Opheffer

Ik hoop dat Peter mij niet belt

Er is geen haar op mijn hoofd die overweegt om de politiek in te gaan. Ik kan mij een spannender, rijker leven voorstellen, bijvoorbeeld als schrijver, radio- en televisiemaker. Maar stel dat «mijn land mij roept», stel dat ik daadwerkelijk een mooie vorm van macht en invloed zou kunnen uitoefenen en – wat betreft het aantal stemgerechtigden dat achter mij staat – schitterende veranderingen tot stand zou kunnen brengen, bezit ik dan wel de kennis en de vaardigheden om politiek te bedrijven?

Welke vaardigheden en kennis moet je bezitten? De theorie ken ik wel. Ik weet meer dan Mat Herben, zo arrogant ben ik wel. Maar beheers ik de praktijk van het spel? Zou ik een staatsbegroting kunnen controleren? Zou ik eigenhandig een tegenbegroting kunnen maken? Zou ik een debat met economen aankunnen?

Stel dat ik, laten we iets makkelijks nemen, belastingverlaging wil, maar ik wil ook als overheid de beste zorg kunnen leveren van de wereld, plus het beste onderwijs, hoe weet ik dan dat dit niet kan?

Ik weet dit vermoedelijk door de praktijk. Ik betaal nauwelijks belasting, de economie bloeit maar de zorg verpietert, het onderwijs heeft nauwelijks zin, werkloosheid, domheid – zo kom ik er wel achter. Ik word weggestemd, maar het ongeluk is dan al geschied.

Nu zou je kunnen zeggen – en ik zeg dat zelf ook – dat mensen zoals ik dus niet in de politiek moeten. Maar waarom eigenlijk niet? Wat heb ik aan een democratie als je daar een zekere mate van intelligentie voor nodig hebt, of financieel inzicht? In principe wil ik, politieke domoor, ook gekozen kunnen worden, en ik ben er sterk voor dat dat ook mogelijk blijft. De democratie heeft Hadjememaars nodig.

Zelf hoop ik iedere keer weer dat ik zo slim ben om iemand te kiezen die veel intelligenter is dan ik en die het politieke vak goed beheerst. Maar de paradox waarin ik steeds gevangen raak is dan dat juist iemand die het vak beheerst bijna nooit doet wat ik wil. Hij moet of te veel concessies doen, of hij heeft de macht niet en kan die niet verwerven, of hij doet wat ik wil maar de consequenties die dat heeft op andere gebieden is dermate groot dat ik daar dan weer chagrijnig over word.

Ik raak vervolgens verstrikt in mijn redenering. Als zo iemand die het kan omdat hij het kan niet in staat is precies te doen wat ik wil, waarom zou ik dan zelf niet in de politiek gaan, want of je het kunt of niet, maakt toch niets uit. (Ik wil belastingverlaging, dat betalen we door veel meer accijns op benzine, zo help ik ook het milieu, want niemand kan meer auto rijden. Dan stopt de economie bijna, dan betaalt iedereen sowieso minder of geen belasting, dan moeten we weer terug naar de natuur en zeer sober leven en wie zich hier niet thuis voelt, moet weg. Het paradijs is gevestigd. Stem mij!)

Politici doen tegenwoordig in koffiehuizen en fabriekskantines en op televisie en radio hun best om hun visies en motieven uit te leggen. Ik ben redelijk intelligent, maar nooit begrijp ik het echt. Kilometerheffing een cent omhoog of omlaag, een nieuw zorgstelsel, nooit zal ik het exacte oordeel kunnen geven. Behalve achteraf. Het effect van een beleid is iets wat zich in principe nooit voorspellen laat, derhalve kun je er niets over zeggen. Het moet zich tonen. Het komt daardoor nog het meest overeen met religie.

Bij ieder begrotingsdebat zie je dat er, met de beste bedoelingen, gesjoemeld wordt met de werkelijkheid, die, dat merk je dan, inderdaad niet blijkt te bestaan. «De armen worden steeds armer», maar hoe arm zijn die armen dan? Hoe zit dat in vergelijking met de rest van Europa, hoeveel zijn er, wat kunnen die «armen», wat is hun eigen verantwoordelijkheid daarin? En hoeveel rijker worden de rijken? Waarom worden die rijker? Wat hebben die al ingeleverd? Wat is rechtvaardig?

Ik toets het louter en alleen op «gevoelens». Maar niks is zo bedrieglijk als gevoelens. Ja, ik wil ook dat armen het beter krijgen. Maar hoeveel beter eigenlijk? Welke armen precies? Je probeert naar de beste redenering te luisteren, maar redeneringen hebben steeds minder zin.

Ik begrijp niet dat weldenkende mensen minister Donner laten zitten op zijn ministerspost. Alle redeneringen waarom hij zou moeten opstappen heb ik gehoord en zijn in de Tweede Kamer uiteengezet. Maar als hij dan niet opstapt, dan is dat ook zijn goed recht.

Dus neemt mijn vertrouwen in de democratie af, terwijl dat juist op momenten van spanning zou moeten groeien.

Ook de rol van Tweede-Kamervoorzitter Weisglas is daarin niet onbelangrijk. Hij wil in de Kamer zekere fatsoensnormen. Dat klinkt aardig, maar daar ben ik toch principieel op tegen. In de Tweede Kamer moet alles kunnen worden gezegd, op de meest verschrikkelijke manier. Je moet daar mogen schelden, schofferen – alleen binnen een zekere tijdslimiet en het moet worden beargumenteerd. Ik zou vervolgens willen dat kamerleden zich buiten de Kamer beter gedroegen. Het is nu precies andersom. De Kamer, wat de plek is waar de democratie wordt getoond, laat zijn ware democratische aard pas zien als daar ook alles gezegd kan worden en er juist geen fatsoensnormen zijn.

De Kamer, denk ik wel eens, zou gediend zijn met columnisten en journalisten. Peter R. de Vries denkt dat vermoedelijk ook. Maar zou Peter het kunnen? Vermoedelijk wel. Het organiseren van een televisieprogramma, het monteren, de research, het opnemen et cetera is, zeker zoals hij het doet, een vorm van politiek bedrijven.

Nu vraagt Peter mij straks of ik wil meedoen. Dan zeg ik nee, want er is geen haar op mijn hoofd die eraan denkt, omdat ik het niet kan. Maar ik kan hetzelfde als Peter…

Dus ik moet hopen dat Peter mij niet belt.