Wat nu, witte man?

‘Ik heb tien keer liever een racist’

Homo’s, minderheden, moslims, vrouwen – over één ding zijn ze het allemaal eens: de witte man heeft het gedaan. Maar wie is die witte man eigenlijk?

Medium groene witte 20man

Eerst dit. Na wekenlang kleurplaten inkleuren, zingen bij de schoorsteen, papier-maché-pakjesboten knutselen, was daar dan dat moment dat mijn broer en ik achter in de auto zaten, hyperactief, op weg naar het huis van mijn opa en oma, een doorzonwoning op de Albertina Agnesstraat in Alkmaar. We hebben het nu over de late jaren tachtig, de nadagen van de Muur, Lubbers was premier, André van Duin maakte Animal Crackers. Het verloop van die avond was altijd hetzelfde. Oma maakte soep, een lichte maaltijd omdat later op de avond er vanzelf genoeg marsepein en pepernoten op tafel verschenen om een weeshuis te voeden. De hele familie nam plaats op de leren bank en de rotan stoelen, en dan, op een gegeven moment, werd er op de deur geklopt, hard geklopt, zacht gekl…

Nee, nee, geintje. Ik ben niet gek.

Sinterklaas is niet iets waar je in de openbaarheid nog herinneringen over kunt ophalen, warme of koude herinneringen. De afgelopen paar jaar hebben verschillende journalisten de fout gemaakt in krantenbijlagen stukken te schrijven waarin ze het Zwarte-Pietdebat benaderden vanuit een persoonlijke herinnering. Het is een verlies-verliessituatie, het is levensgevaarlijk, je kunt het niet goed doen. Als je zegt dat je Zwarte Piet met terugwerkende kracht afzweert, dat hij zijn hoogste tijd heeft gehad en niet thuishoort in de maatschappij van vandaag, loop je het risico voor landverrader te worden uitgemaakt door het pvv-angehöriges deel van de sociale media. Omgekeerd, als je zegt dat Zwarte Piet niet kwaad was bedoeld, dat Nederland toen een ander land was met een andere bevolkingsopbouw en andere gevoeligheden, zullen de ‘Black Twitter’-activisten je weten te vinden en je je ‘white innocence’ inpeperen op een manier die je nog jaren zal heugen.

Dat gebeurde Sander van Walsum bijvoorbeeld, begin deze maand in de Volkskrant. Hij schreef een ‘zelfonderzoek’, waarin hij de vraag probeerde te beantwoorden waarom hij, een blanke vijftiger, het zo moeilijk vindt zijn beeld van de morele ‘nationale voortreffelijkheid’ van Nederland bij te stellen naar een beeld van een land waarin racisme en discriminatie frequent en structureel voorkomen. Van Walsum beschreef uitgebreid hoe hij als kind voor het eerst een zwarte man zag en hoe bijzonder dat was in het Nederland van toen. Van Walsums artikel ging over de naïviteit over huidskleur en discriminatie die jarenlang houdbaar leek in Nederland, wat hij probeerde te verklaren vanuit zijn eigen, persoonlijke naïviteit – maar precies dat werd hem overal online verweten.

Zijn taalgebruik was naïef, zijn stellingname was naïef. Dat hij bedoelde zijn eigen witte onschuld te verklaren, telde niet; het enige wat telde was dat hij zijn witte onschuld etaleerde. Fout dus. Op Twitter werd Van Walsum een ‘zeikneus’ genoemd, met een ‘frikandelerectie’. De reacties op de opiniepagina’s en op blogs waren genuanceerder, maar rekenden hem alleen al af op het idee dat hij zo pontificaal zijn verhaal deed en dat hij van zijn persoonlijke jeugdherinnering ‘het nationale verhaal’ zou maken. Of hij dat nu bedoelde of niet.

Het racismedebat is overgestapt op de Griekse moraal: de Goden veroordelen je niet op je bedoelingen, maar op je daden. Je wist niet dat het je moeder was, je wist niet dat het je vader was, maar alsnog zul je je ogen moeten uitsteken en Thebe als banneling moeten verlaten.

Wat je bij veel van de reacties op Van Walsum terugleest, is dat zijn stuk ook los van de inhoud al verfoeilijk is. Hij had überhaupt niets over dit onderwerp mogen schrijven. Want: wie was hij om zich over dit onderwerp te buigen? Hoe dacht hij dat hij zich vanuit zijn positie kon verplaatsen in de mensen die leden onder racisme? In die zin kan Van Walsum aansluiten in een lange rij columnisten, essayisten en andere schrijvers: auteurs van wie de mening per definitie niet zou mogen meetellen omdat hun sekse en hun huidskleur die van de onderdrukkende macht zijn. Witte mannen.

‘Witte mannen. Je moet ze bréken. Je moet ze laten zien dat je niet van ze onder de indruk bent’

Wie is de witte man? Of eerst: wie is hij allemaal een doorn in het oog? Onbedoeld deed Baukje Prins, lector burgerschap diversiteit aan de Haagse Hogeschool, afgelopen week een voorstel voor een antwoord op die laatste vraag. In haar reactie op het artikel van Van Walsum schreef zij in het opiniekatern van de Volkskrant dat het Van Walsum toch niet kon ontgaan dat er iets goed mis is met de interetnische verhoudingen in Nederland, want dagelijks worden mensen erop gewezen dat ze nooit helemaal ‘een van ons’ zullen worden. Citaat: ‘Dat overkomt niet alleen “zwarte” mensen. Iedereen die tot een minderheidsgroep behoort (vrouwen, homoseksuelen, moslims, mensen met een beperking) herkent dit mechanisme.’

Het rijtje van Prins bestaat blijkbaar uit de groepen die door witte mannen buitengesloten worden. Dat zijn er nogal wat, als je gaat tellen. In november publiceerde het cbs de meest recente kerncijfers van de Nederlandse bevolking. Het totaal aantal inwoners was toen 16.900.726 Nederlanders. Daaronder waren 3.665.321 allochtonen; natuurlijk zijn er ook veel blanke allochtonen, maar de term ‘witte man’ suggereert dat het om autochtonen gaat, dus die 3.665.321 vallen af. Iedereen onder de twintig (3.828.059 tieners) telt ook niet. Dan blijven er 9.407.346 Nederlanders over. Daarvan valt nog eens de helft af, want die zijn vrouw. Rest: 4.703.673 witte mannen in Nederland. Dat is 27,8 procent. Volgens Prins’ scheidslijnen behoort dus 72,2 procent van Nederland tot een minderheidsgroep. Die 27,8 is de meerderheid.

Overigens: uiteraard staat er in de cijfers van het cbs niet welk percentage daarvan niet-blank is, en ook niet hoeveel daarvan homoseksueel is, of een beperking heeft. Dus zelfs 4.703.673 is een te groot getal. Maar dit zegt nog niks over wie de witte man is; waar staat hij voor? De lekkerste en meest geciteerde oneliner uit het woelende racismedebat stond eind vorig jaar in NRC Handelsblad, in een groot gesprek met vier zwarte, vrouwelijke activisten: ‘“Witte mannen”, zegt Aslan. “Je moet ze bréken. Je moet ze laten zien dat je niet van ze onder de indruk bent.”’

Arzu Aslan is een basisschoolleerkracht die zich vooral op sociale media laat gelden, waar ze haar volgers wijst op wat ze als white privilege ziet: het uitgangspunt dat in de westerse samenleving wit de standaard is. Die witte mannen die gebroken moesten worden waren niet Wilders en Bosma, gaf Aslan aan, maar juist de ‘witte mannen van rond de vijftig jaar, vaak linksig, met als handelsmerk antiracisme en anti-islamfobie – er is een heel clubje van op Twitter. Dat paternalisme! Ik heb tien keer liever een diehard racist.’

Dat was niet de witte man waarover het ging toen er een ‘Sylvana Simons Uitzwaaidag’ werd georganiseerd op Facebook, door figuren die betrokken zijn bij nationalistische pagina’s als ‘Nederland Mijn Vaderland’. Dat waren de witte mannen die donkere mensen voor ‘Zwarte Piet’ uitmaakten, of voor ‘dobbernegers’, die zichtbaar genoten van hun eigen intolerantie en zo hard mogelijk ‘je hoort hier niet thuis’ riepen. De oprichter van de Uitzwaaidag-pagina was geen linksige vijftiger, maar een vroege twintiger met een halve horecaopleiding en een pvv-fansite.

Als je de Uitzwaai-pagina bezocht, iets wat je zonder knijper (voor op de neus) beter niet kon doen, viel het overigens op dat lang niet alle reacties van mannen kwamen. Witte vrouwen konden er ook wat van, maar ‘witte mensen’ bekt net iets minder lekker dan ‘de witte man’. Misschien dat hij daarom zo vaak opduikt in krantenkoppen. ‘Witte man, verander liever je gedrag’ (NRC, 8 juni), ‘Witte man moet mij niet de les leren’ (NRC, 18 juni) et cetera. Maar wie de witte man precies was, was nergens gespecificeerd. Was het die van Sylvana of die van Aslan?

De witte man heeft zo dus twee kanten; hij is de racist en de antiracist, hij stemt Wilders en hij stemt GroenLinks, hij is Donald Trump en hij is Justin Trudeau, hij kan niet spellen en hij is hoogopgeleid, hij is werkloos en heeft een baan met macht, hij is malcontent en geprivilegieerd. De witte man is, kortom, zo’n onverenigbare paradox dat je eigenlijk zou moeten zeggen dat ‘de witte man’ niet bestaat, behalve dan als idée-fixe, als constructie waartegen iedereen zich kan afzetten die zich ergens tegen wil afzetten. Hij is een containerbegrip. Vrouwen kunnen zich tegen de witte man afzetten, want hij staat gelijk aan het patriarchaat. Homo’s kunnen zich tegen de witte man afzetten, want hij heeft een gesloten, heteroseksueel wereldbeeld. Moslims kunnen zich tegen de witte man afzetten, want hij vindt hoofddoekjes maar raar. Iedereen kan zich ongestraft in zo denigrerend mogelijke taal tegen hem afzetten, want niemand zal het voor hem opnemen. Zelfs de witte man niet, want die wil niet als witte man gezien worden.

Er is geen casus die zozeer dwingt om na te denken over wat Nederlandse identiteit is als Zwarte Piet

Het mooist kwamen die tegenstrijdigheden misschien wel samen toen weekblad Elsevier Sylvana Simons op de cover plaatste met de tekst ‘Nederland is ook van Sylvana’ – hoofdredacteur Arendo Joustra tweette bij de cover dat de witte man een beetje moest dimmen. De ene witte man die zegt dat de witte man niets moet zeggen: het is duizelingwekkend.

Voor een groot deel, lijkt het, gaat het racismedebat over taal. Over woorden, termen. Niemand schrijft in de krant een stuk met de strekking dat racisme een heuglijk verschijnsel is waar we trots op mogen wezen, nee, alle stukken gaan erover hoe bepaalde uitspraken of gebeurtenissen uitgelegd moeten worden, wanneer iets structureel is of een incident, en vaker, welk gewicht bepaalde woorden hebben, wat het gebruik van sommige woorden over de expliciete en impliciete culturele aannames van de spreker zegt, welke nare bijklank een schijnbaar normaal woord kan hebben. Het meest evidente voorbeeld is het woord ‘neger’, dat tot tien jaar terug nog redelijk gemeengoed was, maar nu langzaam maar zeker uit het dagelijks leven verdwijnt.

Die bewustwording is de eerste belangrijke winst van het racismedebat – dat woorden niet voor iedereen dezelfde achteloze betekenis hebben. In het debat van het afgelopen jaar lijkt het vooral om terminologie te gaan: wat termen als agency, helper whitey, male fragility, white privilege en white innocence precies inhouden, wie en wat waaronder valt en hoe je ze gebruikt om iets te illustreren. Het feit dat al die termen Engels zijn, suggereert al dat het debat uit de VS komt overwaaien. Dat vertekent onherroepelijk, maar het heeft zijn gunstige kanten. Het vertekent want de rassenverhoudingen in Nederland zijn niet dezelfde als die in de VS; Nederland heeft geen soortgelijk recent verleden met grootschalige segregatie en geen heden waarin de politie met schrikbarende regelmaat zwarte mannen doodschiet. Maar het gunstige van die vertekening is dat het bepaalde abstracte termen concreet zichtbaar maakt. Met de Amerikaanse Black Lives Matter-strijd tegen politiegeweld in het achterhoofd is het makkelijker voor te stellen wat white privilege is, in de zin dat je als blanke in Nederland het ‘privilege’ hebt nooit zomaar te hoeven vrezen voor de politie.

Het probleem van de terminologie is echter dat ze niet precies is. Het is een terminologie die suggestief is, die de grote culturele verschillen binnen de ‘witte wereld’ op een hoop veegt. Er zit onmiskenbaar een kern van spot in (zie ‘helper whitey’) en die spot richt zich altijd op de witte man.

Nu kan die witte man wel wat hebben, ben je geneigd te zeggen. Hij heeft millennia lang de machtsposities in handen gehad, hij is niet zielig. Of toch? In een lang essay over de staat van de democratie schreef de Amerikaanse opiniemaker Andrew Sullivan dat juist woorden de witte man in de armen van Trump dreven. In het essay uit New York Magazine – De Groene Amsterdammer publiceerde de vertaling half juni – beschreef Sullivan dat men in Amerika nu leeft in een tijd waarin een vrouw een zwarte man als president kan opvolgen, waarin homoseksuelen in vijftig staten kunnen trouwen, waarin men zich veel bewuster is geworden van de historische onrechtvaardigheden waardoor Afrikaans-Amerikanen nog steeds worden achtervolgd. Er zijn enorme progressieve, bevrijdende stappen gezet, gelukkig.

Maar tegelijk, zegt Sullivan, leeft men in een tijd waarin arbeidersgezinnen amper kunnen rondkomen, waarin de problemen van de hedendaagse blanke arbeidersklasse nog steeds niet serieus worden genomen. Sterker nog, schrijft Sullivan, ‘de leden van de blanke arbeidersklasse merken nu dat hun geslacht en ras, en de manier waarop zij over de werkelijkheid praten, worden afgeschilderd als een probleem dat de natie moet zien te overwinnen’. ‘Een groot deel van opgeleefd links ziet de leden van de blanke arbeidersklasse niet als bondgenoten maar vooral als fanatici, vrouwenhaters, racisten en homofobe dwazen, waardoor degenen die dikwijls in de laagste regionen van de economie verkeren nu ook worden veroordeeld tot de laagste treden van de cultuur. Een blanke man die het zwaar heeft wordt nu door studenten aan elite-universiteiten verteld dat hij “zijn privilege moet inzien”. Zelfs als je vindt dat hij nog steeds bepaalde voordelen geniet, is het lastig geen empathie te voelen met het object van deze minachting. Deze toch al vervreemde arbeidersgemeenschappen horen dat “heteroseksuele blanke mannen” de ultieme bron van al onze problemen zijn. (…) En dus wachten zij tot zij overkoken en erop los slaan.’

Sullivans vergelijking klopt niet en klopt wel, kun je zeggen. Het is niet zo dat het homohuwelijk ervoor gezorgd heeft dat fabrieken sluiten waardoor de arbeidersklasse haar baan verliest. Het is niet zo dat bewustwording van white privilege ervoor zorgde dat de huizenmarkt in elkaar stortte. Die dingen hebben niets met elkaar te maken – maar het zijn wel tekenende gebeurtenissen die voor de ogen van een hele sociale klasse samenvallen. Daarom heeft hij het niet over de werkelijkheid maar over de manier waarop men over de werkelijkheid spreekt. En in die werkelijkheid is de witte man – met zijn twee banen en zijn restschuld op zijn hypotheek – het pispaaltje. Minderheden gaan erop vooruit, terwijl hij erop achteruit gaat. Dat is sowieso een gevaarlijke voedingsbodem voor rabiaat conservatisme, en al helemaal als hij het gevoel heeft dat hij ook nog eens wordt uitgelachen. Trump speelt op dat fnuikende gevoel in.

Nederland is niet zo conservatief als de VS. Ook dat is een verschil. En de manier waarop hier ‘witte man’ wordt gebruikt heeft niet hetzelfde dédain, de blanke middenklasse in Nederland zal niet het gevoel hebben dat ze veroordeeld wordt ‘tot de laagste treden van de cultuur’. Maar de manier waarop er in krantenkoppen met de term ‘witte man’ wordt gestrooid heeft ook z’n problemen. Zoals de verschillen tussen Sylvana’s witte man en Aslans witte man al lieten zien, is het een containerbegrip, maar dan een container met open deuren. Iedereen moet zich aangesproken voelen, maar iedereen glipt er zo weer uit.

Je kunt in de recente geschiedenis geen debat bedenken dat de culturele scheidslijnen in Nederland zo goed in kaart heeft gebracht als het racismedebat, er is geen casus die zozeer dwingt om na te denken over wat Nederlandse identiteit is als Zwarte Piet. Hoe ongemakkelijk en naargeestig dat debat soms ook verloopt, dat het debat nu gevoerd wordt is al winst. Maar een kleinere container zou welkom zijn.