Opheffer

Ik herinner me mijn pacifisme

Vroeger had je pacifisme – het gebroken geweertje.

Wanneer ik dat droeg, waren mijn ouders – lees: mijn vader – bijzonder kwaad. Hij was geen pacifist. Er waren goede redenen om oorlog te voeren, er waren soms goede redenen om mensen te doden. Daarbij was het pacifisme – we spraken in die tijd over een «pacifistische houding» – vaak de rechtvaardiging van concentratiekampen, volgens de volgende redenering: er zijn concentratiekampen, daar moet iets tegen worden gedaan. De pacifist zal daar niet tegen optreden, terwijl zo snel mogelijk optreden gewenst is. Zolang ze niet optreden, rechtvaardigen ze het concentratiekamp.

Als ik – als pacifist – zoiets hoorde, sprong ik uit elkaar van woede.

In de loop van de tijd heb ik mijn ouders gelijk gegeven.

Soms moet je oorlog voeren, soms is strijd noodzakelijk – maar je moet verdomde goed weten wanneer je oorlog voert. De waardigheid van het menselijk leven moet voorop staan.

Iedere keer als ik hoor dat wij – Nederlandse militairen – «een tiental» of «enkele» Taliban-strijders hebben gedood, schrik ik. Ik kan me goed voorstellen wat er was gebeurd. Nederlanders waren op patrouille. Worden aangevallen. Mochten knokken voor eigen leven. Roepen luchtsteun op. En dat werkt en aldus worden de Taliban-strijders gedood.

Toch wringt het.

Hebben wij een oorlogsverklaring tegen die strijders uitgeroepen? Weten wij zeker dat ze ons willen vermoorden? Om welke reden precies? Hebben ze – hoe gek ze ook denken – niet het recht om daar te zijn? Hebben ze ook niet enigszins gelijk wanneer ze ons zien als een bezettingsmacht? Storen ze ons? Zijn ze voor ons in de toekomst gevaarlijk? Wat dat laatste betreft: ik kan me voorstellen dat vooral hun opiumteelt gevaarlijk is voor ons, maar juist die laten wij met rust…

Het vreemde feit doet zich voor dat wij in Afghanistan al meer Afghanen hebben gedood dan Duitsers in de Tweede Wereldoorlog. Dat we ook langer achtereen hebben gevochten.

Vanuit een bepaald gezichtspunt zit er verbetering in de geschiedenis… En je zou zelfs kunnen zeggen dat we van onze fouten hebben geleerd. We gaan niet meer op de fiets naar het front.

Maar het blijft vreemd – zoals nu ook Kamp ruiterlijk toegeeft dat hij wel vermoedt dat de strijd een aantal Nederlandse doden zal kosten.

Nederlandse doden?

Hoeveel? Wanneer? Wie?

Ook uit dat probleem ben ik nog niet.

Ik ben nu over de vijftig. Als ik een zoon had gehad in plaats van een dochter, dan was hij nu in de leeftijd om het beste kanonnenvoer te zijn.

Toen ik kinderen ging maken, was de dienstplicht al opgeheven en wist ik zeker dat mijn zoon niet ten strijde hoefde te trekken.

Hoewel…

In mijn achterhoofd – mijn ouders indachtig – wist ik dat er een moment kon komen waarop ik zou moeten kiezen voor «mijn vaderland», hoewel dat begrip me niets zei. Mijn vaderland… Natuurlijk, als we zouden worden bedreigd, zou zelfs ik ten strijde trekken. Als we weer bezet zouden worden – natuurlijk zou ik dan mijn zoon naar het front sturen… Maar anders? Anders niet.

Ons leger zit nu in Afghanistan. Daar doden ze Taliban-strijders en ze lopen de grote kans zelf gedood te worden.

Hoewel er veel over gediscussieerd is, en ik vrij veel kranten lees, heb ik toch het gevoel dat ik er niet echt bij betrokken ben – bij het besluit dus dat er doden kunnen vallen aan onze kant, dat we ten strijde trekken in een ander land…

Natuurlijk: er moeten schooltjes komen, onderwijs, liefst democratie, een goede gezondheidszorg… Maar tot hoe ver strekt onze morele verplichting?

Wat is die morele verplichting precies? Op basis van wat hebben we die morele verplichting? Is het zo dat we ons amoreel gedragen als we niet ten oorlog trekken? Waarom gedragen we ons dan amoreel? Omdat we die kinderen niet helpen?

Nogmaals: er is veel over gepraat, er is een democratisch besluit genomen, en dat besluit dient te worden gerespecteerd.

Maar… heb ik in die verkiezingsprogramma’s eigenlijk gelezen dat we de Taliban gingen bestrijden?

Ik kan het me niet herinneren. Het was vlak na de moord op Fortuyn. Ik herinner me dat het ging om veiligheid, werkgelegenheid. Er zouden harde maatregelen genomen worden en we zouden de broekriem weer eens aanhalen. En internationale veiligheid en terrorisme waren ook «kernbegrippen». Maar oorlog in Afghanistan voeren… Daar heb ik weinig over gelezen in de partijprogramma’s.

En nu zie ik dat er dagelijks wordt gevochten. Door onze commando’s. Er is al meer gevochten dan ooit.

Langzaamaan herinner ik me mijn pacifisme. Ik heb destijds de discussie met mijn ouders verloren. Ik geef toe: soms is oorlog noodzakelijk.

Maar ik zie die noodzaak nu niet zo in.

Ik moet Amerika helpen? Helpt dit tegen het terrorisme in Nederland?

Worden we hier wijzer van? Krijgen we hierdoor meer olie? Knopen we hiermee betere vriendschapsbanden aan met het Midden-Oosten?

Ik geloof er allemaal niks van.

En dat niet alleen: we vechten, soms wel een hele dag. En ik zie er niets van. En ik hoor er eigenlijk ook weinig over. «Tientallen doden aan Taliban-zijde.»

Die doden zou ik ook willen zien.