Interview Ineke Houtman

«Ik heb niet alleen maar kinderen voor ogen»

Ineke Houtman regisseerde ‹Polleke›, een grappige, ontroerende, heftige, uit het grotestadsleven gegrepen, eigentijdse film naar de boeken van Guus Kuijer. «Kinderen hebben een echtheid die acteurs eigenlijk niet kunnen evenaren.»

Wie tegenwoordig met kinderen naar de bioscoop wil, is niet langer uitsluitend aangewezen op Walt Disney, maar heeft ook keus uit films van eigen bodem. In ongeveer vijf jaar tijd zijn Abeltje en Minoes, Kruimeltje, Pietje Bell en de Friese schippers van de Kameleon allemaal als filmheld hun papieren status ontstegen. En dan hebben we het nog niet gehad over Pipo, Kees de jongen of zuster Klivia. «Familiefilms» heten ze bij de marketingjongens. Met opa en oma en met vader en moeder naar de bios is immers gezellig en het blijkt de bezoekcijfers tot ongekende hoogten op te stuwen.

Bij de meeste van deze succesnummers moet het publiek wel eerst even in de tijdmachine, volle kracht achteruit. Nederland ziet er namelijk uit als een net aangeveegd Openluchtmuseum, waar blonde belhamels kattenkwaad uithalen en de normen en waarden worden gehandhaafd door de diender op zijn rijwiel. Ergens in die nostalgische golven ligt een klein eiland van eigentijdsheid. De film heet Polleke en is gemaakt door Ineke Houtman. Hij is grappig, ontroerend en heftig en uit het grotestadsleven gegrepen.

Polleke leidt een ingewikkeld bestaan. Haar vader noemt zichzelf een dichter, maar is voornamelijk aan de drugs. Hij woont op vage plekken en moeder vindt troost bij de meester van Pollekes klas, wat voor een elfjarige dochter te gênant voor woorden is. Polleke zelf is verliefd op Mimoen. Als ze in zijn zwarte ogen kijkt, wordt ze helemaal «wiebel», maar de Marokkaanse familie verbiedt de omgang.

Het scenario is gebaseerd op de gelijknamige boeken van Guus Kuijer, een schrijver die Ineke Houtman bewondert omdat hij zo ongelooflijk goed de gedachtewereld van een kind kan neerzetten. Ze kwam met Kuijer in aanraking toen de VPRO haar tien jaar geleden vroeg zijn Madelief-boeken te verfilmen. Het omvangrijke project werd gespreid over jaren, omdat Madelief per boek ouder wordt. Het filmkind moest dus — net als de kijkers — met haar meegroeien. In 1997 volgde nog een veelvuldig bekroonde speelfilm, gebaseerd op Krassen in het tafelblad, waarin Madelief op zoek gaat naar het geheim van haar overleden oma. De mooie rol van Rijk de Gooijer als opa was goed voor een Gouden Kalf.

Ineke Houtman (1956) begon bij de VPRO toen Burny Bos er in het midden van de jaren tachtig zijn sprankelende jeugdafdeling opzette. Ze maakte er Nieuwe Maatjes, een documentair programma over buitenlandse kinderen in Nederland en het geestige Max Laadvermogen, met Midas Dekkers en René Groothof. Ze verfilmde Frank Groothofs bewerking van de opera Idomeneo en tekende voor de hilarische serie De freules.

Ineke Houtman: «Bij de VPRO had ik voor het eerst een kinderpubliek. Daar was ik me van bewust, maar ik ging zeker niet op mijn knieën liggen. Ik heb het ook niet graag over kinderfilm. Je gebruikt dezelfde principes als in een film voor volwassenen, maar toch wordt er vaak met een soort van dédain over gesproken, en dat steekt me. Ik heb niet alleen maar kinderen voor ogen, voor ouderen zitten er altijd ook lagen in mijn films. Ik werk vanuit het perspectief van de karakters, dus dan komt dat er vanzelf in. Van een dertiger zie je wat die persoon bezighoudt, maar dan wel door de ogen van een kind.»

Houtman beaamt dat «kijken door de ogen van een kind» niet vanzelfsprekend is voor een volwassene, maar ze heeft hulp: «De belangrijkste rollen worden vertolkt door een kind. Aanvankelijk teerde ik meer op mijn eigen herinneringen, maar nu ik zelf een kind van negen heb, zie ik wat ze meemaakt en wat belangrijk voor haar is. Sommige dingen worden tegenwoordig echt anders beleefd. Zelf was ik ontzettend schijterig om te laten merken dat ik iemand leuk vond. Het verbaast mij hoe mijn dochter voor haar gevoelens uitkomt. Kinderen maken op het gebied van relaties ook veel meer mee, omdat ouders meer laten zien. Mijn ouders vochten hun ruzies uit in de slaapkamer en tegenover ons toonden zij één gezicht. Daardoor had je nooit het gevoel dat er iets aan de hand was in die wereld van de volwassenen.»

Dat Ineke Houtman films zou gaan maken, lag niet voor de hand: «We kregen thuis pas televisie toen ik een jaar of dertien was. Televisie vonden mijn ouders denk ik een beetje ordinair. Lezen, dat was goed voor je. Mijn vader was hoogleraar aan de Technische Hogeschool in Delft. Op een gegeven moment was de Fabeltjeskrant geweldig populair en werd er kennelijk tijdens verga deringen onder professoren in Fabeltjeskrant-taal gesproken, wat geheel aan mijn vader voorbij ging. Toen moest hij een televisie hebben en mochten wij ook.

Ik was dus een lezer, vanaf mijn zevende zo’n vijf boeken per week. Natuurbeschrijvingen sloeg ik over, maar de psychologie en wat er gebeurde tussen mensen vond ik heel interessant. Ik studeerde een paar jaar Nederlands en wilde daarna theaterwetenschap doen om regisseur of dramaturg te worden. Tijdens mijn studie deed ik de catering voor de eindexamenfilm van een vriend: midden in de nacht op een Amsterdamse gracht, waar Wim van der Grijn speelde met Pamela Koevoets. Ik ging er helemaal in op en dacht: dit is het! Je kunt een verhaal dus precies maken zoals je het zelf voor je ziet.

Bovendien sprak de sfeer op zo’n set me erg aan. Eerst heb je geen idee wat al die mensen lopen te doen, maar dan komt er toch een moment dat alle neuzen in dezelfde richting staan. Film is een soort optelsom van meerwaarden en dus draait het om het bij elkaar zoeken van je team. Ik heb uiteindelijk het laatste woord, maar al die mensen moeten het verhaal heel goed aanvoelen en vanuit hun discipline met mij meedenken. Het is een chaos waar ik wel van hou, vooral omdat het zich uiteindelijk allemaal ordent naar één ding toe. Soms is het moeilijk om aan het werk te komen, maar als je eenmaal begint, zit je in een trein die doordendert tot de eind bestemming, zonder dat je tijd hebt om zelfs maar uit het raam te kijken.»

Toen ze zich in 1978 aanmeldde voor de Filmacademie had Ineke Houtman nog nooit een filmcamera vastgehouden, maar ze was inmiddels wel bezig met beeld. Houtman: «Het toelatingsexamen heb ik gehaald met een zelfgemaakte eikenhouten doos, met daarin een diaserie. De doos was om te bewijzen dat ik creatief was en de dia’s waren opnamen van een Amsterdamse gracht, waar ik elke dag op hetzelfde tijdstip een foto maakte vanaf hetzelfde standpunt. Het begon in de winter en eindigde ergens in april. Je zag het licht en de kleren van de mensen veranderen, de bomen uitlopen. Ik had gehoord dat de eisen ontzettend hoog waren en dat het educatieve filmen goed lag. Daar was weinig belangstelling voor, want een beroemd regisseur word je er niet snel mee. Ik werd dus meteen aangenomen.»

Haar stagejaar verdeelde Houtman tussen het Polygoon-Journaal en de film Spetters van Paul Verhoeven, waar ze tweede camera-assistent was. Houtman: «Ik vond Soldaat van Oranje en Turks fruit prachtig gemaakte films. Turks fruit was echt een moderne film die iets liet zien over die tijd. En Paul was natuurlijk de man van Floris! Ik bewonderde zijn manier van werken: geen lange acteursgerichte shots, maar hij vertelde door de wijze waarop hij zijn beelden sneed. Een van de spannendste dingen is de taal van een film. Een thriller vertel je in andere beelden dan een verhaal met documentaire kanten. Ik wil mij graag oefenen in allerlei genres. Daarom was het ook prettig om zo lang met Madelief bezig te zijn. In het begin waren dat filmpjes over een meisje van zes, waarin haar fantasiewereld nog heel belangrijk was, en later schuift die wereld op naar de realiteit. Zo kon ik mij verdiepen in verschillende stijlen.»

Het vinden van de kinderacteurs is een hele klus. Madelief bijvoorbeeld was de een na laatste die Houtman zag van de tachtig kinderen die reageerden op een advertentie: «Toen ze binnenkwam, zei ze: ik ben Madelief, want zo heette ze ook. Zij was de eerste van wie ik echt geloofde dat zij Madelief was. Als jij Madelief en Polleke op elkaar vindt lijken, dan ligt dat om te beginnen aan het werk van de schrijver. Er zit eenzelfde soort geest van stevigheid en onbevangenheid in die meisjes, en die moet je kunnen zien.

Het is voornamelijk typecasten. Een kind moet van zichzelf iets meebrengen dat een ander niet zou kunnen geven aan de inhoud. Het is een geweldige uitdaging om uit ze te krijgen wat de film nodig heeft. Ze leren geen tekst van buiten. Ik neem het script één keer met ze door en dan houd ik nog wat dingen achter, als verrassing. Ik repeteer niet zo veel, soms alleen wat om een scène heen.

De professionele acteurs moeten heel naturel zijn van speelstijl, omdat kinderen een echtheid hebben die acteurs eigenlijk niet kunnen evenaren. Ik vraag of ze willen helpen om de kinderen goed te laten spelen en dan geven ze vaak ontzettend veel in een take, waarin ze zelf niet te zien zijn. Als er iets dramatisch gebeurt, filmen we eerst het kind, zodat die reactie vers is. Met volwassen acteurs werk je nooit zo. Halina Reyn was er soms jaloers op: op de set komen zonder ergens van te weten, zien wat er om je heen gebeurt en reageren op je eerste gevoel.»

Polleke is niet het prototype van een aanvallig filmkind. Ze is eerder een beetje stug, Hollands blond en met de voeten stevig op de grond. Ineke Houtman: «Polleke moest een soort baken zijn, voor de scheepjes op de woelige zee om haar heen. Al die volwassenen zwalken heen en weer, maar zij blijft degene die constant is, waardoor uiteindelijk de dingen toch goed komen. Dat is voor kinderen natuurlijk prettig om te zien. Polleke gaat over geloof, hoop en liefde. Dat realiseerde ik me door Lars von Triers Breaking the Waves, waarin een vrouw zich steeds meer opoffert. Zij is voortdurend met God in gesprek, en dat is Polleke niet. Die roept zelfs dat ze ‹niets is van haar geloof›, maar eigenlijk is ze veel geloviger dan alle volwassenen in mijn film die zo druk zijn met religie. Ze heeft echt het geloof van een kind, namelijk dat alles goed komt. Zelf zou ik dat ook wel willen hebben, want ik vind de wereld heftig en vaak erg negatief.

Dat onderzoek bijvoorbeeld naar het succes van de integratie, dat steekt me. Verschijnt zo’n rapport, dat wordt nauwelijks afgewacht en iedereen vindt al weer dat het niet deugt. We zouden toch ook eens een keer naar de verworvenheden kunnen kijken. Door de film ben ik met veel Marokkanen in aanraking gekomen. De zus van de hoofdrolspeler is accountant en die vraagt zich af waar iedereen het toch over heeft. Ze drinkt en rookt niet en gelooft in God. Maar ze is ook gewoon een modern meisje. Al dat geduw in hokjes en iedereen die er maar een oppervlakkige mening over heeft. Het is mode geworden om de emotie tot toppunt te verheffen in het leven. Ik denk niet dat het samenleven van culturen makkelijk is en er zijn mensen die vreselijke dingen meemaken, maar het moet toch kunnen. Er moet vooral anders naar gekeken worden. De Marokkanen die in de film spelen, zijn helemaal vóór Pollekes verhaal. Ik denk dat zij ook die liefde tussen twee kinderen als positief ervaren. Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen, daarvan willen we toch eigenlijk geen van allen dat het waar is.»

Polleke begint met: «Er was eens…» — het sprookje van de Schepping. In het duister duikt één verlicht raam op: de verhaalfiguren worden als het ware geschapen doordat er licht op valt. Houtman vertelt dat ze de kinderbijbel vroeger heeft stukgelezen, vooral de bloederigste episoden: «Ik lees ze ook weer voor aan mijn dochter, omdat het belangrijke verhalen zijn die onze cultuur mede bepalen. De bijbel en de sprookjes die ik allemaal verslond, stonden op gelijk niveau. Voor mij was het één grote mengelwereld van fantasie en geloof, en al die verhalen konden ook best eens waar zijn. Op een gegeven moment ben ik mijn kat gaan kussen. Ik wilde weten of God bestond en dus had ik hem gevraagd of hij mijn poes in een prins wilde veranderen. Dat gebeurde niet en later was ik er ook niet rouwig om, want het was een gecastreerde kater!

Toen vond ik het al een beetje belazerij, en toen mijn broertje verongelukte, had ik het helemaal gehad. Ik begon de onbarmhartigheid van die God te zien en werd boos op hem. Een mens moet het maar in z’n eentje doen en zit om zichzelf heen te wurmen en te navelstaren, dus is het prettig dat daar iets boven staat, wat jou zegt dat het goed is. Die kosmische gedachte dat je in iets groots wilt opgaan, dat snap ik wel en ook de rituelen, maar het geloof in een God met een baard, die de mensen vertelt dat ze zelf geen verantwoordelijkheid hoeven te dragen, hoort niet meer bij mij.»

De vraag waarom Ineke Houtman graag met kinderen werkt en verhalen over kinderen maakt, levert een onmiddellijk antwoord: «Het is de onschuld. De blik van iemand die iets voor het eerst meemaakt. Dat is een pure beleving die ik heel mooi vind. Als volwassene heb je vaak al zo veel overtuigingen en vooroordelen aangenomen. Het is bijzonder als iemand totaal open kijkt naar wat iets eigenlijk is, in plaats van te zeggen: dit is dit en dat vind ik ervan.

Een beperking van het filmen voor kinderen is dat ik bepaalde negatieve dingen niet wil laten zien, omdat ik niet kan uitleggen hoe het in elkaar zit. Vaak vinden wij trouwens iets moeilijk terwijl kinderen dat helemaal niet zo zien. In Polleke zit een scène waarin je de vader ziet afkicken. We hebben er lang over gepraat of die er wel in kon, maar we wilden laten zien dat vader écht een offer brengt voor zijn kind en dus moest het. Een junk als vader is heftig, maar als geheel is de film heel positief. Iedereen houdt van Polleke. Mijn dochter vond het ook helemaal niet heavy, maar wel behoorlijk ernstig dat Polleke aan haar vader vraagt of hij zijn hele leven een waardeloze zak wil blijven. Zak tegen je vader zeggen, dat is pas erg.»

Polleke draait in het Ketelhuis in Amsterdam. Half maart komen video en dvd in de verhuur, eind april in de verkoop. Over «the making of Polleke» schreef Bibi Dumon Tak Camera loopt… Actie! (Querido, € 14,95)