Literatuur - Jenny Erpenbeck brengt asielzoekers emotioneel dichterbij

‘Ik heb nou wel genoeg over mijn familie geschreven’

De Europese Literatuurprijs gaat dit jaar naar de Duitse schrijfster Jenny Erpenbeck voor Een handvol sneeuw, een roman tegen de achtergrond van de omwentelingen in het Europa van de twintigste eeuw. Een gesprek over haar volgende boek, over Afrikaanse vluchtelingen in Europa.

‘Nee, ik ben niet gaan zitten met de gedachte: laat ik nu eens een Europees boek schrijven. Ik wilde een boek over de dood schrijven. Nadenken over wat er verloren gaat met het einde van het leven. Het werd een boek over iemand die vijf keer sterft. In Galicië als baby. Dan in Wenen, in Berlijn, in Moskou. In de Eerste Wereldoorlog, in de Tweede, tijdens de Koude Oorlog, na de val van de Muur. Ja, toen was het toch een boek over Europa.’

De recensent die Jenny Erpenbecks Een handvol sneeuw in De Groene besprak, ergerde zich aan de opeenstapeling van heftige en zwaarmoedige episoden in de roman. ‘Maar zo was nu eenmaal de Europese geschiedenis van de vorige eeuw’, zegt Erpenbeck laconiek. En zo was het leven van Erpenbecks grootmoeder, de in de ddr wereldberoemde schrijfster Hedda Zinner, die model stond voor de hoofdpersoon in de roman.

Zinner werd door haar joodse ouders op hun vlucht voor pogroms uit Galicië naar Wenen meegenomen. In het interbellum ontwikkelde ze zich tot antifasciste en communiste. In Moskou maakte ze Stalins zuiveringen mee. Terug in de ddr werd ze een populair schrijfster, die na de val van de Muur meteen in de vergetelheid raakte. Verbitterd en verward stierf ze in een verzorgingstehuis. In Erpenbecks roman is dat de vijfde, definitieve dood.

Vijf keer laat Erpenbeck in Een handvol sneeuw haar grootmoeder haar land en haar leven verliezen. Galicië, Oostenrijk, de Weimar-republiek, de Sovjet-Unie, de ddr. Erpenbeck heeft zelf maar één keer haar land verloren, toen de Muur viel, een gebeurtenis die op allerlei manieren in haar werk terugkeert. Heel uitdrukkelijk in Huishouden, over het vakantiehuis van haar grootmoeder dat in het herenigde Duitsland toeviel aan de oorspronkelijke eigenaars.

Politieke en maatschappelijke wendingen die het leven ingrijpend veranderen, fascineren Erpenbeck. ‘Ik denk dat als ik in het Westen geboren was, als ik niet de Wende had meegemaakt, als ik niet het land had verloren waarin ik ben opgegroeid, dat ik dan geen schrijver zou zijn geworden. Het heeft me tot nadenken gestemd. Over de tijd die een mens bemeten is, over dood en verlies.

Die thematiek van een verloren verleden is ook wat me zo fascineert aan de mannen die in mijn nieuwe boek de hoofdrol spelen. Afrikaanse vluchtelingen die huis en haard hebben verlaten, hebben moeten verlaten, en die uiteindelijk in Berlijn zijn gestrand. Een stad waar alles anders is dan waar ze vandaan komen en waar het hun onmogelijk wordt gemaakt een normaal leven te leiden, te werken, een gezin te stichten, al die dingen die ze zo graag willen.’

Medium hh 46981777

In Berlijn hebben vorig jaar een stuk of honderdvijftig vluchtelingen, veelal uit Afrika, op de Oranienplatz in Kreuzberg een tentenkamp opgezet. Uit protest tegen de restrictieve regels die in Duitsland voor asielzoekers gelden. Ze mogen de regio waar ze zijn ondergebracht niet verlaten, ze mogen niet werken, ze moeten door eindeloos lange procedures om een of andere verblijfstitel te krijgen.

Erpenbeck is op hen af gestapt. ‘Dat was niet makkelijk, zomaar binnenstappen en zeggen: hallo, ik wil een boek over jullie schrijven, ik wil jullie verhalen horen. In het begin kon ik dat Engels van hen helemaal niet verstaan. En zij begrepen ook niet zo goed wat ik wilde. Ze waren journalisten gewend die één, hooguit twee keer langskwamen. Maar ik wilde ze volgen, met hen mee naar advocaten, dokters, ambtenaren, en ik wilde hen rustig laten vertellen.’

Het boek heet Gehen, ging, gegangen en komt volgende maand uit. De titel verwijst naar de Duitse taalcursussen die de circa tien hoofdpersonen van het boek volgen. Maar hij verwijst ook naar hun verplaatsingen. ‘Ze zijn uit West-Afrikaanse landen als Nigeria, Ghana en Burkina Faso naar Libië gegaan, gevlucht zeg maar, nadat ze in hun eigen land vreselijke dingen hadden meegemaakt. Al die bloedige conflicten tussen moslims en christenen.’

Toen ze eenmaal als gastarbeider in Libië waren, brak daar in 2010 de oorlog uit. Europese landen probeerden dictator Kadhafi weg te bombarderen. Erpenbeck: ‘Kadhafi’s antwoord was: “We will bomb them with blacks!” Hij liet zijn leger de zwarte Afrikanen op boten zetten richting Italië. Maar ook de milities die tegen Kadhafi vochten, dreven de zwarten in Tripoli wijk voor wijk bijeen en dwongen hen de zee op te gaan. Dat waren puur racistische acties.’

Trauma stapelde zich op trauma bij de vluchtelingen: ‘Eerst in hun land van oorsprong, waar ze moesten toezien hoe hun familie werd vermoord en hun huizen werden afgebrand, toen in Libië, waar ze slachtoffer werden van de machtsstrijd. Daarna op de boot naar Italië, een reis waarop ze meemaakten hoe familie en vrienden verdronken. En ten slotte hun uitzichtloze zoektocht naar een normaal bestaan in Europa, in Berlijn.’

‘Als je met vluchtelingen boodschappen doet bij Lidl besef je ineens hoe vreemd het er daar aan toe gaat’

Hoe giet je dat in een literaire vorm? ‘De hoofdpersoon van mijn verhaal is pas in de loop van het schrijven ontstaan. Tot mijn eigen verrassing werd het een man, iemand, jawel, met een ddr-verleden, een gepensioneerde hoogleraar in de filologie. Hij heeft zelfs een naam, wat ongebruikelijk is voor mijn boeken, Richard heet hij. Op een tamelijk onbevangen manier komt hij met die mannen op de Oranienplatz in aanraking, net als ik.’

Het valt niet zo op in de boeken van Erpenbeck, maar vrijwel al haar verhalen hebben een sterk autobiografische inslag. Tot nu toe berustten ze vooral op verhalen die in haar familiegeschiedenis wortelen. Zelfs de wonderlijke novelle waarmee ze literair doorbrak, Het verhaal van het oude kind, berust op een waar gebeurde geschiedenis die haar grootmoeder is overkomen. Die ontfermde zich ooit over een merkwaardig meisje van veertien uit een tehuis.

In de novelle beschrijft Erpenbeck op poëtische wijze de belevingswereld van het stille kind, haar vreemdheid, haar onhandigheid. Totdat blijkt dat het om een verwarde jonge vrouw van in de dertig gaat. ‘Zo was het in het echt ook. Een jonge vrouw in een tehuis schreef fanmail naar mijn grootmoeder, de schrijfster. Ze deed alsof ze veertien was. Mijn grootmoeder werd heel boos toen het bedrog uitkwam. Ze gaf de brieven aan mij. Ik vond ze fascinerend.’

De gewone wereld als vreemd ervaren, dat is wat Erpenbeck in haar werk probeert na te voelen en na te tekenen. Ook in haar nieuwste boek, over de Afrikaanse vluchtelingen. ‘Alleen al als je met hen boodschappen doet bij Lidl besef je ineens hoe vreemd het er daar aan toe gaat. De alledaagse dingen verliezen hun vanzelfsprekendheid. Iemand die de ddr heeft meegemaakt, kent dat, die heeft zich al eens aan een nieuwe wereld moeten aanpassen.

Na de val van de Muur hebben we veel dingen opnieuw moeten leren. We kwamen terecht in een land dat we niet kenden. Andere zeden en gewoonten, andere spullen in de winkels, andere bureaucratie, neem alleen al die belastingaangiften. Daarom is er een zekere nabijheid tot mensen voor wie alles vreemd is. En zo kwam ik op de hoofdpersoon, Richard, de ddr-professor die zich nog altijd over de toestanden in het verenigde Duitsland verwondert.’

Die kunst van het verwonderen ontplooit Erpenbeck bij uitstek als het om de asielzoekers gaat. ‘We weten niets van ze. Waar ze vandaan komen, waarom ze hier zijn. Ik heb me tot taak gesteld, tot literaire taak, om die mensen dichterbij te brengen. Niet op een journalistieke manier, niet met verhandelingen over de politieke en historische achtergronden. Ik doe wat literatuur vermag: mensen emotioneel dichterbij brengen.’

Voor Erpenbeck ging het niet in de eerste plaats om de verhalen van de asielzoekers. ‘Het ging me er veeleer om te begrijpen hoe ze naar hun verleden kijken en naar hun heden in dat vreemde Berlijn. Empathie, ja. Toen ik wist dat ze hun onderkomen moesten verlaten, sliep ik ineens slecht en raakte ik in paniek over waar ze nu heen moesten. Je kunt wel denken: ze vinden wel wat, maar als het om die ene Ibrahim gaat die met zijn tas op straat staat…’

In Gehen, ging, gegangen worden de asielzoekers voor Richard stap voor stap steeds gewoner. Op het laatst, wanneer de Berlijnse asielpolitiek hen steeds meer op de nek zit, neemt hij, en nemen op zijn aandringen zijn naaste vrienden, hen zelfs op in huis. Maar er blijft een enorme kloof bestaan tussen de trauma’s die de asielzoekers met zich meedragen en die van Richards goedwillende vrienden, die alleen hun relatief triviale ddr-trauma’s kennen.

De vreemdheid blijft bestaan. Die weet ook Erpenbeck niet op te lossen. In Duitsland heerst een enorm wantrouwen tegenover asielzoekers. Populistische politici spreken van ‘massaal misbruik van het asielrecht’ en doelen daarbij vooral op asielzoekers uit de Balkanlanden. Erpenbecks asielzoekers zijn van een andere categorie. Maar toch zijn ze net zo goed slachtoffer van het populistische wantrouwen tegen asielzoekers.

Haar literaire collega Michail Sjisjkin, eveneens genomineerd voor de Europese Literatuurprijs van 2015, werkte als tolk voor asielzoekers in Zwitserland. Daar gaat zijn uitverkoren roman Venushaar over, die hij opbouwt rond de verhalen die hij van asielzoekers hoort. Verhalen waarvan hij aanneemt dat ze voor het grootste deel zijn verzonnen om de kansen op asiel te verhogen. Maar dat is voor hem juist zijn literaire uitgangspunt.

Erpenbeck schrikt wanneer ze dat verneemt. Van Sjisjkin heeft ze gehoord, Venushaar heeft ze niet gelezen, ze schrijft snel de titel op. ‘Ik heb uitvoerig met de mannen gesproken en heb geen reden om te veronderstellen dat hun verhalen niet kloppen. Ik heb ook veel onderzoek gedaan naar de achtergronden. Maar uiteindelijk ging het mij niet daarom. Het ging mij erom de lezer bij hun lot te betrekken.

‘Als er al iets is waardoor Europese literatuur zich onderscheidt, dan is het de lust in het experiment’

Ik geloof dat ik ondertussen goed kan onderscheiden wat wél en wat niet klopt in wat ze vertellen. Soms passen ze hun verhalen een beetje aan, maar dat is vaak om begrijpelijke redenen. Iemand vertelde me dat hij zichzelf in Italië vijf jaar jonger had gemaakt in de hoop dat hij nog bij een voetbalclub zou kunnen komen. In Duitsland wordt zo’n leugen als doodzonde gezien, dan zijn de kansen op asiel verkeken, men kijkt niet naar waarom iemand dat doet.’

Wie Sjisjkins Venushaar en Erpenbecks nog te verschijnen Gehen, ging, gegangen met elkaar vergelijkt, ziet twee totaal verschillende literaire strategieën. Een uitbundige roman, waarin geen associatie te gek is (Sjisjkin), tegenover een ingetogen verhaal over de ernst van het leven, de tragiek van Afrikaanse asielzoekers in Europa en de haast niet te overbruggen kloof tussen mensen die elkaar ten diepste vreemd zijn.

Europa en Afrika: ze hebben in de ogen van Erpenbeck een precaire verhouding: ‘Je hebt die geniale zin uit de systeemtheorie: wanneer in een systeem de orde toeneemt, neemt die in een naburig systeem af. Hoe meer Europa aan kracht wint, hoe groter de chaos in Afrika. We halen er van alles vandaan, olie, uranium, maar laten hen met de rotzooi zitten: een verwoest milieu, stralingsziekten. En dan dumpen we ook nog eens onze kapotte computers bij hen.’

Erpenbeck vindt het idee van Europa ‘eigenlijk een beetje suspect’: ‘Het klinkt wel mooi wat paus Benedictus ooit zei, dat Europa op drie zuilen berust: de joods-christelijke religie, het Romeinse recht en de Griekse filosofie. Maar uiteindelijk is het vooral een economische gemeenschap, in het leven geroepen om met Amerika te kunnen concurreren. Met dat idee van Europa voel ik me emotioneel niet verbonden.’

Voor iemand die in de ddr is opgegroeid is het idee van Europa sowieso een late verworvenheid: ‘Europa had destijds nauwelijks betekenis. Wij waren het Oostblok, het Warschaupact. We waren verbonden met landen als Polen, Tsjechoslowakije, de Sovjet-Unie, Hongarije, dat waren de landen waar we naartoe konden. Maar dat noemden we geen Europa. Europa werd pas later een begrip, toen we de vrijheid kregen om erheen te reizen.’

Bestaat er een Europese literatuur? ‘Ik weet niet wat dat is. Ik lees de hele wereld rond’, zegt de winnares van de Europese Literatuurprijs. Ze wijst op haar enorme boekenkasten. Een afdeling Amerikaanse literatuur, Russische, Duitse, Franse. Kleinere afdelingen Italiaanse literatuur, nog kleinere met IJslandse en Hongaarse romans, een paar Afrikaanse. ‘Het spijt me, ik weet niet eens of ik ook Nederlandse literatuur heb. In ieder geval wel Multatuli.

Als er al iets is waardoor Europese literatuur zich onderscheidt, dan is het de lust in het experiment. Ik was in Amerika. In de literatuur overheersen daar de wetten van het creative writing. Na twee bladzijden moet de lezer zich al met de hoofdpersoon kunnen identificeren. Iemand vijf keer dood laten gaan, zoals ik in Een handvol sneeuw heb gedaan, is daar een absolute doodzonde.’

Verrassend genoeg verwijst Erpenbeck ook wat haar experimenteerdrift betreft naar haar ddr-achtergrond, waar de literatuur toch behoorlijk beknot werd: ‘In de ddr verkeerde de literatuur in een soort luwte. Het interesseerde de wereld niet wat er bij ons gebeurde. Daarom waren we hier betrekkelijk vrij, we hoefden niet met de wereldliteratuur te concurreren. Misschien dat in heel Europa zo’n beetje dat idee heerst: men schrijft waar men zin in heeft.

Maar uiteindelijk is voor mij het belangrijkste bij het schrijven de blik die ik ontwikkel. Dat is voor mij het authentieke moment. Niet het panorama, niet de opeenvolging van historische en maatschappelijke gebeurtenissen, niet het lot van de hoofdpersoon. Het gaat om het persoonlijke perspectief, het denkwerk dat ik verricht om de stof onder de knie te krijgen. In die zin zal elk boek dat ik schrijf in zekere zin autobiografisch zijn.’

De uitreiking van de Europese Literatuurprijs is tijdens Manuscripta op het Stadsfestival in Zwolle, op zaterdag 5 september van 12.30 tot 13.30 uur in de Dommerholtzaal in Theater Odeon. Toegang gratis. Op zondag 6 september zijn Jenny Erpenbeck en haar vertaalster Elly Schippers te gast in Athenaeum Boekhandel in Amsterdam, vanaf 14.00 uur


Schrijversbloed

Jenny Erpenbeck werd in 1967 geboren en groeide iets ten oosten van de Berlijnse Muur op. Ze woont nog altijd op een steenworp afstand van de gedenkplaats voor de Muur in Prenzlauerberg. Ze komt uit een schrijversmilieu. Niet alleen haar grootmoeder, Hedda Zinner, was een populair auteur, ook haar grootvader, Fritz Erpenbeck, en haar vader, John Erpenbeck, schreven romans. Haar moeder vertaalde moderne Arabische literatuur.

Voordat Jenny Erpenbeck erkende dat ook bij haar het schrijven in het bloed zat, volgde ze opleidingen in boekbinden en theater- en operaregie. Beide vakken heeft ze ook enige tijd beoefend. Vooral als operaregisseur boekte ze een aantal successen, met name in Oostenrijk. Toen begon ze ook zelf theaterstukken te schrijven, en korte verhalen.

Erpenbeck is de afgelopen vijftien jaar overladen met prestigieuze prijzen, te beginnen in 2001 met de Ingeborg Bachmann-prijs. Dit jaar krijgt ze voor Een handvol sneeuw niet alleen de Europese Literatuurprijs maar ontving ze eerder al in Engeland de International Foreign Fiction Prize.


Beeld: Jenny Erpenbeck, 2015 (Eyevine / HH)