`ik heb weinig gevoel voor taboes’.

Hanaan as-Sjaikh, Vrouwen tussen hemel en zand. Vertaald uit het Arabisch door Djuke Poppinga, De Geus, Epo, 302 blz., f49,50
Haar boeken werden in Egypte, Marokko en Libanon gedrukt en vervolgens in snoepverpakking naar de andere Arabische landen gesmokkeld. Waar ze prompt een overdonderend succes werden. De Libanese schrijfster Hanaan as-Sjaikh voelt zich half ‘tribaal’ en half westers.

BIJNA TWINTIG jaar geleden, vlak na het uitbreken van de burgeroorlog in 1975, verliet de schrijfster en journaliste Hanaan as-Sjaikh Libanon. Nadat ze een paar jaar met haar echtgenoot in Saoedi-Arabie had gewoond, vestigde ze zich in Londen. Maar pas sinds kort, sinds ze Baried Beiroet (‘Poste restante Beiroet’) voltooide, een vuistdikke briefroman over een vrouw die in de oorlog achterbleef, voelt ze zich een balling.
'Ik leefde in Londen, maar in mijn onderbewustzijn was ik nog steeds in de Arabische wereld’, vertelt Hanaan as-Sjaikh. 'Als ik het gordijn opendeed en naar buiten keek, was ik opeens in een andere werkelijkheid. Het was grappig om in Londen over de Arabische wereld te schrijven en dan na een paar uur schrijven de straat op te gaan, maar ik voelde me een vreemdeling. Het contrast was enorm. Ik was als een ingezwachtelde rups: plotseling kwam ik uit de cocon en zag ik met een schok de wereld om me heen. En dat gebeurde elke dag. Ik kon me tot niemand verhouden, kon mijn werk niet met schrijvende vrienden bespreken. Ook door het taalprobleem, mijn vrienden kunnen mijn werk pas lezen als het vertaald is. Ik was volkomen alleen.
In het Engels kan ik niet schrijven. Ik leef in Engeland, spreek de taal, maar het Engels draagt niet mijn kindertijd met zich mee, mijn verleden, al die connotaties. Mijn eigen taal is zo vermengd met de aarde, spreektaal, met de geur van zweet. Het is de taal van mijn grootmoeder, van mensen die lijden en heel aards zijn. Conrad en die andere mensen, die wel een vreemde taal konden adopteren, schrijven vaak over personages die westers zijn. Ze kunnen zich misschien daardoor makkelijker tot hun tweede taal verhouden.’
'Het rare is dat ik nu pas door de kwestie van exil in beslag word genomen. Ik heb nu pas echt het gevoel dat ik in ballingschap leef. Tot voor kort had ik dat gevoel niet. Ik was immers zo verbonden met de wereld waar ik vandaan kwam, ik wilde weten wat er in Libanon gebeurde gedurende die zeventien jaar van oorlog, ik wachtte op de ontwikkelingen. Nu ik Poste restante Beiroet af heb, is het alsof ik die fase van mijn leven achter me heb gelaten. Ik heb nu een nieuw lot, en dat is het ballingschap. Daar schrijf ik nu een toneelstuk en een roman over.
Of ik wil of niet, ik kijk naar de dingen vanuit een Arabisch perspectief. Ik was opgevoed op een bepaalde manier; mijn logica, mijn concept van denken is nog steeds half Arabisch, half westers. In mijn roman Vrouwen tussen hemel en zand komt de Amerikaanse vrouw Suzanne voor. Haar kon ik creeren omdat zij relaties met Arabische personages heeft. Ik zag haar vanuit een Arabisch gezichtspunt, ik zag haar hoe een Arabier haar zal zien en vandaaruit hoe ze zichzelf ziet. Ik stopte haar als het ware in een kookpot, met allerlei Arabische ingredienten. Ik zou niet hebben geweten hoe ik met Suzanne moest omgaan als ik gedetailleerd over haar verleden had moeten vertellen, als ze de Verenigde Staten niet had verlaten.’
Hanaan as-Sjaikh realiseert zich heel goed dat de balling geneigd is het vaderland in de verte te idealiseren en dat komt ook tot uiting in haar werk. Zo leeft een van haar romanfiguren in exil in zwart Afrika, maar draagt hij de bergen en valleien, de zee en de woestijn van thuis met zich mee. Maar het vaderland in zijn hoofd, schrijft As-Sjaikh, is 'symbolisch’: 'zijn idealisme was zo intens’. 'Ik heb de band met de Arabische wereld zelf ook nooit doorgesneden’, zegt As-Sjaikh, 'Maar ik weet inderdaad dat het beeld dat ik koester een geidealiseerd beeld is. Ik heb wel eens gedacht: zou ik echt terug kunnen gaan? Het antwoord is nee. Ik voel een grote tederheid voor de Arabische wereld, dat wel. In zekere zin ben ik misschien egoistisch, want ik voel me een vrouw die korreltjes goud in het zand zoekt. Ik neem de dingen die me stimuleren in de Arabische wereld, die me gelukkig maken. Die herinner ik me, terwijl ik blind ben voor de dingen die vol lijden zijn.’
In The Story of Zahra en het onlangs in Nederlandse vertaling verschenen Vrouwen tussen hemel en zand, geeft As-Sjaikh echter zeker geen rooskleurig beeld van de Arabische samenleving. Vooral het lijden van de Arabische vrouwen toont ze op een nietsontziende manier. 'Inderdaad, het openbaart zich toch in mijn schrijven. En misschien is dat weer problematisch. In het Westen ziet men toch altijd vooral een negatief beeld van de Arabische wereld in mijn boeken. Ik voel me dus ook een beetje een verrader. Maar omdat mijn boeken eerst in het Arabisch worden gepubliceerd en worden bewonderd in de Arabische wereld, kan ik ermee leven. Ze vinden wat ik doe belangrijk, omdat ik het gordijn open voor een heleboel dingen.’
HANAAN AS-SJAIKH brak in 1980 definitief door met The Story of Zahra. Ze was in 1966 begonnen als journaliste bij het gezaghebbende Libanese dagblad An Nahar, daarnaast publiceerde ze twee romans en verschillende korte verhalen. The Story of Zahra werd aanvankelijk door een aantal uitgevers geweigerd; het coming-of-age-verhaal over Zahra was in hun ogen onsmakelijk. As-Sjaikh beschrijft hoe de jonge Zahra zich laat misbruiken door een vriend van haar broer, hoe ze drie abortussen moet ondergaan en twee keer haar maagdelijkheid operatief laat 'herstellen’. Uiteindelijk werd het boek in Egypte, Marokko en Libanon gedrukt en vandaaruit in snoepverpakking naar de andere Arabische landen gesmokkeld. En The Story of Zahra werd, alle onbetamelijkheid ten spijt, in de Arabische wereld goed ontvangen. As-Sjaikh werd opeens tot de belangrijkste jonge Arabische schrijfsters gerekend.
'Hoewel ik niet zo jong ben’, zegt As-Sjaikh bescheiden, 'Maar na Mahfouz zijn er, met name in Egypte, zo'n dertig schrijvers die een nieuwe stroming in de literatuur vormen. Ze zijn niet zo verbonden met de klassieke Arabische manier van schrijven. Zelfs de klassieke vorm van de roman, met begin, midden, eind, en een positieve conclusie over het leven, laten ze achterwege. Ze zien me daar niet als feminist, of als iemand die de religie aanvalt, ze zien me vooral als jonge schrijver. De boeken van Nawal el Sadaawi worden terzijde geschoven als feministisch, volgens de critici valt ze de mannen aan. Een criticus zei over Vrouwen tussen hemel en zand: “Ik ben zo blij dat ik voor het eerst zie hoe Arabische vrouwen lijden.”
Mannelijke schrijvers worden traditioneel serieuzer genomen. Het was gebruikelijk dat vrouwelijke schrijvers een boek over hun leven schreven en dat ze daarna ophielden; ze schreven een boek over de liefde, of over politiek. Toen de burgeroorlog aan de gang was, zijn er 23 boeken over de oorlog geschreven door vrouwen. Veel vrouwen hielden op met schrijven zodra ze getrouwd waren. Maar ik ben al tijden getrouwd en schrijf nog steeds. En ik verander in ieder boek, ik heb een nieuwe stijl en concept in elk boek. Ik houd ervan om te spelen met het schrijven, ik hou van avontuur. En uiteindelijk vind ik ook mijn Arabische identiteit avontuurlijk. Libanon was altijd een kosmopolitisch land. Ik ben een moderne vrouw, maar tegelijkertijd heel stamgebonden, heel tribaal. Ik voel me als een zigeuner en lid van een stam. Het is een moeillijke, ongebruikelijke en interessante combinatie. Het is wat het leven mij heeft aangeboden; ik had de mogelijkheid in twee werelden te leven. Dat tribale bedoel ik niet zoals in mijn boeken. Dat is niet tribaal, vrouwen worden daar heel erg onderdrukt. Tribaal betekent voor mij het aannemen van een bepaalde levensstijl die heel down to earth is. Zonder enige onderdrukking. En zelfs als er onderdrukking is, dan ben je zo sterk en vrij dat je de onderdrukking niet voelt. Zoals in mijn kindertijd tussen vrouwen. Die waren fantastisch, vooral mijn moeder. Zij is analfabeet, en tegelijk zo slim, ze heeft voor haar leven gevochten. Mijn vader is twee maanden geleden gestorven. Na de begrafenis gingen alle verwanten naar mijn vaders huis waar we een herdenkingsceremonie hadden. De vrouwen waren opgewonden aan het springen. Mijn nichten waren in dit huis opgegroeid. Hun herinnering kwam weer tot leven en ze praatten over hoe vaak ze de mannen van de familie ertussen namen. Hoe ze alles deden wat ze wilden op een listige manier. Het werd hen bijvoorbeeld niet toegestaan om naar de film te gaan, ze mochten geen bloemen kopen, ze mochten niet veel op bezoek gaan. En toch deden ze het. Als ik tribaal zeg, bedoel ik het op die manier, ik bedoel niet de onderdrukking en de zwarte kant van de maatschappij.’
In Vrouwen tussen hemel en zand schrijft ze over vier vrouwen in een Arabische Golfstaat die opgesloten leven in hun huis, gedoemd tot gruwelijke verveling en apathie. 'Ik was een bezoeker in die maatschappij. Een schrijver is als een havik, als een adelaar, hij heeft enorm scherpe ogen en voelt een siddering in het hart als het onderwerp heel belangrijk is. Het maakt me woedend om de vrouwen zo te zien, het maakt me woedend dat Suzanne zo bang is, dat ze gevangen kan worden omdat ze een relatie heeft, het maakt me woedend dat er zoveel beperkingen zijn. Die woede motiveert me in zekere zin om erover te schrijven. Maar toch schrijf ik niet vanuit een politieke motivatie, niet om te protesteren.’
ZE NOEMT DE LANDEN waar haar boeken spelen niet bij naam. Dat Vrouwen tussen hemel en zand in een nogal strikt moslimland speelt is duidelijk. De vrouwen mogen hoegenaamd niet deelnemen aan het openbare leven, de straat is verboden terrein, werken is ze niet toegestaan. Een van de romanfiguren gaat in hongerstaking om toestemming te krijgen een alfabetiseringscursus te volgen. As-Sjaikh: 'Ik heb in Saoedi-Arabie gewoond, maar dat land is niet anders dan de hele regio. Ik heb het land niet genoemd, het zou niet eerlijk zijn, de verhalen komen net zo goed uit Jemen, Aman en de Emiraten. Ik was gewend veel te reizen. Bovendien heb ik een hekel aan boeken die te expliciet de omgeving aanduiden. Zoals nu bijvoorbeeld een journaliste die een tijdje in Saoedi-Arabie woonde en vervolgens een boek schreef dat The Hidden Princess heette. Of The Oil-sheiks. Dat is te makkelijk, te propagandistisch. Zelfs in mijn eerste boek gaf ik het land geen naam. In mijn korte verhalen doe ik dat ook niet. Ik refereer eraan als de woestijn, dat is romantischer. Ik hou van de woestijn, het woord 'desert’ betekent veel voor me. Het betekent ook verlatenheid. De Golfstaten vormen een heel tegenstrijdige maatschappij. Er is grotere apartheid dan waar ook in de Arabische wereld. De grenzen tussen mannen- en vrouwenwereld, buiten- en binnenwereld zijn heel strikt. Vrouwen kunnen de grens overschrijden door heel sluw en creatief te zijn. Drie van de vrouwen uit Tussen hemel en zand proberen te ontsnappen door seksuele ontmoetingen. Ze denken dat dat de vrijheid is, omdat het een taboe is en ze met dat taboe kunnen spelen.
Ik word vaak aangesproken op die seksualiteit in mijn boeken. In mijn eerste boek, dat ik publiceerde toen ik achttien was, schreef ik over een impotente man. Ik heb kennelijk weinig gevoel voor taboes, want ik was zeer verbaasd dat men geschokt was. Ik denk altijd nuchter: this is life. Misschien komt dat omdat ik niet ben opgegroeid in een normale familie. Mijn vader was heel zonderling, excentriek. Zeer godvruchtig, dat wel. Mijn moeder was er niet. Zij is er met een andere man vandoor gegaan en van mijn vader gescheiden toen ik nog jong was. Niet echt een traditioneel voorbeeld, zogezegd. Twee jaar leefde ik met mijn zus in een huis. We waren erg onafhankelijk, mijn vader kwam altijd ’s nachts pas thuis. We moesten zelf aan alles denken, of we naar school gingen en zo, en konden doen wat we wilden. We speelden in de buurt, we waren toen zeven en acht. Ik was totaal niet van de maatschappij afgesloten toen ik jong was. Ik trok me ook niets aan van de regels en geboden van de maatschappij. Ik volgde mijn gevoel. Ik heb ook nu nooit het gevoel dat ik iets aanval, maar het schijnt dat ik dat doe.’
In Tussen hemel en zand geven de schatrijke Noer en Soeha, een Libanese academica, zich over aan een liefdesrelatie met elkaar. Om de verveling te verdrijven. 'Het is grappig’, zegt As-Sjaikh lachend, 'In de Arabische wereld praten ze niet over lesbische relaties. Maar in het Westen zijn ze trots dat een Arabische vrouw schrijft over een lesbische relatie. Ik denk dat ze in de Arabische wereld denken: nou, het is beter dan wanneer ze een relatie met een man heeft. Ik denk ook niet dat een lesbische relatie aanleiding geeft tot scheiding. Tenzij ze ervan wordt beschuldigd dat ze niet meer met haar man wil slapen. Maar gewoonlijk zijn vrouwen zo listig en krachtig.’
HET IS DE ZOVEELSTE keer dat Hanaan as-Sjaikh hoog opgeeft van de sluwheid en het raffinement van vrouwen. Zelf gebruikte ze ook een list om te kunnen studeren: ze loog dat ze vrienden in Cairo had en wist een plaats aan de academie voor journalistiek te bemachtigen. Ze moet dan ook niet veel hebben van de apathie van de vrouwen in Tussen hemel en zand. In het boek levert ze kritiek op de gelaten manier waarop zij zich bij hun lot neerleggen, de verwende manier waarop ze hun leven vullen met partijen, roddel en mooie kleren. As-Sjaikh: 'Ik herinner me dat ik zelf zulke feesten bezocht en de prachtige kleren van de vrouwen zag. Ik dacht alleen maar: wat gaan ze hierna doen? Ze waren dressed to kill en er hing een opgewonden, erotische sfeer. Het is alsof die vrouwen wachten op avontuur, maar er is geen avontuur. Ik dacht: deze vrouwen zouden nu kunnen staken, ze zouden bijvoorbeeld kunnen zeggen: we gaan niet naar huis, we zorgen niet voor onze kinderen, we willen niets meer met onze echtgenoten te maken hebben. We willen vrijheid! Maar nee, ze waren gelukkig dat ze daar waren, gelukkig met hun luxe leventje en hun mooie kleren.
Er zijn veel problemen tussen mannen en vrouwen. Im mijn boek probeert Soeha haar man voortdurend te bewegen het land te verlaten. Haar echtgenoot zegt voortdurend: nog twee jaar. Ze begint een seksuele relatie met een ander en verlaat haar man uiteindelijk. Ze gaat zelfs naar het oorlogsgebied in Libanon - ze is liever daar dan waar het vrede is. Het is ook geen echte vrede. Ach, het is hetzelfde als in het Westen, mannen stellen zich geen vragen over hun leven. Robots zijn het, ze werken en werken, ze zijn zo ambitieus, ze willen succes, meer geld, meer spullen, meer aanzien. Er is hier in het Westen toch ook een crisis: mannen zijn niet meer romantisch, ze zijn te ambitieus. Eerlijk gezegd heb ik medelijden met mannen in de Arabische wereld, want zij zijn ook gevangenen van de tradities.
Er zijn veel vrouwen die voor vrijheid vechten, in Egypte, Jordanie, Iran, Syrie, Libanon. Zelfs in de Golfstaten. Ze schrijven, vechten. Er zijn ook mannen die willen veranderen, maar de overheid zal het niet toelaten. In Egypte bijvoorbeeld hebben mannen vanaf hun veertiende, vijftiende het gevoel dat ze verantwoordelijk zijn voor hun moeder en zusters. Hun moeder leert ze dat ook: ze moeten op hun zussen passen en ze verdedigen. En dat geldt ook financieel. Jongens van veertien jaar oud! In plaats van te denken over hun eigen leven dragen ze de zware last op hun schouders van het leven van anderen. De zwaarste last is die van de eer, de eer van het meisje. Dat is nu aan het veranderen in Libanon, in Noord-Afrika. Al is er ook een groeiend fundamentalisme, heel tegenstrijdig. In Libanon zie je zowel vrouwen als Madonna met lang haar en westerse kleren als vrouwen in het zwart, met sluiers. Het is een maatschappij vol contradicties. De fundamentalisten zijn in opmars, tegelijk is er een groeiende onafhankelijkheid voor vrouwen: steeds meer vrouwen werken, zijn financieel onafhankelijk en kunnen hun eigen leven leiden. Werk is heel belangrijk. Ik weet nog goed hoe ik de eerste keer mijn salaris in mijn hand hield. Ik voelde me sterker dan mijn vader. Ik had een identiteit, ik kon anders ademhalen.’