Het jaar van corona

‘Ik hoop dat ik het krijg, eigenlijk’

Ze dacht dat het wel zou meevallen. Ze was immers jong en gezond. Het pakte anders uit. Corona krijgen is alsof je in een wilde rivier valt en kopje onder gaat. Hoe jong je ook bent.

‘Over ziek zijn worden nog grapjes gemaakt. Ik neem mijn kuchje niet serieus’ © S. Ybema

December, 2020. Mijn adem is zichtbaar in de kou. Langzaam lopen we tot aan de rand van het bos. Mijn vader komt naast me staan, op anderhalve meter afstand. ‘Ik ga nog even rennen’, zegt hij. Ik knik. Kijkend naar de bleke lucht die roze en oranje begint te worden, denk ik na over wat ik tegen mijn opa wil zeggen. Hij ligt op sterven. Door zijn alzheimer woont hij al jaren in een verpleeghuis, en een week geleden kreeg hij corona. De climax van veertien jaar afscheid nemen, noemde mijn tante het.

Het is donker als we bij de voordeur staan. In de hal liggen naast de handreiniger beschermende schorten en handschoenen klaar. Als ik mijn schort aan het aantrekken ben en wat hulpeloos naar de touwtjes kijk, komt er net een verpleegster naar beneden.

Mag ik je een tip geven?’
‘Ja graag’, lach ik.
‘Hij moet andersom.’

In de woonkamer staat kerstmuziek op. De verpleegster brengt me naar de gang van mijn opa, waar ik een medisch mondkapje krijg, een bril, en een tweede paar handschoenen. Ze legt uit in welke volgorde ik het na mijn bezoek moet uittrekken, en dan is ze even stil. We kijken elkaar aan.

‘Sterkte’, zegt ze zachtjes.

Lente

Het ruwe touw schaaft langs mijn wang als ik mijn grip verlies. Ik krijg nog steeds een adrenalinekick van vallen, al weet ik dat mijn vriendin me beneden staat te zekeren. Ik zwaai wat heen en weer aan het touw en strek mijn verkrampte vingers. Mijn vriendin moedigt me aan. Het klimmen gaat me steeds beter af.

Erna zitten we in een restaurant. Ik probeer niet aan mijn deadlines te denken. ‘Heb jij ook dat je de wereld soms op pauze wil zetten?’ vraag ik. ‘Ik wou dat ik dat kon. Even adempauze.’

‘Niet echt’, antwoordt ze. ‘Daar ben ik veel te ongeduldig voor.’

Het is lente, vlak voordat ik ziek word. Een vriendin viert haar verjaardag en we voelen ons onkwetsbaar. ‘Ik hoop dat ik het krijg, eigenlijk’, zeg ik. ‘Dan ben ik er vanaf.’ Een paar mensen lachen en knikken. ‘Ik bedoel, ik ben jong, gezond. Wat kan er misgaan?’

De geniale uitvinder Daedalus maakt tijdens zijn gevangenschap op Kreta vleugels van veren en bijenwas. Samen met zijn zoon Icarus weet hij te ontsnappen, vliegend naar vrijheid. Maar Icarus is jong en overmoedig, vergeet zijn vaders waarschuwingen en vliegt zo dicht bij de zon dat de was van zijn vleugels smelt. Hij stort neer. Het verhaal van Icarus is een schoolvoorbeeld van wat de Oude Grieken ‘hubris’ noemden – hoogmoed. Onverdiend zelfvertrouwen wordt door de goden zwaar bestraft.

Een paar dagen voordat premier Rutte de ‘intelligente lockdown’ aankondigt, begin ik te hoesten. De maatregelen zijn nog niet ons nieuwe normaal, over ziek zijn worden nog grapjes gemaakt, en ik neem mijn kuchje niet serieus. Maar als ik een paar dagen later nog ziek ben, en benauwd begin te worden, besluit ik het zekere voor het onzekere te nemen. Ik ga in quarantaine bij mijn ouders, zodat mijn huisgenoten niet voor mij hoeven te zorgen.

Ik zit in bed te lezen, maar de woorden blijven wazig. Het liefst zou ik een dutje doen, maar zonder afleiding wordt de benauwdheid erger, en de hoofdpijn ook. Ik hoor langzame voetstappen de trap op komen. Mijn moeder – waarschijnlijk heb ik haar aangestoken – komt binnen met een glimlach maar gaat direct op mijn bed liggen, aan het voeteneind.

‘Gaat het?’ vraag ik, tegen beter weten in. Twee dagen terug had ze haar tas gepakt, bang dat ze naar het ziekenhuis zou moeten.

‘Mmmhm’, klinkt het gedempt. Even later tilt ze haar hoofd op van mijn deken en vraagt ze: ‘Pasta of aardappelen?’

Ik schiet in de lach. ‘Je had niet helemaal omhoog hoeven komen om me dat te vragen, hoor.’

Mijn moeder doet haar ogen dicht. ‘Weet ik.’

‘Hoe voelt het?’ vraagt mijn zus. Buiten regent het, en wij zitten op de bank onder een deken.

‘Het voelt als…’ Ik zoek naar woorden. ‘Het voelt alsof mijn longen zijn verschrompeld. Zoals een oud elastiekje, waar de rek uit is.’
‘O. Dat is niet goed.’
‘Nee’, lach ik. ‘Het voelt niet echt goed.’

De laatste tijd voer ik elke dag mijn klachten in op een ziekenhuisapp. Bij zorgwekkende gegevens bellen ze. Maar de telefoniste klinkt niet al te bezorgd als ze me vraagt: ‘Ik zie hier dat je geen koorts hebt. Klopt dat?’

‘Ja, dat klopt, mijn hoogste temperatuur is tot nu toe 37,8.’
‘Dan is het waarschijnlijk geen Covid-19’, zegt ze vrolijk.
‘Wat?’
‘Koorts is een van de belangrijke symptomen.’
‘Natuurlijk. Maar ik ben nog nooit benauwd geweest, en mijn andere symptomen lijken ook allemaal te kloppen met corona.’
‘Dat is vervelend. Maar je klinkt niet buiten adem, nu ik je zo hoor. En alles gaat nu natuurlijk over corona, maar dat betekent niet dat alle andere ziektes verdwenen zijn. Ik raad je aan om even contact op te nemen met je dokter.’
‘Dat heb ik gedaan, hij zei dat het waarschijnlijk corona is.’
‘O. En ben je de laatste tijd gestrest? Deze crisis kan best wel stressvol zijn.’
‘Niet echt, nee. Maar mijn moeder heeft precies dezelfde symptomen, en gisteren hebben jullie tegen haar juist gezegd dat ze het waarschijnlijk wél had.’
‘Sorry. Maar we krijgen iedere dag nieuwe informatie, en er is nog maar weinig wat we echt zeker weten. We doen ons best.’
‘Ja’, zeg ik. ‘Ik weet het. Succes.’ Mijn ogen vallen dicht zodra ik ophang. Ik ben de laatste tijd moe zoals ik normaal alleen ben met een jetlag of na een weekendfestival.

Ik neem diep adem en sta op.

‘Goed nieuws’, zeg ik als ik de woonkamer binnenkom. ‘Ik ben helemaal niet ziek, alleen een beetje gestrest. Fijn hè?’

Mijn zus begint te lachen en mijn moeder vraagt: ‘Zeiden ze dat?’

‘Sukkels’, concludeert mijn vader. ‘Wil je mango?’

Na een paar weken kan ik voorzichtig mijn conditie beginnen op te bouwen. Ik kan niet fietsen, maar wel honderd meter wandelen. Die honderd meter gaan wel op het tempo van een honderdjarige, merkt mijn tante op als ze een keer langskomt. Bij de kade gaan we zitten en als ik me omdraai, veegt ze snel een traan weg.

Aan het eind van de lente maak ik plannen. Ik ga fulltime werken na mijn studie, om daarna in het buitenland verder te studeren. ’s Nachts droom ik dat ik over een weide ren. Het voelt bijna alsof ik vlieg.

Dan schreeuwt er iemand: ‘Snel! We hebben haast!’ Plotseling word ik opzij geduwd. Een groep mensen rent langs, en ik kan ze niet bijhouden. Er is iets mis met de lucht, want ademen wordt steeds moeilijker. Ik blijf proberen tot ik opeens bedenk: ik zou helemaal niet moeten rennen.

‘Ik zie dat je geen koorts hebt. Klopt dat? Dan heb je waarschijnlijk geen Covid-19’

‘Wacht!’ roep ik naar de mensen in de verte. ‘Ik kan dit niet.’

Ze horen me niet. Ik val op mijn knieën en schrik wakker.

Zomer

Het is ons eerste weekend weg sinds de crisis, en het strand ligt op loopafstand. Wij nemen de auto. Ik denk aan golven die tegen mijn benen slaan, de zon op mijn schouders, en de geur van zonnebrand. We stoppen vlak bij de strandopgang en met een grote glimlach stap ik uit. Het strand is verder lopen dan ik had gedacht. Boven op het duin kijk uit over zee. Ik loop een stukje het duin af, ver genoeg om mijn slippers uit te doen. Ik ga zitten in het warme zand, en mijn moeder komt naast me zitten. ‘Te ver?’ vraagt ze.

‘Ik weet het niet’, antwoord ik. ‘Misschien.’ Stil kijken we naar de golven in de verte. Mijn broer en zus waden door het water met hun broek opgerold en hun schoenen in de handen. Ik ga liggen, mijn badpak onder mijn kleren, de verleiding net buiten bereik.

Onder aan het duin aarzel ik. Omhoog lopen door rul zand is nooit leuk, maar nu voelt het bijna onmogelijk. Mijn broer kijkt naar de uitdrukking op mijn gezicht. ‘Zal ik je dragen?’ vraagt hij.

‘Weet je het zeker?’ antwoord ik.
‘Roos, je bent misschien een aangespoelde walvis, maar ik ga je niet laten doodgaan op het strand.’

Lachend klim ik op zijn rug en leg mijn hoofd op zijn schouder. Het doet me denken aan de keren dat mijn vader me van het strand droeg na een lange stranddag. Het heeft iets vredigs, om de wereld langs te zien komen zonder dat je zelf iets hoeft te doen. Minder vredig is dat ik dit kleine stukje niet eens zelf kan lopen.

Als we bijna boven zijn zet mijn broer me weer neer, hijgend. ‘Oké, ik hou van je, maar als ik je het hele stuk naar de auto draag, denk ik niet dat ik mijn benen nog kan gebruiken, ooit.’

Ik lach. ‘Ik kan de rest wel zelf.’
‘Nee, wacht!’ zegt mijn zus. ‘Ik wil kijken of ik het ook kan!’

Afgelopen zomer in Portugal droeg ik haar een steile weg omhoog naar het appartement. Halverwege draaiden we kort de rollen om en vielen we bijna op de grond. Maar de laatste weken, terwijl ik op de bank lag toe te kijken, heeft ze oneindig veel YouTube-workouts gevolgd. Nu wacht ze tot ik op haar rug spring. Tot mijn verbazing geeft ze geen krimp en begint met gemak het duin op te lopen.

‘Wow’, zeg ik, lachend. Ze is een paar jaar jonger en een paar centimeter kleiner dan ik, en mensen kijken ons na. ‘Heb je toch nog wat gehad aan al die beenspieroefeningen.’

Zodra ze me neerzet vraag ik mijn moeder: ‘Draag jij me het laatste stukje?’

‘Nou’, lacht ze. ‘Als je me dood wil hebben.’

Met de deurklink vast om niet om te vallen, sta ik in de gang mijn skeelers aan te trekken. Tot nu toe heb ik ze alleen nog gebruikt om langzaam door de buurt te rollen, soms zelfs voortgetrokken door mijn zus. Maar als ik de deur open doe en een windvlaag mij begroet, begin ik me roekeloos te voelen. Ik neem diep adem. Klaar voor de start? Af!

Het is donker buiten. Met de wind in mijn oren kijk ik naar het bankje waar ik normaal pauze neem. Ik stop niet. Het voelt goed om even niet voorzichtig te zijn en niet na te denken over hoe ik me erna zal voelen. Ik was bijna vergeten hoe dat voelt.

250 meter op skeelers duurt zo niet lang, zelfs niet met mijn verwaarloosde spieren na wekenlang stilzitten. ‘Jij bent snel terug’, zegt mijn zus fronsend.

‘Ja’, antwoord ik. ‘Ik heb net iets doms gedaan.’

Die avond lig ik uitgeteld op de bank met verhoging. Het lukt me niet elke dag om me in te houden.

Ziek zijn zien we vaak als strijd. Susan Sontag schreef een essay over de metaforen die men voor ziektes gebruikt, zoals die van het herstelproces als ‘gevecht’. Dit kan overlevenden in een positief licht stellen: zij zijn sterk, en hebben niet opgegeven. Maar wat als je het gevecht verliest? Was je dan niet sterk genoeg om je ziekte te ‘verslaan’, heb je niet hard genoeg geprobeerd? Maakt dit een verloren strijd schaamtevol?

Afgezien van de negatieve implicaties is deze metafoor in mijn ervaring ook, kort gezegd, onjuist. Herstellen is geen gevecht. Misschien dat andere ziektes anders zijn, maar ik heb nooit het gevoel gehad dat ik me ‘eruit’ kan vechten, tenzij geduld een wapen is. Het voelt eerder alsof het virus tegen mij vecht, en ik elke keer moet boeten als ik over mijn eigen grenzen ga.

Corona krijgen is meer alsof je in een wilde rivier valt. Voor je het weet ben je kopje onder. Hoe blijf je in leven? Een groot deel hangt af van geluk: kun je zwemmen? Heb je rotsen geraakt? Als je aan het verdrinken bent, moet je niet tegen de stroom in gaan zwemmen. Je moet je laten meevoeren. Op bed, drijvend door oneindig laagland, denk ik aan de eerste zin van een lied van Over the Rhine.

Slow down. Hold still. It’s not as if it’s a matter of will.

‘Als je aan het verdrinken bent, moet je je laten meevoeren’ © S. Ybema

Herfst

De oevers van mijn rivier zijn te hoog om eruit te klimmen, dus zoek ik naar drijfhout. Ik vind het in fysiotherapie. Bij de eerste afspraak doen we een test, om mijn kracht en conditie te meten. Ik loop in de gang heen en weer tussen twee pionnen, en voel mezelf langzaam duizelig worden. ‘We gaan kijken hoe ver je komt in zes minuten’, zei mijn fysio, Wanja, van tevoren. Maar na vijf minuten kijk ik haar aan. Mijn hartslag is 160, mijn oren suizen, en ik ben buiten adem.

‘Als het niet gaat, mag je ook even stil blijven staan.’ Ik knik. ‘Of zitten.’ Ik knik nog een keer, en de test is afgelopen.
‘Ik heb meer mensen geholpen die aan het herstellen zijn van corona’, zegt Wanja als we in haar kantoor zitten.
‘Ja?’
‘Dit is de eerste keer dat ik echt schrik.’

Na de eerste paar keer trainen heb ik dagenlang spierpijn, maar dat mag van Wanja, ‘als je maar niet de dag erna nog steeds benauwd bent.’ De oefeningen gaan me steeds beter af. Fietsen gaat nog niet, maar tegen het einde van de herfst loop ik op een dag twee kilometer.

Met een mondkapje op leun ik achterover tegen het apparaat waarmee ik mijn armspieren train. ‘Je bent klaar, hè?’ vraagt Wanja. ‘Ja, ik zag het aan je ogen. Blijf nog even zitten, ik maak hem straks wel voor je schoon.’ Ze gaat op het apparaat naast me zitten.

‘Als dit jaar een serie was’, zegt mijn broer, ‘dan was ik hier ongeveer gestopt met kijken’

‘Hoe gaat het met je man?’ vraag ik.
‘Nou, hij mocht weer naar buiten en was wel moe van het fietsen. Maar ik zei tegen hem: niet aanstellen, want maandag als ik naar mijn werk ga is daar een 22-jarige die al acht maanden ziek is.’

We zijn aan het lachen als er een leverancier binnenkomt. Hij groet Wanja, en kijkt dan naar mij. ‘Jou ken ik nog niet, volgens mij.’ Ik stel mezelf voor en als hij het pakketje even neerzet, vraagt hij: ‘Wil een van jullie hiervoor tekenen?’

Wanja lacht. ‘Nou, als Roza hiervoor tekent gaat het niet helemaal goed, denk ik.’

Hij kijkt wat verward. Als hij weg is, zegt Wanja: ‘Hij dacht dat jij ook hier werkte, volgens mij.’

‘Wacht. Waar had ik het over?’ vraag ik aan mijn tante. We zijn aan het bellen, maar halverwege mijn zin kan ik niet op een woord komen, en dan vergeet ik opeens wat ik wilde zeggen. En waar het gesprek over ging. Het is een beetje zoals wanneer je een kamer binnenloopt, maar niet meer weet wat je er kwam doen.

Brain fog wordt dit wel genoemd, hersenmist: verwardheid, vergeetachtigheid en moeite met concentreren.

De hersenmist maakt studeren een uitdaging. Tijdens colleges val ik in slaap en ik registreer niet wat ik lees. Het voelt snel alsof ik te veel te doen heb. Op één zo’n stressdag besluit ik een overzicht te maken. Als ik alles heb opgeschreven wat ik moet doen, staan er twee dingen in mijn agenda voor de hele week.

De hersenmist bij mijn moeder is soms ook behoorlijk dicht. Als we samen naar mijn huis toe lopen, waar ik sinds het eind van de zomer weer woon, zegt ze trots: ‘Ik heb vandaag twee keer 45 minuten gefietst.’

‘Minuten?’ vraag ik. Fietsen gaat ons alle twee nog niet goed af. We fietsen allebei korte stukjes op een hometrainer, met de weerstand op nul. Als mijn moeder echt anderhalf uur gefietst had, liep ze nu niet naast mij.

Ze kijkt me aan. Het duurt even voor de mist optrekt. Dan lacht ze. ‘O, nee. Seconden.’
‘Hoe ging dat?’
‘Nou, ik denk dat anderhalve seconde toch wat te veel was.’

Winter

Met een kreun gaat mijn zus voorover op bed liggen. ‘Mijn rug doet overal pijn.’ Ik sta in de deuropening en glimlach.

‘Ja, jammer voor je.’ Mijn zus kijkt boos op. Ik loop naar haar toe. ‘Kom, doe even je mondkapje op.’
‘Nee, maar…’
‘Ik was zo mijn handen wel.’

Ik masseer haar rug, tussen de schouderbladen, waar het bij mij ook steeds pijn deed in april. Het is een vreemde week. We kregen in het weekend te horen dat mijn opa positief getest was, en een paar dagen later, toen hij begon te verslechteren, kreeg mijn zus hetzelfde nieuws. We moesten in quarantaine, en mijn moeder werd weer ziek. Zij testte negatief, maar kreeg koorts en verloor net als mijn zus haar reukvermogen.

Sindsdien houden we in huis allemaal afstand van elkaar. Mijn zus en ik kijken series via Netflix Party, allebei vanuit onze eigen kamer. We facetimen als we willen praten, en als ze honger heeft, moeten wij haar eten brengen – daar heb ik haar niet over horen klagen.

‘We moeten even de kamer luchten’, zegt mijn moeder op een avond dat mijn zus de gezelligheid beneden heeft opgezocht. ‘Je bent hier nu al veel te lang, schat.’ Mijn zus pruilt, en ik schiet in de lach.
‘Stel je voor dat we dat tegen je zouden zeggen als je niet ziek was.’

Met mijn opa gaat het steeds slechter. Als we met z’n tweeën bij hem op bezoek zijn, houdt mijn vader zijn hand vast. ‘Het is goed.’ We hebben zacht een cd van Bach opgezet en dat is alles wat ik hoor tot mijn vader de stilte weer doorbreekt. ‘Nee, eigenlijk is het helemaal niet goed.’

Ik stap op hem af. Ingepakt en veilig geven mijn vader en ik elkaar voor het eerst in een week weer een knuffel.

Twee dagen later overlijdt mijn opa. Drie dagen daarna is het Kerst. ‘Als dit jaar een serie was’, zegt mijn broer, ‘dan was ik hier ongeveer gestopt met kijken.’

We lachen. ‘Die finale was behoorlijk overdreven’, knikt mijn vader.

‘Ja’, zucht ik. ‘Zo vlak voor het einde nóg een dieptepunt, dat was eigenlijk best onnodig.’

Een grote stapel kaarten ligt op het bijzettafeltje in de woonkamer van mijn oma. ‘Wat mooi’, zegt ze. ‘Ik heb een kaart van mijn neef gekregen. Ik wist niet eens dat die nog leefde.’ We schieten in de lach.
‘Dat moet een opluchting zijn.’
‘Nou en of!’

Tussen de kaarten ligt een kaart van mijn andere oma, die aan het begin van dit jaar ook haar man verloor.

De kortste dag ligt achter ons, schrijft zij, het kind is geboren, het leven maakt een doorstart.

Het is 31 december, het laatste uur van het jaar. De haard van mijn oma staat aan.

Onze hoogtepunten zijn simpel dit jaar. Een vakantie in de zomer, toen het leven even normaal voelde. Afspreken met vrienden. Voor het eerst mijn eigen boodschappen weer doen. ‘Zullen we de dieptepunten alsjeblieft overslaan deze keer?’

Om middernacht steken we in de tuin sterretjes aan. Er is niets zo fel als een licht in het donker.

Jaren geleden schreef mijn opa in een brief dat de weemoed hem bekroop in de donkere wintermaanden.

Niet voor niets verdrijven we de duisternis met licht. Of is het anders? vroeg hij. Zoeken we naar een evenwicht tussen deze twee?