Ik herken mijn publiek aan hun witte haren

Opera-en-veel-meer-zangeres Tania Kross leerde de klassieke muziek kennen uit tekenfilms. Tijdens het Gergiev Festival debuteert de gelauwerde dertiger bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest. «Als er twee bruine mensen in de zaal zitten, zijn het mijn ouders.»

Hoe ze het in haar hoofd kreeg om als Antilliaans meisje operazangeres te willen worden. En daarmee de wereld te veroveren.

Tania Kross, inmiddels dertig, onder veel meer operazangeres en gelauwerd in binnen- en buitenland, kan het gesmaal dat haar als kind ten deel viel nog met gemak terughalen. Maar ze begrijpt het wel. Ze had een ambitie zonder referentie. Zelfs de bron van de muziek die ze wilde horen was op Curaçao noodgedwongen een onorthodoxe: «Klassieke muziek haalde ik uit tekenfilms. Echt van die oude, van Bugs Bunny en Tom en Jerry. Daar zit veel klassieke muziek in. Ik zat voor de televisie met mijn ogen dicht. En mijn moeder maar blijven zeggen dat ik moest kijken. Maar ik was toen al gefascineerd door de beelden die je kunt oproepen met alleen geluiden.»

Het ging niet over. Toen ze puber was waren haar ambities onveranderd. Dus betaalden haar ouders een retourticket naar Nederland, om toelatingsexamen voor het conservatorium te kunnen doen. «Zij geloofden er wel in. En ze hadden door dat ik zo graag wilde dat ze dat nooit konden veranderen. Maar ze dachten tegelijkertijd dat anderen er waarschijnlijk minder in zouden geloven. Dat hoort ze dan wel als ze in Nederland is, redeneerden ze.»

Ondanks haar «slechte Duits» en «verschrikkelijke Frans» werd ze toegelaten. «Ik kon eigenlijk nog niet zingen. Maar ik was wel een zangeres, daar konden ze niet onderuit. Wat ik deed, deed ik met overtuiging.» Ze verhuisde naar Nederland. Opnieuw werd ze gewaarschuwd. «Nederland? Daar ben je maar een nummer, en je woont er in een kippenhok dat ze flat noemen.»

Dat laatste bleek niet eens zo overdreven, in Utrecht Overvecht. De rest wel. Al viel de opleiding niet op alle vlakken mee: «Ik had een drie voor het vak analyse vormleer, maar een tien voor Engelse declamatie. Extreem hoog wisselde ik af met extreem laag. En ik moest even wennen. Aan alle middelen tegen verkoudheid, want hier waait niet zoals op de Antillen ieder beginnend griepje vanzelf wel weg. En aan de cultuurshock. Ik bedoel, op Curaçao ben ik niet zwart. Mij moeder is Venezolaanse, mijn vader een Surinamer met Duits en joods bloed. Hier hoorde ik dat er een zwart meisje op de opleiding zat. Die wilde ik graag ontmoeten. Maar ik bleek het zelf te zijn. En steeds die behoefte van mensen om te begrijpen wie ik was, waar ik vandaan kwam en waarom. Van die gesprekken als: ‹Waar kom jij vandaan?› ‹Utrecht.› ‹Nee, waar kom je vanda-haan?›»

Haar lach schalt door het café. Kross praat levendig, en bruist nog na wanneer ze zwijgt. Zelfs over haar tijd als caissière bij meubelmoloch Ikea kan ze enthousiast vertellen. Over die Marokkaanse man die aan de kassa probeerde af te dingen. Over al die vrouwen met hoofddoekjes in Kross’ rij, omdat een pan verkeerd geprijsd was en in plaats van 12,95 opeens maar één euro kostte, en ze dachten dat ze daar bij de vermoede mede-allochtoon Kross wel mee wegkwamen. Dat iedereen in die lange rij altijd zo blij was. En als ze het niet waren, hoe eenvoudig het dan was om dat te veranderen: «Als iemand daar met een chagrijnig gezicht stond, pakte ik uit zijn aankopen een asbakje en zei: ‹Hé, die heb ik nog nooit gezien. Wat een leuke!› Als mensen het gevoel hadden uit al die massagoederen een heel bijzondere keuze te hebben gemaakt, werden ze alsnog vrolijk.»

Ze woont waar ze optreedt. In Nederland heeft ze een pied-à-terre, op Curaçao een huis. Vliegvelden voelen als thuishavens: «Het zijn kennelijk de gevaarlijkste plekken ter wereld, maar ik vind het de leukste. Ik voel me oprecht een wereldburger, ik spreek inmiddels ook vijf talen vloeiend. Van mensen die twee weken op vakantie gaan en dan al heimwee hebben, begrijp ik niets. Dat je op de derde dag in Spanje al huilend naar huis belt, ongelooflijk.»

Een leven dat zich continu verplaatst, het moet veel energie kosten. Dat is wat de buitenwacht denkt, en dat is het misverstand: «Het levert juist veel energie op. Die komt van al die mensen in de zaal, die ik alles geef wat ik in me heb, maar waar ik ook heel veel van terugkrijg. Dat is moeilijk uit te leggen aan mensen met een ander vak. Maar stel, je bent postbode. Dan zou je het kunnen vergelijken met het rondbrengen van de post, waarbij iedere deur openzwaait en er iemand naar buiten komt en zegt: ‹Wat ben je toch geweldig! Die brieven gleden weer zo goed door de brievenbus! En ze kwamen precies goed op de mat terecht! Dankzij jou!›»

Niet dat het publiek en niets dan dat de maatstaf is, voegt ze eraan toe. Haar enige criteria zijn uiteindelijk die van haarzelf. Maar goed, artiesten zijn artiesten omdat ze altijd aandacht willen. Daartoe moet je blijven verrassen. En dus ontwikkelen. Streng: «Je bent zo goed als je laatste werk.»

Niet als je beste? «Nee, het gaat er niet om hoe je vroeger was. Het gaat erom hoe je nu bent.»

Die ontwikkeling, die gaat ook nog steeds de volle breedte in. Diversiteit is het sleutelwoord. «In een recensie stond ooit: als je haar programma ziet, denk je: wat een ratjetoe! Maar ongelooflijk hoe ze het allemaal aan elkaar breit. Ik dacht: yes! Precies wat ik wil! Haydn en Rossini en Händel en Strawinsky en Brahms en Kurt Weill. Allemaal. Ik wil kunnen switchen van de een naar de ander. En dat moet ook kunnen, vind ik. Als ik het maar overtuigend vertolk, zodat je als bezoeker denkt: zo heeft hij het bedoeld toen hij het schreef.»

Keuzes maken is niet moeilijk, dat doet haar stem: «Waarom een matige Wagner-zangeres willen zijn als ik een fantastische Händel-zangeres ben? Het is ook een kwestie van timing: voor bepaald repertoire kun je beter eerst nog een tijd rijpen. En ik ben goed in expressie en virtuositeit. Een ander weer meer in de lange lijnen en het uitrekken.»

Een tafel verderop staan een oudere dame en heer op. Ze groeten. Lachend zegt Kross: «Mijn fans. Ik herken mijn publiek aan hun witte haren.»

Ze treedt op voor de elite, de blanke elite: «Als er twee bruine mensen in de zaal zitten, zijn het mijn ouders.»

In het gastenboek van haar site gebruikte een bezoeker het woord «rolmodel». Ze zou het zelf niet gebruiken, en het bevreemdt haar enigszins dat zangers en zangeressen altijd naar een maatschappelijke opvatting wordt gevraagd «en een hoboïst nooit», maar een kruis is het ook niet: «Als ik iets bewezen heb, is dat je kunt leren. Je hoeft blijkbaar niet al in je wieg de Matthäus Passion te hebben geleerd om hem uiteindelijk zelf te kunnen zingen.»

Jammer voor de blinden en de doven, «daar zijn gelukkig andere fondsen voor», maar haar liefdadigheidswerk op Curaçao spitst zich toe op het kruispunt van onderwijs, cultuur en jongeren.

«Ons kent ons», dus geld geeft ze niet, maar goederen wel. Bladmuziek bijvoorbeeld, want die ontbreekt vrijwel volledig. «En hoe kun je het dan leren?»

Ze won in 1995, 1997 en 1998 de eerste prijs van de Stichting Jong Muziektalent, in 1997 de Incentive Prize tijdens de Rosa Ponselle International Competition for Vocal Arts in New York, in 2000 de NPS Cultuurprijs, en was in het seizoen 2004/2005 de «rising star» van het Concertgebouw in Amsterdam. Haar tweede cd staat op het punt van verschijnen, en tijdens het Gergiev Festival (met dit jaar een thema: vrijheid) debuteert ze bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

Nu is ze tot haar vreugde dus dertig («Geen jong talent meer! Eindelijk moet ik gewoon goed kunnen zingen») en werkt ze aan haar eigen Antilliaanse opera. Onder meer. Onder veel meer. Het is een bestaan met de agenda als bindmiddel. Stel, die valt ooit leeg. Kross, schaterend: «Dan ga ik kindjes krijgen! Ja, toch? Op dit moment heb ik het beste voorbehoedmiddel dat er bestaat. De webcam!»

De beste zangeres is ze niet, zegt ze, «maar wel de meest gedisciplineerde». En dan bedoelt ze niet alleen dat ze altijd een sjaal bij zich heeft, niet per openbaar vervoer reist en het liefst uitgaat in een bioscoop «want daar houdt iedereen zijn bek en rookt niemand». Het gaat om inzet, om de wil tot ontwikkeling. En daarmee de wil om te blijven: «Ik wil nadrukkelijk geen hype zijn. En als er mensen zijn die denken dat ik dat wél ben, dan ben ik het al sinds mijn 23ste.»