Martin Simek interviewt Martin Simek

‘Ik hoef geen praatjes, ik kijk’

Van jongs af aan bewoonde Martin Simek een lijf dat tot aanwezigheid dwong, letterlijk en figuurlijk. Hij wist niet beter dan dat alle ogen op hem gericht waren. Tot hij ouder werd. ‘Ik geloof dat ik het leuk ga vinden onzichtbaar te worden.’

Medium simek

Als ik ‘lichaam’ zeg, wat komt dan het eerste bij u op?

Harry Mulisch.

Dat moet u uitleggen. Ik had bij u de wildste associaties verwacht, adembenemende vrouwenlichamen, tennissers of atleten die op uw netvlies gebrand staan, maar Mulisch, nee.

Ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van de schrijver, vele jaren geleden dus, mocht ik hem in Rome, om de hoek van het Pantheon, een plek van betekenis in De ontdekking van de hemel, voor de televisie portretteren. Op een gegeven moment, we hadden het over zijn maagkanker, die hij al weer een paar jaar daarvoor had overwonnen, zei Mulisch: ‘Sporters zijn dom. Ze denken dat ze een lichaam zíjn. Ik weet dat ik een lichaam héb. Daarom kreeg de kanker bij mij uiteindelijk geen kans.’ Dat hebben of zijn van het lichaam, dat heeft indruk op me gemaakt.

En, welke kant neigt u op? Bent u uw lichaam of hebt u een lichaam?

Het spant erom. Hoe beter ik in m’n vel zit, des te helderder ik denk. Wakkere zintuigen scherpen je waarneming. En daar begint het mee, met waarnemen. Johan Cruijff spreekt niet eens over denken als hij zegt: ‘Je moet het zien om het te weten.’ Dat is ook mijn ervaring. Verreweg de meeste mensen zien en horen wat ze al dachten. Het lichaam is een fascinerende fabriek die voortdurend bergen verzet. Eigenlijk merken we ons lichaam pas op als het faalt. Van dat falen zijn we vaak zelf de oorzaak.

Je ziet regelmatig tennissers op zichzelf mopperen, de schouders laten hangen, met rackets gooien. Wie moppert op wie?

Het denken geeft commentaar op het lichaam. De hersenen nemen graag de rol van leraar, ouder en sportpsycholoog op zich. Het denken weet het allemaal zo goed en het lichaam is zo stom om het weer eens fout te doen. Deze gespleten houding heeft meestal een lange persoonlijke geschiedenis. Niet iedereen had een moeder als die van Jimmy Connors, een tennisser die tussen 1972 en 1992 het wereldtennis heeft gedomineerd. Ze hield de kleine Jimmy onophoudelijk voor: je kunt het, je bent de beste, ga zo door, geeft niet, het lukt je vast wel. De meeste ouders, vol goede bedoelingen overigens, doen het tegenovergestelde: pas op, val niet, niet doen, hou op, daar ben je nog te klein voor, doe niet zo gek, schreeuw niet, wees niet zo druk, luister. Eigengereidheid wordt zelden aangemoedigd. Kinderen ervaren dat als verraad, als een gebrek aan vertrouwen. Nadat ze jarenlang tevergeefs tegen hun ouders hebben geroepen: kijk papa, kijk mama, kijk eens wat ik kan!, gaan ze van anderen aandacht proberen te krijgen, om hun trauma te compenseren. Wie om waardering van het publiek bedelt kan geen nummer één worden. Connors liet zich nooit door het publiek van de wijs brengen, maar zette het juist in om van zijn tegenstander te winnen. Stel dat hij vandaag nog actief zou zijn en tegen Nadal zou spelen. Nadal, die als tik heeft dat hij na iedere vijf punten zijn nauwe broekje uit zijn bilspleet haalt. Connors zou ongetwijfeld op een goed gekozen moment, achter Nadals rug, theatraal hetzelfde hebben gedaan. Vijftienduizend toeschouwers zouden het centercourt van Wimbledon op zijn grondvesten doen schudden van het lachen, tot verbazing van Nadal. Waar lachen ze toch om? Even later zou hij niets­vermoedend zijn broekje weer uit zijn achterste halen. Het stadion zou weer lachen. En dan pas zou Nadal begrijpen wat Connors hem heeft geflikt, maar een gewoonte verander je niet één-twee-drie. Iedere keer dat zijn hand naar zijn achterste zou gaan, zou er gelachen worden. Het resultaat van die wedstrijd laat zich raden.

Waarom heeft nog nooit iemand Nadal op die manier aangepakt? Zijn hedendaagse tennissers daar te dom voor?

Connors had een uniek vermogen in en uit de wedstrijd te stappen, zoals een filmacteur het moet kunnen tijdens de opnamen die om de haverklap worden onderbroken en eindeloos herhaald. Bij de slagwisseling was Connors zijn lichaam en tussen de punten door was hij een doortrapte manipulator. Verreweg de meeste tennissers hebben een soort toneelconcentratie; zij fixeren hun aandacht voor de volle duur van de wedstrijd. Ze hebben het al druk genoeg met de bal. Het psychologisch bespelen van de tegenstander en het publiek kunnen ze er absoluut niet bij hebben, want ze zouden zichzélf uit het spel halen, in plaats van de tegenstander.

Dus als ik het goed begrijp moet een sporter alleen zijn lichaam zíjn op het moment van de sportprestatie?

Het lichaam is een vehikel, en je laat de motor niet onnodig draaien. Dat geldt voor de geest ook.

Maalt u nooit?

Ja, natuurlijk. Afschuwelijk. Dat is voor mij de definitie van machteloosheid. Malen is een cirkelbeweging, een draaikolk. De gedachten slaan naar binnen, ze zuigen je naar de bodem, in plaats van dat ze je eruit helpen. Ik heb het een keertje 36 uur meegemaakt, en het had geen 48 uur moeten duren.

Kan het lichaam je op zo’n moment helpen? Je van de bodem halen?

Nee, want dat raakt verlamd. Je wordt er lichamelijk ziek van. Je moet de situatie soms aanvaarden. Om de oorlog te winnen moet je een veldslag kunnen verliezen.

Hebben intellectuelen iets aan hun lichaam?

Dat ze bijvoorbeeld langer intellectueel kunnen zijn. Iedereen die zijn lichaam negeert betaalt daar een prijs voor.

Uw lichaam is niet over het hoofd te zien.

Dat klopt. Ik heb nooit de kans gehad om mijn lichaam te negeren. Zelfs niet toen ik klein was, want in verhouding tot mijn leeftijdgenoten was ik nooit klein. Het is mijn bijzondere vader gelukt om mij op mijn vijfde naar de lagere school te krijgen, want ik was zo lang dat ik detoneerde tussen de kleuters. Ik heb nooit de illusie gehad dat ik onzichtbaar kon zijn, en ik had er ook geen behoefte aan, integendeel. Ik was een nieuwe generatie Vijanden van het Volk, de troetelnaam die de communisten aan de intelligentsia hadden gegeven. Ik zag mijn aanwezigheid als de triomf van mijn vader op de communistische dictatuur. Zijn leven hadden ze verwoest, hij, dichter en filosoof, moest zakken vullen in de cementfabrieken, maar hij had toch maar mooi mij, en dat voelde ik als een verantwoordelijkheid. Ik liep over straat met het zelfbewustzijn van de ter dood veroordeelden. Mensen die naar de galg lopen en alle hoop achter zich hebben gelaten krijgen ineens een enorme aanwezigheid. Ik wist als klein kind al: het kan morgen afgelopen zijn, maar zoláng ik er ben, dan ook echt. Ik vertegenwoordigde niet alleen mezelf. Ik liep zo rechtop als ik kon voor mijn vader, voor mijn ouders, voor de doden en de gemartelden, kortom voor de mensen zoals wij.

Zo ken ik u weer, meneer Simek. Dramatiek en gevoel voor overdrijving. En waarom ook niet? Niemand kan het controleren, want het is inmiddels bijna vijftig jaar geleden. Maar u kent dus niet dat gevoel van: jongens, vandaag ben ik er even niet? Kijk me even niet aan?

Nee, dat heb ik nooit. Ik zit nu eenmaal aan dat grote lichaam vast. En ik vind mijn lichaam ook fijn, omdat het mijn innerlijk onzichtbaar maakt voor de buitenwereld. Natuurlijk ken ik dagen dat er maar een mugje in de olifant zit. Maar het lijkt mij vervelender om fysiek een mugje te zijn waarin een olifant schuilt. Aanwezigheid ervaar ik als kracht.

Was u een onweerstaanbare man, toen u Nederland eind jaren zestig met uw aanwezigheid verrijkte?

Ik heb mezelf nooit ervaren als iemand die het van zijn uiterlijk moest hebben. Ik was nooit iemand die een drankje bestelde en op een barkruk ging zitten wachten wie er op me af zou stappen. Met aanwezig zijn bedoel ik niet dat je jezelf etaleert, maar dat je je niet verstopt. Ik ben per slot een tennisser. Al sta je 6-0, 5-0 achter, de wedstrijd is nog niet verloren. Je kan het tij nog altijd keren. Voetbal zit aan een tijdslimiet vast, en je bent met z’n elven. Een elftal kan me dan ook enorm irriteren als ik na een half uur nog niet weet wie er meespeelt. Je moet jezelf zichtbaar maken, aanbieden, aanspeelbaar maken, kortom aanwezig zijn. Altijd. Maar niet als een pauw, die alleen zijn veren kan tonen, omdat hij geen andere middelen ter beschikking heeft. Dat is op een verkeerde manier aanwezig zijn. In de Kalverstraat kan ik triest worden van al die mensen die daar lopen in de hoop dat anderen ze zien. Zelf zien ze niemand. Ik ben aanwezig om anderen te ontmoeten, om het leven te ontmoeten. Een pauw heeft aan zichzelf genoeg, een konijn komt even schichtig om het hoekje kijken en sprint weg, een leeuw wil overheersen. Een olifant is er gewoon. Hij heeft genoeg aan wat blaadjes en takken, terwijl hij iedereen zou kunnen vermorzelen. Hij wordt door anderen misschien als obstakel ervaren, maar hij heeft geen enkele agressieve bedoeling met zijn aanwezigheid. Overal waar ik kom, kom ik om te observeren. Maar ik besef dat ik geen candid camera ben.

U komt vaak letterlijk te dichtbij. Mensen raken of in paniek, of ze voelen zich juist enorm op hun gemak. In ieder geval gaan de meesten zich anders gedragen met u in de buurt.

Het wordt minder, nu ik ouder word. Dat is nieuw voor mij, maar ook onder die nieuwe omstandigheid blijf ik mezelf. Ik geloof dat ik het leuk ga vinden onzichtbaar te worden, net zo lang te leven tot ik lucht ben geworden voor iedereen. Verdampen, niet tot last zijn, dat is pas een happy end. Ik ben me altijd bewust geweest, besef ik nu, van het feit dat ik iets vertegenwoordigde. In Tsjecho-Slowakije mijn vernederde vader. Later, in het Westen, mijn getergde vaderland. In Italië vertegenwoordigde ik gek genoeg weer Nederland. En in het tenniscircuit vertegenwoordigde ik mijn spelers, altijd, wat er ook gebeurde.

Voor een vertegenwoordiger hebt u best een grote mond. U hebt bijvoorbeeld nogal eens kritiek op Nederlandse vrouwen. Wat stoort u?

Zeker niet hun schoonheid. Maar de manier waarop ze ermee omgaan. Dat stoere, vlotte, wijdbeense, cowboylaarzen-achtige. Als je werkelijk geëmancipeerd bent, hoef je dat niet te laten zien. Dan ben je het eenvoudig. Begin jaren tachtig, toen Loek Sanders Nederlands tenniskampioen was, wilde hij van mij graag wat lessen hebben om zijn service te verbeteren. En wat moest dat kosten? Ik noemde een prijs, ik meen honderd gulden per uur. ‘Maar ik ben achtmalig Nederlands kampioen, jij moet jezelf nog bewijzen als trainer’, zei Loek Sanders. Ik antwoordde: ‘Loek, wil je dat ik je leer serveren of dat ik mezelf ga bewijzen als trainer? Ik kan geen twee dingen tegelijk.’ Hij zag het in en excuseerde zich. Wie wil zich nou bewijzen? Alleen wie niet spoort. Zijn is genoeg. De bewijslast dat dat niet zo is, ligt bij de anderen.

Hoe iemand beweegt, binnenkomt, een hand geeft, de aandacht van de ober probeert te vangen, lijkt voor u belangrijker dan voor anderen. Hoe is dat zo ontstaan?

Ik hoef geen praatjes, ik kijk. En kijk en kijk. Dat was je redding onder de communisten, waar je nooit wist met wie je te maken had. Mensen hielden hun ogen vaak neergeslagen om niet te provoceren, maar des te beter kon je hun lichaamstaal bestuderen. En zeker als kind. Een kind wordt veel vergeven en mag wat anderen niet mogen. Na langdurig kijken kwam ik tot de conclusie dat mensen die waardigheid hadden tegenstanders van het regime waren.

Waar las u die waardigheid aan af?

Aan de verzorgdheid van de gestes. Aan het lichamelijk articuleren. Velen in Nederland komen wat dat betreft niet verder dan wat lichamelijk gemompel. Zelfs mensen die gewend zijn in het openbaar op te treden verschuilen zich het liefst achter een katheder of een tafel in een tv-studio. Vrijstaand in de ruimte zijn ze nergens. Alleen Maarten van Rossem heeft de nationale onhandigheid tot een kunst weten te verheffen. Hij is geweldig.

Wat kom je te weten over mensen via hun lichaamstaal?

Alles. Hoe we ervoor staan. In de moderne maatschappij stuit je steeds vaker op automaten, antwoordapparaten en mensen in hun rol. Het heet efficiënt, maar het is behalve saai ook gevaarlijk. Robots denken niet en dat wordt ook niet van ze verwacht. De volgende stap is dat het denken verboden wordt, dan krijgen alle landen een technische regering. Gelukkig zitten ook technocraten aan hun lichaamstaal vast, en het lichaam liegt nooit, tenzij de lichamen zich in uniformen steken en laarzen aantrekken. Maar hopelijk zal dan de mens in de robot weer wakker worden. Mensen ontregelen en uit hun rol halen is voor mij geen missie, maar wel een kleine rebellie die mijn dagelijkse bestaan opfleurt. Als iemand mij aanpakt, ben ik daar ook dankbaar voor. Laatst kruiste ik al fietsend door de stad Wim T. Schippers, ook op de fiets. Ik groette beleefd; hij is tenslotte ouder. Hij wierp me een samenzweerderige blik toe en siste: ‘Op zoek naar vrouwtjes?’ Driehonderd meter verder grijnsde ik nog steeds. Heerlijk!

Ooit hebt u Freek de Jonge als schoolvoorbeeld van een authentieke beweger genoemd. Waarom?

Freek is in wezen motorisch gehandicapt, en als zodanig volkomen zichzelf. Hij vroeg me ooit om hem tennisles te geven. We gingen de baan op en Freek begon ballen van zich af te slaan. Ik moest zo onbedaarlijk lachen dat ik moest stoppen. Ik riep hem aan het net en zei: ‘Freek, natuurlijk kan ik je beter leren tennissen, maar de vraag is of er straks nog iemand zal lachen als je opkomt in Carré. Blijf vooral zoals je bent.’

Haten mensen u niet om dit soort opmerkingen?

Freek niet. Maar minder verlichten voelen zich in de zeik genomen.

Meneer Simek, ik zou me als interviewer mislukt voelen als er niet tenminste één adembenemende vrouw ter sprake was gekomen.

Twee dan. We moeten terug naar de snikhete zomer van 1971. Ik was als een van de weinigen achtergebleven in de Amsterdamse binnenstad. Het hete asfalt brandde door de zolen van mijn tennisschoenen terwijl ik in mijn blote bast en tennisshorts door de Govert Flinckstraat liep, een eindeloze, nagenoeg kaarsrechte straat die de Amsterdamse Pijp doorklieft. Op een enkele geparkeerde auto na was ik alleen. Plotseling, als een fata morgana, doemde zo’n honderd meter voor me een vrouwenfiguur op met naast zich… ja, wat was dat? Het bleek een hond. Een Deense dog. Ze liep met hem aan de riem, net als ik midden op straat. Terwijl ze dichterbij kwamen, viel het beest van zeker één meter veertig haast in het niets bij haar welvingen, die ook nog eens in een panterjurkje gekneld waren. Ze was een meisje van mijn leeftijd. Het geluid van haar naaldhakken weerkaatste tussen de verlaten huizen. Als in een western van Sergio Leone koersten wij recht op elkaar af. De lucht sidderde van de hitte en de emotie. Ik was als de dood voor de hond, maar te geil om voor hem te wijken. We stopten pas op één meter afstand van elkaar. Onze lichaamsgeur mengde zich met die van de hond. De erotische spanning was om te snijden. Ik was zeker van mijn zaak toen ik de zin die ik had voorbereid zo langzaam en met zo laag mogelijke stem declameerde: ‘Wie is gevaarlijker, u of uw hond?’ Ze staarde me lange seconden aan, voor uit haar open mond viel: ‘Wátteeee???’ Ik wist niet hoe snel ik door moest lopen.

Twee jaar later, maar gezien mijn leeftijd nog altijd in de ban van de hormonen, ontmoette ik Joyce. Ze was een mannequin. Een engelachtig gezicht, maar nagenoeg zonder lichaam. Zeker geen borsten en billen. Ik viel hopeloos voor haar, maar was als de dood. Zou ik überhaupt opgewonden kunnen raken? Met haar leerde ik een vlinder beminnen, een vrouwelijkheid die het vleselijke ontstijgt. Joyce was mijn doorbraak. Ik en iedere vrouw die na haar kwam mogen haar dankbaar zijn. Je moet het mee­gemaakt hebben om het te weten.