Ik hoest

Hoe vijf minuten je leven voorgoed kunnen veranderen. Dit zinnetje staat dikgedrukt op de achterflap van de debuutroman van Hester Carvalho, de popjournaliste wier stukjes in de krant ik altijd graag lees. Ik heb haar roman, De liefhebber, net gelezen, en twijfel of ik er nu een recensie over zal schrijven of niet.

‘Niet zo twijfelen’, zei mijn moeder altijd. ‘Dan word je zo'n twijfelaartje.’

I have a deep doubt about almost everything’, hoorde ik mezelf een paar maanden geleden stotteren tijdens het Winternachtenfestival, in conferentie met collega’s from all over the world. Ook toen plopte mijn moeder op in mijn hoofd, met in haar hand het washandje waarmee ze me tot besluitkracht hoopte te wekken.

Het klinkt als iets voor in een roman, dat in vijf minuten je leven voorgoed kan veranderen. In werkelijkheid gebeurt dat natuurlijk in minder dan een seconde. Het ene moment ben je de klimroos aan het snoeien, het volgende moment lig je dood in je tuin. Of denk ik nu te specifiek omdat ik bij een uitvaartmis was, en daar, na lang twijfelen - wanneer wordt iets blasfemie - een hostie tot me heb genomen?

Ik moet er nog over nadenken, over dat boek van Carvalho. Het is een beetje dun, en de zinnen zijn allemaal zo kaal en kort. Om de haverklap staat er dan ook nog eens: ‘Ik hoest.’ Als het allemaal zo kort is, krijgt alles betekenis. Gek is dat, hoe opzichtig literair opeens zo'n kaalgeslagen roman kan zijn. Maar kan ik daar een pagina vol over schrijven?

Ik kom alleen nog maar in de kerk voor uitvaartmissen. De aloude zondagse kriebel van ongedurigheid is onmiddellijk weer daar. Ik zie voor me in de banken twee kleine kinderen schuiven en wiebelen, en denk aan Thomas Rosenboom. Volgens hem is een hoop ellende terug te voeren op het feit dat kinderen zondags niet meer naar de kerk hoeven. Zelf zegt hij er het belangrijkste uit zijn leven geleerd te hebben: een uur lang stil zitten zonder een ander te storen, en de verveling met fantasie verdrijven. Ik luister naar mijn neef, die met verstikte stem zijn vader herdenkt, mijn nicht die een gedicht voordraagt. Het zou Rutger Kopland kunnen zijn, maar ook Toon Hermans. Dichters zijn goed met de dood.

Eerder deze week was de vraag of mijn moeder gereanimeerd moet worden als er iets gebeurt. Al naar gelang mijn antwoord krijgt ze een rode of een groene sticker achter haar naam. Twijfel, er is geen washandje tegen opgewassen.

Kale zinnen dus, maar wel een complexe vertelstructuur, dat boek van Carvalho. In het begin irriteert me dat een beetje, al die fragmenten door elkaar gehusseld. Het ene moment zit je met de hoofdfiguur in Amsterdam, in de Nieuwmarktbuurt, tussen de dealers en de junks, het andere moment in Guadeloupe, in de gevangenis waar hij de vloer duchtig bezemt en Anna Karenina leest, en dan weer in Georgetown, waar hij de bolletjes met kokosmelk naar binnen werkt. Na een tijdje gaat het echter werken, het gehussel van plaats en tijd. Omdat het er niet meer om gaat hoe het afloopt? Omdat er iets anders inzichtelijk wordt gemaakt? Maar wat dat dan precies is… Dat het onheil altijd binnen handbereik ligt, zoiets zal het wel zijn.

‘s Avonds zit ik alweer in de kerk. Dat wil zeggen: ik ben in Landgraaf en luister naar de dichters die zijn genomineerd voor de Jo Peters PoëziePrijs. Waarom die gewijde stilte na ieder gedicht? De priesterlijke voordracht van gastdichter Leonard Nolens maakt iets aloud bekends in me wakker: ik droom weg op mijn eigen gedachten. Straks moet ik op het podium Marije Langelaar en Ester Naomi Perquin interviewen. Ik hoest.

Wat fijn is aan de hoofdpersoon van Carvalho is dat hij een lezer is. Hij heeft zelfs aanvankelijk een boekhandel in Amsterdam-Zuid. Als geen ander kan hij zijn klanten wegwijs maken. En zelf heeft hij een passie voor Engelse schrijvers van midden vorige eeuw: Auden, Isherwood, Spender. Eenmaal in de gevangenis pakt hij, dankzij de zendingen van zijn vader, zijn oude leeswoede weer op. Dickens, Tolstoj, Joyce. Ze helpen hem de dag door.

'Eerst is er een modderstroom’, verklaart Marije Langelaar de oorsprong van haar poëzie, ‘en dan zijn er de lucide momenten.’

‘Bij mij begint het met de lucide momenten’, zegt Ester Naomi Perquin. En ze vertelt dat de ideale gemoedstoestand voor het dichten er een is van kilte. Verdriet of verliefdheid, ze doen je poëzie geen goed. Ik heb moeite haar te geloven.

‘Er is één gedicht van jou dat ik niet met droge ogen kan lezen’, zeg ik tegen Perquin.
‘Er is één gedicht dat ik nooit zal voordragen’, zegt zij.
‘Als jij zegt welk gedicht dat is’, zeg ik. ‘Misschien dat ik dan een teken van herkenning geef.’
‘Nee’, zegt ze. ‘Ik zeg het niet.’
‘Ik zeg het ook niet’, zeg ik.

Het was ook te mooi geweest, te opzichtig literair, zo'n gedicht als afsluiting.