Interview met Teun Hocks 

‘Ik heb veel lol in de verwarring die ik schep’

Teun Hocks beschildert foto’s waarvoor hij zelf model staat. Zelfrelativering is de motor van zijn werk. ‘Kunst maken is een vrij futiele bezigheid.’ Het eerste deel in een serie over toonaangevende fotografen.

Medium teun 20hocks

Het atelier van Teun Hocks (Leiden, 1947) is gevestigd in een oude koestal aan een smalle landweg vlakbij Breukelen. Het is een grote, hoge ruimte, met ramen die uitzicht bieden op een tuin met sloot en ganzen op het erf. In de verte het gesuis van de A2. Hocks, een kleine man met clownesk gezicht, zit aan de keukentafel. Hij is vriendelijk, maar zelfbewust. Om hem heen staan studiolampen (formaat: filmset) een camera (een oude 6x9 Horseman met zelfontspanner) en talloze rekwisieten die hij gebruikte voor zijn foto’s: een stokpaard, een aardewerken slak, een accordeon, een orgel, een klarinet, een buikspreekpop en een twintigtal oude wekkers dat hij onlangs kocht op een rommelmarkt in Frankrijk. Het enige dat ontbreekt op deze ochtend is eigen werk. Dat hangt namelijk op een solotentoonstelling bij Patricia Dorfmann, zijn galerie in Parijs.

Is de plek waar u werkt belangrijk voor u?

Teun Hocks: ‘Ik kan overal werken, mits ik m’n rommel bij de hand heb. Hoewel, in Amsterdam zou ik het denk ik wel moeilijk vinden om me te concentreren – ik zou voortdurend de neiging hebben om naar buiten te gaan.’

Hoe vangt een nieuw werk aan?

‘Met tekenen.’

Heeft u daar een vast moment van de dag voor, bijvoorbeeld ’s ochtends?

‘Was het maar waar! Ik ben erg ongedisciplineerd. Ik werk hard, maar met vlagen. Het hangt er een beetje van af of ik in een werkflow zit. Soms dient het ene na het andere idee zich aan, maar het gebeurt ook wel eens dat ik een half jaar bijna niets verzin. Dan moet ik oppassen; anders raak ik in een dipje.’

Wat doet u dan in de tussentijd?

‘Dan ga ik nieuwe versies van eerdere werken afmaken en op mijn computer werken. Of muziek luisteren. Of ik ga de pagina’s van mijn schetsboek versieren. En nog een keer. Net zo lang tot er een idee ontstaat. Dat gaat heel intuïtief. Ik begin nooit met een vooropgezet plan. Ik teken gewóón: mannetjes, landschapjes, composities. Opeens ontstaat er een situatie waar ik me iets bij voor kan stellen – heel wonderlijk. Of ik tevreden ben wordt erg bepaald door mijn stemming. Wat ook helpt is dat mensen me onder druk zetten: dat er bijvoorbeeld een afspraak is gemaakt voor een tentoonstelling.’

Onlangs verscheen bij de gerenommeerde Amerikaanse uitgeverij Aperture zijn nieuwe publicatie: een overzicht van het beste werk van de afgelopen dertig jaar. Het zijn grote (pakweg anderhalf bij twee meter), met veel oog voor detail geënsceneerde foto’s; geestig, bevreemdend, vaak opgehangen aan een beeldgrapje of logische onmogelijkheid. Hocks zelf speelt altijd de hoofdrol. Die van museumbezoeker bijvoorbeeld, die zijn hoofd zo een schilderij binnen steekt; of die van vermoeide burgerman die zo in gedachten is verzonken dat hij met boodschappentas en al de dampkring uit wandelt. In het midden van het atelier, op een klassieke ezel, staat nog zo’n typische Hocks: een geblinddoekte man met papieren feesthoedje wandelt over de maan – achter hem niets dan kraters en sterren. Je weet: die blijft nog wel even doorlopen.

Heeft u die achtergrond zelf geschilderd?

Teun Hocks: ‘Die schilderde ik hierop (beklopt een vijf meter lang, uitrolbaar stuk dik papier, het verfoppervlak gebarsten van de vele overschilderingen). Daarvoor gebruik ik schoolverf. Grote fles zwart, grote fles wit – lekker met de blokwitter, ja, waarom niet? Voordat ik begin kijk ik soms naar foto’s of andere schilderijen. Er zitten hommages tussen aan de Hollandse meesters, aan Ruysdael, aan Hobbema. Ga ik een grote berg schilderen, dan kijk ik naar foto’s van de Himalaya; schilder ik de maan, dan wil ik weten hoe zo’n sterrenconstellatie er precies uitziet. Dat mensen die er verstand van hebben zeggen: “Zó, die heeft goed opgelet”, of: “Dat kan helemaal niet!” Het belangrijkste is dat ik alles uit mijn hoofd schilder. Daardoor laat je automatisch weg wat onbelangrijk is. Je laat zien waar je aan denkt. De voorstelling wordt van jou. Het hoeft niet heel gedetailleerd te zijn. Mensen mogen best zien dat het niet echt is.’

Die man die u speelt op uw foto’s, wat is dat voor figuur?

‘Het is vaak een behoorlijke sukkel. Het is ook niet steeds dezelfde figuur. Het zijn personages, karakters, zoals Charlie Chaplin, die verschillende rollen speelt, en toch altijd Charlie Chaplin is. De man op mijn foto’s is iemand die wil klimmen, maar nooit weet hoe de wind waait. Het mooie is dat hij dat zelf absoluut niet in de gaten heeft. Wij, de kijkers, wíj hebben dat in de gaten. We zien het misgaan en we vinden het héér-líjk. We herkennen onszelf in het gestuntel en kunnen erom lachen.’

Waarom gebruikt u zichzelf altijd als model?

‘Dat heeft een praktische reden: ik ben nogal verlegen en durf tegen andere mensen niet goed te zeggen wat ik niet en wat ik wel wil. Daarom geef ik de voorkeur aan mezelf: we hoeven elkaar niets uit te leggen, we zijn altijd op tijd, arriveren ook ongeveer op hetzelfde moment.’

Is er nog een verband met uw verleden als performancekunstenaar?

(Ongemakkelijk) ‘Dat deed ik maar heel even, hoor. Eind jaren zeventig ging ik wel eens naar kunstcentrum De Appel in Amsterdam. Wies Smals liet me daar kennismaken met de performancekunst. Dan zag je een Italiaanse kunstenares die met glas in haar eigen gezicht ging zitten snijden; of iemand die tegen een met zeep ingesmeerde helling probeerde op te kruipen; of mensen die heel wezenloos voor zich uit zaten te staren. Sommige van die kunstenaars dachten dat hun werk extra artistiek werd als ze hun broek ook nog eens lieten zakken. Ik had daar helemaal niets mee. Uit baldadigheid ben ik toen een heel melig theatertje begonnen waarin onder meer de performancekunst op de hak werd genomen. Ik speelde een Tommy Cooper-achtige figuur die zijn eigen optredens onderuithaalt. Deed ik net alsof ik schaduwbeelden maakte achter een doek: konijntjes, vogeltjes, maar gaandeweg verschenen er allerlei figuren die ik met geen mogelijkheid kon maken. Best flauw eigenlijk. Ik had daar ook vrij snel genoeg van. Stond ik op dat podium, dacht ik: zat ik maar weer in mijn atelier.’

Achter in de stal heeft Hocks zijn doka. Het is een bescheiden, rechthoekig vertrek met dichtgetimmerde vensters, een grote tafel in het midden, spoelbakken langs de muren, de bekende rode lamp aan de wand. Het forse formaat van Hocks’ foto’s zorgde aanvankelijk voor problemen: de vereiste afstand tussen fotovergrootapparaat en papier ontbrak. Hocks loste het op door een gat in zijn plafond te zagen. Thans staat de vergroter op de eerste verdieping, precies boven de projectietafel op de begane grond.

Hij vertelt over de tint van zijn foto’s – sepia; het omslachtige proces dat eraan voorafgaat – een bleekbad van roodbloedstofzout en kaliumbromide gevolgd door een bad van natriumsulfide; en de stank die dat met zich meebrengt: ‘Net rotte eieren, ik heb de deuren hier dan tegen elkaar open staan.’ Sepia voldoet voor Hocks beter dan het kille grijs: ‘Vergelijk het met de roodbruine imprimatura onderschildering bij bijvoorbeeld Rubens.’

Gebruikt u nog een speciaal soort papier?

Teun Hocks: ‘Ik gebruik bariet. Dat is fibre-based papier met een fotogevoelige laag, dat ik bestel bij Calumet. Bariet is sterk en krimpgevoelig. Wanneer ik de foto’s nat opplak trekken ze na het drogen mooi strak. Het probleem is dat zulk papier bijna nergens meer gemaakt wordt, en het steeds moeilijker wordt om te kopen.’

Waarom gebruikt u geen gewoon fotopapier?

‘Modern fotopapier bestaat uit plastic met een fotogevoelige laag. Voor mijn werk is dat ongeschikt. Het is te glad. Je kunt er niet op kleuren.’

Hoe kwam u eigenlijk op het idee om foto’s te beschilderen?

‘In de jaren zeventig kocht ik op de rommelmarkt van Antwerpen vaak oude ansichtkaarten van straatfotografen. Die kleurden hun foto’s met de hand in. Je zag het in die tijd trouwens ook veel in de popart, op platenhoezen et cetera. En bij andere kunstenaars natuurlijk. Ger van Elk, bijvoorbeeld, heeft foto’s gekleurd. Zelf begon ik ermee toen ik nog op de Sint-Joost Academie in Breda zat. Eerst met ecoline – je kunt er heel precies mee kleuren, maar je krijgt het er van z’n levensdagen niet meer af – en later met olie. Sommige collega’s vonden het opschilderen van foto’s maar niets. Die zagen fotografie als een verslag. Wanneer je foto’s beschilderde, deed je de waarheid geweld aan, en dat mocht niet.’

Ik zie nergens kwasten. Waar schildert u mee?

Hocks’ ogen twinkelen. Hij loopt naar de achterkant van het atelier, graait in een bak satéprikkers, haalt een dot watten te voorschijn, wikkelt de watten om de prikker. Triomfantelijk houdt hij de geïmproviseerde kwast omhoog.

‘Mijn geheim!’

Een dot watten op een satéprikker.

‘Já, daar kún je goed mee poetsen… Voor een mooi transparant effect gebruik ik sterk verdunde olieverf gecombineerd met Liquin, een bindmiddel, plakkerig spul. Laag over laag schilderen doe ik zelden – dan loop je het risico dat je de onderste laag meeneemt – alles moet er in één keer op staan. Ik schilder flink door: eerst de achtergrond, daarna de voorgrond, de objecten, de figuur. Voor de glimlichten gebruik ik een speciaal penseeltje. Ik schilder exact, nauwkeurig. Expressionistisch schilderen, met wilde vegen en streken, vind ik nutteloos. De verf moet niet te veel de aandacht trekken. Het gaat om het beeld: dat moet sterk zijn.’

Waarom componeert u niet gewoon een schilderij?

(Verontschuldigend lachje) ‘Nou, ik ben nogal een slechte schilder. Een cartoontje of een landschap voor de achtergrond schilderen, dat gaat nog wel, maar zo’n beeld (wijst naar de foto met de maanwandelaar) zou ik nooit kunnen maken. Ik vind een foto van een maanwandelaar ook veel leuker dan een schilderij van een maanwandelaar – het krijgt realiteitswaarde; die man is er echt gewéést. Daarbij, ik heb veel lol in de verwarring die ik zo schep. Zie je ze zo kijken: is het nou een foto, of is het een schilderij?’

Wat opvalt is de consistentie in Hocks’ oeuvre: al dertig jaar maakt hij hetzelfde soort foto’s – alleen hijzelf wordt steeds ouder en grijzer.

Heeft u nooit het gevoel dat uw werk routine is geworden?

Teun Hocks: ‘Mijn vrouw zegt vaak: “Dat je dit nog steeds leuk vindt!” Ik ben inderdaad niet zo avontuurlijk. Ik heb ideeën. Ik zie beelden. En die beelden wil ik aan anderen laten zien – dat is het wel zo’n beetje. Maar binnen het kader waarin ik werk, werp ik voor mezelf steeds nieuwe barricades op. Door een decor heel anders aan te pakken, of door steeds kleurrijker te schilderen. Daarbij, voor mij is er niets mis mee om één koers te varen. Van een klassieke pianist zeggen ze toch ook niet: “Heb je hem weer met zijn Mozart”.’

Uw populariteit is al jaren stabiel.

‘Inderdaad. Toen ik begon kreeg de geënsceneerde fotografie veel aandacht en ik kon daar heerlijk op meeliften. Rond 1980 hing ik samen met Henk Tas, Gerald van der Kaap en andere kunstenaars van galerie Torch op de tentoonstelling Fotografia Buffa in het Groninger Museum. Daarna ben ik altijd in de luwte blijven opereren. Mijn werk is nooit gevallen, maar het is ook nooit omhoog geschoten. Dat ligt voornamelijk aan mezelf: ik ben niet iemand die allerlei dingen initieert. Ik ben vrij bescheiden, hou er niet van iets stellig te beweren. Dat merk ik ook weer tijdens een interview als dit: dat ik de neiging heb om mijn uitspraken direct weer onderuit te halen.’

Die zelfrelativering, denkt Hocks, komt voort uit een wantrouwen tegen gezag, dat van zichzelf inbegrepen: ‘Toen ik pas les gaf (Hocks doceert één dag in de week aan de designacademie in Eindhoven – sk), was ik soms bang dat ze merkten dat ik er helemaal niets van af wist.’ Tegelijk is het de motor van zijn werk: ‘Neem de foto van die zakenman. Hij staat op een ijsschots en alles wat hem maakt tot wie hij is – zijn koffer, zijn hoed – drijft bij hem vandaan. Je ziet: dit gaat niet goed komen. Dit wordt alleen maar erger.’

Uit uw foto’s spreekt een groot gevoel van verlatenheid.

‘Ja, maar ieder mens is uiteindelijk toch ook hartstikke alleen. Een voorbeeld: ik maakte een keer iets voor de krant. Het werd een totale mislukking. De volgende dag komen er allerlei mensen naar me toe: “Wat leuk, Teun! Zag er goed uit man!” Kennelijk ben je zelf de enige die ziet of een werk goed gelukt is of niet. Dat is een desillusie, maar tegelijk heel bevrijdend. Het doet je beseffen dat kunst maken uiteindelijk een vrij futiele bezigheid is, in ieder geval niet zo belangrijk als menigeen je wil doen geloven. Dat besef is goed voor me. Ik wil niet zo’n kunstenaar zijn die denkt dat hij onmisbaar is. Sterker, de wereld kan prima zonder de foto’s van Teun Hocks.’

Uw artistieke nalatenschap laat u koud?

Hij twijfelt: ‘Nou, ik hoop niet dat mijn werk zodra ik doodga direct van de muur valt – dat zou ik zielig vinden voor de mensen die het gekocht hebben. Maar verder kan ik me daar niet druk om maken. Waarom zou ik? Ik merk er toch niets van? Tijdens de presentatie van de glas-in-loodramen die ik maakte voor de Sint-Joriskapel van de Grote Kerk in Dordrecht zeiden mensen: “Teun, over tweehonderdvijftig jaar, dan zitten die ramen er nog steeds in.” En dan word je geacht nerveus te worden. Tja, ik heb liever dat mensen nú van mijn werk genieten; dat ze vandaag in de krant schrijven: “Die glas-in-loodramen van Teun Hocks, die zien er verdomde goed uit.”’

Teun Hocks: Teun Hocks_, met een essay door Janet Koplos. Aperture, 2007._

Het portret van Hocks door Gustaaf Peek is in beperkte oplage te koop, via http://www.groene.nl/modules/Webshop/Hocks.html