kleine kinderen klinken in de marmeren gang. Soms staat hij op om zijn huilende dochter te gaan troosten. De solitaire workaholic is schijnbaar een vriendelijke familievader geworden, gedeeltelijk althans. Nog altijd reist hij de wereld rond. De laatste twee jaar waren bijzonder slopend. Hij had drie banen tegelijk en af en toe deed hij er nog een zware operaregie bij, zoals onlangs Wagners Parsifal in München, die overigens niet onverdeeld positief werd ontvangen. Hij kijkt ernaar uit om het wat rustiger te krijgen, maar zijn tijd lijkt ook met het wegvallen van De Nationale Opera als grootste werkgever aardig gevuld. Met naast zijn twee banen ook nog de regie van de eerste opera van de Hongaarse componist György Kurtág, Fin de partie naar het beroemde toneelstuk van Samuel Beckett, eerst in het Scalatheater van Milaan, dan bij dno in Amsterdam. En vervolgens de mise-en-espace van het gigantische Stockhausen-project, delen van Aus Licht, op drie achtereenvolgende dagen in de Gashouder van de Westergasfabriek voor het Holland Festival van 2019.

Maar in elk geval, zegt hij, is hij nu niet meer z’n eigen opdrachtgever, zoals hij dat als regisseur was bij De Nationale Opera en bij het Holland Festival, toen hij dat ook leidde. ‘Dertig jaar bij dno en tien jaar bij het Holland Festival: opgeteld is dat veertig jaar in publieke dienst. Ik heb zoveel gedaan, nu moet ik meer in projecten gaan denken. Je moet eigenlijk alleen regisseren als dat nodig is.’

Pierre Audi werd in 1957 in Beiroet geboren en vluchtte in 1974 met zijn moeder naar Parijs. Van daar verhuisde hij naar Engeland en later naar Nederland. Zijn vader werkt tot op de dag van vandaag als bankier in Libanon. Onlangs ging het gezin Audi naar Beiroet, zodat zijn vader de kinderen kon leren kennen.

Audi zegt het ‘bizar’ te vinden dat niemand er in 1988 over viel dat hij als ‘dertigjarige allochtoon’ directeur werd van een prestigieus instituut als toen nog De Nederlandse Opera. ‘Het was helemaal geen onderwerp, het viel niemand op, er werd niet tegen geprotesteerd, er kwam geen commentaar. Nu wordt er gevraagd om meer diversiteit, dertig jaar geleden zei niemand daar iets over. Het is een paradox en het zegt iets over hoe ons werk is veranderd. Dat je zo jong bent en uit een andere cultuur komt, en dat er toen helemaal niets over werd gezegd, ik vind dat heel grappig.’

Of het niet ook een voordeel was om een volkomen outsider te zijn? ‘Natuurlijk komt dat ook door mijn biografie. Ik ben nu eenmaal in Libanon geboren en heb een bepaald traject afgelegd dat me naar Parijs en Londen bracht. Daardoor kon ik snel reageren op veranderingen, anders was ik misschien minder alert geweest. Nee, Nederland lijkt in geen enkel opzicht op Libanon. Op de eerste plaats is Nederland een calvinistisch land, ook de katholieken en de joden zijn hier calvinistisch. Maar er woont blijkbaar, en dat wist ik niet, een calvinistische Pierre in mij.’

‘Nederland is een calvinistisch land. Maar er woont blijkbaar, en dat wist ik niet, een calvinistische Pierre in mij’

Inderdaad zou je de soberheid van zijn regies enigszins calvinistisch kunnen noemen. Maar Audi maakt de indruk bereid te zijn van anderen te leren. ‘Ja, ik ben een autodidact. Maar ik vind het belangrijk naar je voorgangers te kijken. Dat was ooit Jan van Vlijmen bij de Opera, toen Ivo van Hove bij het Holland Festival, nu Bernard Foccroulle bij het festival van Aix. Bij het Almeyda Theater in Londen had ik geen voorganger, want dat heb ik zelf opgezet.’

In New York werd hij drie jaar geleden binnengehaald als een belangrijk man en een opvallende figuur in de culturele wereld, iemand met de ‘wacht-maar-eens-even-af-glimlach’ van een tovenaar. Die geheimzinnige glimlach en dat intrigerende zwijgen, daar maakte hij ook in Amsterdam furore mee, vanaf zijn benoeming bij dno. Maar ook gedurende zijn tijd bij het Holland Festival. De combinatie werkte uitstekend. Hij kon op het Holland Festival regisseurs uitnodigen die daarna bij de Opera gingen werken. Niemand maakte er ooit bezwaar tegen dat hij zijn eigen opdrachtgever was, als hij opera’s op het Festival regisseerde – of ‘in-de-ruimte-plaatste’, zoals hij zelf een enscenering noemt waarbij er geen of nauwelijks decors zijn en alleen de zangers op een zinvolle manier bewegen in een lege ruimte.

Audi was als regisseur vooral een meester in het weglaten, ‘reduceren’ noemt hij dat. Een groot deel van zijn werk bestond eruit zangers te leren dingen niet te doen. Als leider van de Opera was hij er daarentegen juist een meester in meer te laten zien. Hij gaf regisseurs met veel uitgesprokener opvattingen dan hij had, zoals Willy Decker of Peter Sellars, alle ruimte. Audi: ‘Ja, ik vind het leuk om naar een andere complexiteit en een andere logica te kijken. Zelf ben ik voorzichtig met interpretaties. Dat is een enorm ding in Duitsland, daar willen ze dat niet accepteren. Voor Wagners Parsifal in München ben ik gevraagd om te fungeren als zo’n ding dat je op het dak hebt staan, hoe heet dat in het Nederlands, o ja, een bliksemafleider. Zodat alle kritiek naar mij toe kon komen. De zangers waren supersterren, die konden ze niet bekritiseren. De decorontwerper was de beroemde Duitse kunstenaar Georg Baselitz – eigenlijk was ik als regisseur gevraagd omdat ik veel met beeldend kunstenaars had gewerkt, en ook al eerder met Baselitz. De Duitse critici zochten naar een geheide interpretatie, maar het was met een heel fijn pennetje gedaan, heel delicaat en subtiel, het verhaal werd teruggebracht tot het scheppingsverhaal uit de bijbel. In Nederland zou dat door sommige critici beter zijn geapprecieerd.’

Door Audi en door de regisseurs die hij kansen gaf hebben we op een andere manier naar opera leren kijken. Van de sobere, zuiver menselijke Monteverdi’s waar Audi zelf mee begon, tot aan de geweldige Ring-cyclus van Wagner. Daarbij heeft hij, zoals hij zelf zegt, ‘de problemen van onze zaal gebruikt als voordelen’. De ouderwets vormgegeven zaal werd en rond bespeeld, het orkest zat op het toneel, het succes was grandioos, honderdvijftigduizend mensen hebben deze monsterproductie gezien. Ook de Gurre-Lieder van Schönberg, een stuk met een enorm orkest en gigantische koren, wist hij in zijn enscenering – de eerste ter wereld – tot menselijke proporties terug te brengen.

Pas aan het einde van zijn directeurschap kwam het Opera Forward Festival van de grond, een grillige combinatie van verschillende vernieuwende initiatieven, verrassende voorstellingen en kansen voor jonge talenten. Soms is er een lange adem nodig. De Operastudio voor jonge zangers gaat pas op 1 september van dit jaar van start, de dag dat Audi afscheid neemt. Audi vertelt dat hij, mede doordat hij nu zelf kinderen heeft, overdracht aan jongere generaties belangrijker is gaan vinden. Volgend jaar krijgen jonge regietalenten als Lotte de Beer en Floris Visser grote kansen bij dno. Audi is er niet op uit ze te beïnvloeden: ‘Kijk, ik heb zelf niemand geïmiteerd en niemand heeft mij geïmiteerd. Ze zijn bezig hun eigen stem vinden. Ze moeten veel voorstellingen kunnen regisseren voordat je hun handtekening kunt herkennen en zien wat het precies is. Daar hebben ze zeker een periode van vijf jaar voor nodig.’

In het komende off-programma is onder meer een nieuwe regie van Audi te zien. Het gaat om Fin de partie van György Kurtág, die op zijn 91ste debuteert als operacomponist. De opera gaat eerst op 15 november in première in het beroemde Scalatheater in Milaan. Audi weet niet hoe in dat traditionele bolwerk een moderne tekst als die van Beckett zal vallen en wat men in Italië kan met de muziek van Kurtág. ‘Voor mij is het ook symbolisch. Toen ik in 1988 begon bij dno was een van de eerste dingen die ik moest regelen een vervanging voor de opdracht aan Kurtág om een opera te schrijven, die hij had teruggegeven. Dat is toen Life with an Idiot van Schnittke geworden. Dat pakte heel goed uit. Nu heeft Kurtág alsnog die opera geschreven en in augustus repeteren we in Amsterdam, want het is een coproductie van Amsterdam en Milaan.’

‘Wat ik kan doen, is een stem geven aan kunstenaars die het hebben over de noodzaak van hoop’

Jarenlange voorbereiding ook vergde een gigantisch project, een selectie van scènes uit Aus Licht van Karlheinz Stockhausen: zijn epos over het universum als een menselijke schepping dat eigenlijk zeven dagen omvat, maar in het Holland Festival van 2019 over drie avonden wordt verdeeld. Audi doet de regie, maar noemt het een ‘mise-en-espace’. Er zijn al veelbelovende stukken van uitgevoerd. Audi: ‘Het is mijn laatste grote Nederlandse project. Het kan ook alleen maar in Nederland, dankzij de geschiedenis van de relatie tussen Stockhausen en het Koninklijk Conservatorium Den Haag. De jonge mensen worden daar getraind en de uitvoering vindt plaats in de Gashouder – een heel mooie plek voor muziek, ik heb er al Vivier, Monteverdi en Wolfgang Rihm gedaan.’

Opera is langetermijnplanning. Audi laat als hij weggaat twee complete seizoenen achter als erfenis voor zijn opvolger Sophie de Lint, die onder meer directeur was van de Opera Zürich. Natuurlijk zullen er in overleg nog aanpassingen kunnen plaatsvinden, maar in principe kan zij pas over twee jaar met een door haar samengesteld seizoen voor de dag komen, in 2020/21.

Intussen werkt Audi nu drie jaar als artistiek directeur en programmeur bij het Park Avenue Armory Art Centre. Het is een oude legerclub, die altijd al een culturele dimensie had (de eerste Wagners in Amerika werden daar uitgevoerd), maar sinds tien jaar is het een volwaardig kunstcentrum dat aan theater, muziektheater, dans en beeldende kunst doet. Audi ziet het als een voortzetting van zijn werk bij het Holland Festival en is blij dat hij op de hoogte moet blijven van wat er op al die gebieden in de wereld gebeurt.

‘Natuurlijk moet je in New York met al z’n diversiteit reflecteren op de stad, het is ook interessant voor mij om te zien hoe dat werkt. Zo brachten wij een community installation van Nick Cave, een zwarte kunstenaar, die er een heel divers project van heeft gemaakt. De voorstelling die Peter Sellars regisseerde met straatdansers was er ook te zien. Maar we brengen ook belangrijke voorstellingen uit Europa, van Ariane Mnouchkine en het Théâtre du Soleil uit Parijs, Lorca’s Yerma van Simon Stone uit Londen, muziek van Kaija Saariaho en Pierre Boulez. Van Les damnés, naar de film van Visconti, dat Ivo van Hove met veel succes regisseerde bij de Comédie Française werden zelfs tien voorstellingen gespeeld, in het Frans nog wel. Maar Ivo heeft al z’n eigen publiek in New York.’

Het zijn maar zes producties per jaar, maar Audi vindt het interessant werk, dynamisch, en hij kan zijn research naar wat interessant is, nu, voortzetten. ‘Het gaat vooral om coproducties, zoals The Head & the Load over Afrikaanse soldaten in de Eerste Wereldoorlog, een voorstelling van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge die onlangs in Londen in première ging. Die komt in december naar New York en zal op het Holland Festival van 2019 ook in Nederland te zien zijn. Je ziet, er blijven indirecte banden bestaan.’

Zijn werk in Aix-en-Provence moet nog beginnen, maar het programma van 2019 staat al vast. Aix is een operafestival van drieënhalve week in de zomer, met vijf nieuwe producties. Het festival krijgt niet veel subsidie; veel van zijn tijd zal gaan zitten in het aantrekken van sponsors en politiek lobbyen, niet de leukste kant van het werk. Volgend jaar komt Romeo Castellucci, die ensceneert het Requiem van Mozart; de Franse regisseur Christophe Honoré (van de film Plaire, aimer et courir vite) regisseert Puccini’s Tosca. Dat lijkt geen gewaagde keuze, maar Puccini is in Aix nog nooit gedaan. Van Hove doet Der Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny van Brecht en Weill, en Van Hove associeer je niet meteen met Brecht. En Jakob Lenz van de moderne Duitse componist Wolfgang Rihm wordt geregisseerd door de Oostenrijkse Andrea Breth. Dat is toevallig ook de allereerste opera die Audi zelf regisseerde, nog in Londen.

Een heel nieuw werk dat in Aix in première gaat is The Sleeping Thousand van de jonge Israëlische componist Adam Maor. De tekst is van Yonatan Levy die ook de regie doet. Het zal voorlopig alleen in Aix te zien zijn. Audi noemt het een interessante poging om een stem vanuit Israël te horen van een intellectuele groep mensen: ‘Er komen geen Palestijnen in voor, het is meer een poëtisch sciencefictionverhaal, maar toch is het een politiek stuk.’

Het gaat niet goed in het Midden-Oosten, zijn geboortegrond, na wat eens als de Arabische Lente bekend stond: ‘Het hele gebied is nu zo geblokkeerd, door de oorlog in Syrië, de invloed van Iran, de situatie in Israël, het niet doorgaan van de tweestatenoplossing. En die blokkade heeft een directe invloed op Europa. Het is niet erg hoopvol, maar wel heel interessant. Mijn enige oplossing is een beetje hoop te vinden met kunstenaars. Geen activisme, maar reflectie. Wat ik kan doen, is een stem geven aan kunstenaars die het hebben over de noodzaak van hoop, de noodzaak van een dialoog. Als de politici niets willen, kan de stem van een kunstenaar misschien helpen.’