Dagboek 1944

Ik hoorde het slaan van deuren

De Duits-Nederlandse schrijver, arts en psychiater Hans Keilson (1909-2011) emigreerde in 1936 naar Nederland. Tijdens de oorlog dook hij onder en nam hij deel aan het verzet. In 1944 hield hij een dagboek bij, dat pas vlak voor zijn dood uit een la opdook. Hieronder een aantal fragmenten.

Medium 97183

Vrijdag, 3-III-’44

Er zaten Duitse soldaten in de tram toen ik instapte. Een vertrouwd beeld! Maar nu vielen me de types op. Opvallend gesneden gezichten, eerst dacht ik Oostenrijk, Stiermarken, Karinthië. Het waren geen Pruisen. Dat zag je meteen. Ineens begonnen ze te praten: een Slavische taal. Ik bekeek de soldaten nauwkeuriger en zag dat er op hun linkerarm een rond wapen met opschrift zat: Idil-Oeral, en daaronder: Tartaars Legioen. Russen! In Duits uniform!

Nog nooit heb ik zo’n schrijnend komisch tafereel meegemaakt als tijdens dat ritje naar Den Haag. Russische gevangenen of overlopers die in Duitse uniformen werden gestoken om Europa (tegen wie?) te verdedigen. De schemering van machtspolitiek. Het waren Slavisch getekende gezichten. Deels boeren, deels middenstand. Een van hen stond op om plaats te maken voor een dame, en ging als derde bij zijn kameraden op de bank ertegenover zitten, hoewel daar maar plaats was voor twee. De manier waarop ze met elkaar spraken, niet in de scherpe, afgebeten, brutale melodische lijn die de Duitser zich aangemeten heeft, maar rustig, warm, menselijk, als jongens, kameraadschappelijk, eigenlijk eerder broederlijk, zo kunnen alleen de Russen van Tolstoj met elkaar omgaan.

Men zal hun de koppen afslaan als ze de Engelsen of de Amerikanen in handen zullen vallen. Want het zijn verraders of arme donders die de gevangeniskost niet meer konden verdragen en nu zijn opgeklommen naar soldatenkost. Ze zullen ze ophangen – ze verdienen misschien niet beter. Maar het waren mensen, mensengezichten, geen ijzervreters, Russen in Duits uniform met hakenkruis.

Medium hk3

Woensdag 12-9

Vaak weet ik heel zeker dat Gertrud en het kind een van de kernen vormen die in mij rusten. Op gezette tijden overvallen deze twee gezichten me, en ik krijg er bijna tranen van in mijn ogen. De belevenis met Hanna wordt steeds bleker. Door de gedichten waarin ik veel van mij en haar heb geprobeerd onder te brengen, is het gevoel zelf afstandelijker geworden. Doordat ik merk hoe ingrijpend ik door het samenzijn met haar ben veranderd, weet ik zeker dat het geen literatuur was. Anders was het geruisloos voorbijgegaan – een paar rijmpjes, meer niet. Hier telde alles mee; ik moest steeds mijn volledige inzet geven. Gertrud komt voor mij opeens in een ander licht te staan. Misschien wordt mijn leven met haar draaglijker. Mijn eindeloze ergernis zal misschien afzwakken.

Zware gedachten over hoe het na de bevrijding met ons verder zal gaan. Zullen de Nederlanders hun goede eigenschappen behouden: hun maatschappelijke redelijkheid en de persoonlijke benadering van ieder individueel geval? Of zullen ze er ‘veranderd’ uit komen.

De Engelsen staan voor Holland. Vreemd hoe weinig me dat in feite interesseert en hoe mijn hele streven naar binnen is gericht, op gedachten, verhoudingen tussen mensen, gedichten, ervaringen. Intens verlangen naar Gertrud en het kind. En vaak ook naar mijn ouders. Ik praat soms met hen. O, veel te laat!

Woensdag 18 oktober

Een hond die in de kamer plast als er fluit wordt gespeeld. Iets geels dat aangebrand rook en pudding werd genoemd. Hij las de berichten van de Engelse radio voor: langzaam op nasale toon, een beetje zingend, massamoorden in Poolse concentratiekampen. De Engelsen eten met Kerstmis meer kalkoenen, vis, marmelade – alles door elkaar, smakelijk eten. Hij geeuwde luid, ha, ha, ha. Nou, dan zullen ze weer blij zijn.

De gedachte dat we het nog even moeten uithouden, ook de massamoorden in Polen. Nog even standhouden, zoals een generaal met zijn soldaten denkt – alsof het onze bevrijding dichterbij brengt, de armzaligen, de stumperds die nog even afgeslacht moeten worden. Je voelt je behoorlijk opgeblazen van binnen, zoals in een varkensblaas; wat ben je toch belangrijk dat je hier leeft, terwijl daarginds duizenden anderen op hun beurt… Maar wat moeten die wel denken op het moment dat ze de gaskamers binnengaan. Ze zeggen Polen maar bedoelen Joden. Men moest de Joodse kinderen al op heel jonge leeftijd aan kleine doses gas laten wennen, op last van de Joodse overheid, om ze immuun te maken voor de volgende pogrom! Maar wie weet of de gojim dan niet overstappen op elektriciteit. En daar staan we dan met ons talent!

Dat alleen uit de vertwijfeling een goede daad kan ontstaan, iets eerlijks, dat gespeend is van eerzucht, ijdelheid. Heb me aangemeld bij het Rode Kruis. Word niet naar het front gestuurd – wat ik eigenlijk hoopte en tegelijk vreesde – maar naar het Bethel-ziekenhuis. Maar het bleef sinds lang mijn enige, ware daad (dat ik een stuk papier in handen wilde krijgen om beter gevrijwaard te zijn tegen razzia’s hoeft niemand te weten). Om hier uit de penarie te komen, uit de eigen stront, uit gedichten enzovoorts. Het geslacht. Maar enkel Bethel ziekenhuis! Céline, Céline, Céline – prachtig, hoe diep ten prooi aan zijn eigen demon. Sonnetten van Wordsworth gelezen met Hanna. Weer diepe verbondenheid. Kon ik het maar uit me rukken. Maar niets helpt! Het ontroerende, vertrouwen schenkende, dat zich overgeeft aan een stuk vuil, wie weet.

Tussenspel in Holland. De belangrijkste belevenissen in het tussenspel! Dat het alleen maar terloops, tussen de bedrijven – de echte belevenissen – door, en dat het slechts spel is. Tussenspel tussen leven en dood. Alles op zichzelf betrokken – hier wordt geen wereldgeschiedenis geschreven, een klein land nota bene, geen grootmacht. Voordat het doek helemaal opgaat en definitief valt. De bühne is niet helemaal verduisterd, de zaal in het halfdonker van Rembrandt, half droom, half waarheid – het is allemaal tussenspel, met daarin nuchtere mensen, hartstochtelijke mensen, misdadigers, deugnieten, christenen, Joden, emigranten, Joodse Raad (Onraad). De hoge hoeden met Pesach. Dat was de Joodse Raad. Ze zijn dood, en je mag niets goeds over ze zeggen. Het zou een belediging zijn, dit goeds. Een arts die er een was, geen is en er een wordt, omdat hij een innige vriendschap met de ziekte koestert. Op de gezonden kotst hij, de ijdelheid van de gezonden. Een mens wordt pas interessant als hij niet meer functioneert. Alleen een christenvrouw. Een boek vol gas, waaraan iedereen creperen moet die het leest.

Medium hk

Zaterdag 9-12-44

[notities in potlood] De kinderen denken dat ik uit het raam ben geklauterd. Lies misschien niet, die is ouder en wijzer. Ik ben sinds anderhalf uur wakker en zit op Leo’s onopgeruimde kamer. Een onbeschrijfelijke rommel. Schrijfmachine, ontelbare kleine batterijen voor de zaklamp, dozen met kleine gloeilampen, tijdschriften, schroeven, ijzerdraad, stof, soldeerapparaat. Op straat en in het park patrouilleert de Grüne Polizei. Je kunt met korte onderbrekingen schoten horen. Eén keer – beeld ik me in – ook gillen meteen na de knal. Mensenjacht in Delft. Om kwart voor vijf word ik gewekt door Suus, tegelijkertijd hoor ik de deurbel hard gaan. Sinds dagen, weken zijn we voorbereid op dit signaal. Nu is het zo ver, en toch is het een beetje griezelig, voortdurend schoten, soms dichterbij, soms verderaf. Met hulp van Suus in de muurkast gekropen. De langzame passen van rijglaarzen op het plaveisel voor het raam. De politieagent heeft zijn geweer nu dwars over zijn borst hangen. Een halfuur eerder zag ik hem op de Laan van Altena op een verpleegster aanleggen, omdat ze zich niet snel genoeg verwijderde. ‘Wacht even, alsjeblieft,’ schreeuwde ze hard, ‘alsjeblieft.’ Die goeie Hollanders – ze leren het maar niet. Godzijdank. Deze mate van wreedheid overstijgt hun nuchtere voorstellingsvermogen.

De Engelsen eten met Kerstmis meer kalkoenen, vis, marmelade – alles door elkaar, smakelijk eten. Hij geeuwde luid, ha, ha, ha

Degenen die zich melden voor de Arbeitseinsatz worden goede behandeling, kost en inwoning en rookartikelen beloofd. Voor de achterblijvers wordt gezorgd. Waaruit die zorg bestaat, zeggen ze er jammer genoeg niet bij.

Stemmen op straat? Of bij de buren? Ik gluur door de vitrage. Buiten is niets te zien. Het is koud en helder. De torenspitsen van de Oude en de Nieuwe Kerk steken boven de gevels uit in een geelrode strook lucht, waarboven een dikke zwartblauwe klomp wolken drijft. Een zwakke wind drijft de wolken langzaam over de kale boomkruinen in het park heen naar het zuiden. Als de schuifdeuren in huis of bij de buren open of dicht worden geschoven. Meneer Van Oyen heeft de stem van een mof, ondanks zijn voorliefde voor de Engelse literatuur. Nu zal ik me daar niet meer door in de luren laten leggen, de soldaten spreken altijd door elkaar. Overigens heb ik het idee dat het Oostenrijkers zijn. Bij het geluid van de schuifdeuren denk je dat er een V2 wordt afgeschoten. En als het geluid snel wegvalt, denk je dat de raket weer verkeerd gaat en hier neervalt. De tijd tussen het wegvallen van het geluid en de erop volgende explosie – zes seconden, tien seconden – is de periode die de dood iemand gunt om aan hem te wennen. Te lang. (‘Niet uit het raam kijken, Corrie, die kerels schieten ook de huizen binnen.’) Daarna, na de explosie – het huis trilt nog na – eerst een zucht van verlichting dat hij niet hier is terechtgekomen. En meteen daarop het geweten: de arme stakkers waar hij waarschijnlijk wel is ingeslagen. Zo is de mens. Zonde en geweten. Dezelfde metafysische instincten.

In de kamer is het koud. Een trein fluit. Je hoort hem vertrekken. Slechts twee locomotieven, naar elkaar toegekeerd, met gematigde snelheid. Een grote gebeurtenis tijdens een al twee maanden durende spoorwegstaking, alsof in een bergdorp een brief wordt bezorgd, ver van de bewoonde wereld.

Wie geen gevolg geeft aan de oproep wordt gestraft. Kennelijk heb ik geen seconde overwogen me te melden. Het is wat je noemt krankzinnig je anderhalf jaar lang te verbergen om vervolgens vlak voor het einde van de oorlog hun toch nog vrijwillig in de handen te vallen. Tot dusver was ik ondergedoken, maar ik begaf me als een normaal mens op straat. Nu zal ik echt moeten verdwijnen. In huis.

Weer overvalt me de onbedwingbare neiging het tegenovergestelde te doen. Toch nog aan te monsteren, proberen arts te worden. In Duitsland. Een snellere weg om het beroep binnen te komen is er niet.

De Hollandse vrouwen kloppen voor de deur luidruchtig hun matten uit. Elk geluid wordt in deze tijd in verband gebracht met de oorlog. Dit mattenkloppen bevat protest, trots, alle weerbarstigheden waartoe een volk maar in staat is. Alleen Hanneke, het achtjarige buurmeisje, begint op de piano haar vingeroefeningen te doen; ze hebben nog niets met dit alles te maken.

Ongehoorzaamheid is altijd een van de waardevolste en dierbaarste eigenschappen geweest die ik ken. Het is de ongehoorzaamheid tegenover de voorschriften, tegen de gangbare afloop van een gebeurtenis, zoals men het verwacht, zoals het hoort. Dit ‘men’ is de duivel van de beschaving. De grote verleider die wil dat al het andere niet beproefd, niet geprobeerd wordt. De Duitser heeft daar weinig van, van die ongehoorzaamheid; voor hem is gehoorzaamheid het onzevader. Helaas is de god tot wie hij bidt de domheid, en de kerk waar hij zijn gebeden zegt de Partij. Meneer Himmler is zijn paus!

Hoe zou het zijn als ik het toch deed? En te gronde ging? Ik kende de Duitsers zo goed toen ik vertrok. Ze gingen destijds zo op in hun overwinningsroes en ik was zo terneergeslagen. En als ik nu terugkwam – hoeveel hebben ze dan al doorgemaakt. Het zou de verschrikkelijkste wraak zijn die ik me kan voorstellen, incognito tussen hen te vertoeven en de weg die neerwaarts leidt van hun gezichten af te lezen. Ze zouden niet weten dat er een verspieder tussen hen rondloopt, een spion – schoten, schoten, Hanneke speelt toonladders voor de linkerhand – aan wie ze hun dierbaarste geheimen zonder pardon, zonder bescherming prijsgeven. Het zou het hoogst denkbare genot zijn.

Het is inderdaad een Oostenrijker. Ik heb hem voor het raam horen praten met een buurvrouw die een of andere inlichting wilde. Hij gaf haar blijkbaar heel bereidwillig antwoord. Tot slot lachte hij en hield zijn handen in zijn zak. Eigenaardig dat iemand die een geweer draagt en aanlegt op een verpleegster lacht. Kennelijk hebben de ideeën over de leden van de Grüne Polizei, die ook de razzia’s op Joden in Amsterdam uitvoerden, zulke vormen aangenomen dat men zich hen alleen nog kan voorstellen als grimmige duivels. Het is niet in ons voordeel als we zo’n boeman-bijgeloof aanhangen. Want het komt in het geheel niet overeen met de werkelijke omstandigheden. Zelfs de beulen in de concentratiekampen zijn dat niet altijd. Ook zij zullen weleens bij dames kunnen wegsmelten tot iets wat niet beul en kamp is. En als wij zo’n man toevallig in een persoonlijker situatie aantreffen, waarin hij ons deze kant van zijn wezen laat zien, zijn we geneigd opeens de andere kant niet meer te geloven. Maar het is toch helemaal niet zo erg! Omdat ons beeld wat de linkerkant betreft verkeerd was, houden we de rechterkant ook voor vertekend. Wees op je hoede voor leden van de Grüne Polizei die ‘ook’ mensen zijn. Het zijn de beste politieagenten in de uitoefening van hun plicht, omdat ze op het vereiste moment trouw en goed uitvoeren wat er van hen verwacht wordt. Het zijn gentleman-misdadigers.

Langzamerhand slaat de verveling toe: er gebeurt niets meer. Het schieten is minder geworden. Meer vrouwen verschijnen op straat om brood te halen. Merkwaardig hoe de verschijning van een vrouw in de chaos een nuance in de gruwel aanbrengt die erbij hoort. Dit is misschien het weerbarstige, zelfstandige. Naast de bereidheid te dragen, op zich te nemen, het besluit tegenstand te bieden. De vrouwen zouden oorlogen kunnen verhinderen, maar dat zou levens verstoren die zijn gebouwd op de onderdrukking van de rebellie.

De soldaat, het technische, georganiseerde groen, en de vrouw, het spontane, chaotische van vreugde en verschrikking. De soldaat glimlacht, hij is overwonnen. Een paar vrouwen op straat die brood halen, schelden en vloeken, maar ze halen brood omdat ook het brood halen niet uitsluitend een dagelijkse handeling is: het dagelijkse is in het buitengewone even onbegrijpelijk, verheven en aan alle begrip ontstegen als het buitengewone zelf. Hanneke die toonladders speelt terwijl buiten op straat geschoten wordt. Het alledaagse ontroert, zoals de verschrikking dat doet. De politieagent brult niet meer. Met zijn handen diep in zijn zakken, het geweer dwars over zijn schouder, met de loop naar beneden, loopt hij door de straten. Hij is blijkbaar gekalmeerd. Zijn angst is verdwenen. Wat zou hij in zijn privéleven zijn?

Vrouwen en meisjes met melkkannen. Ze lopen roepend over straat, het duurt niet lang meer of ze zullen de politieagent een kopje thee brengen. Ze lopen zo uitdagend met hun kleurige kannen. En het kopje thee – dat moet de soldaat zich niet inbeelden – is geen bewijs van vriendschap, net zomin als wanneer ze met hem naar bed gingen. Het is een uitdaging, hun manier van strijd en oorlogsverklaring.

De vijver in het park met zijn grillige vorm ligt er kaal en troosteloos bij. De winterbomen hebben het leven in zich opgeslagen. Ook zij wachten, de bladeren zijn in de herfst gevallen; dat het winter is, zien ze aan de mensen en nog beter aan de vogels, die slechts hier en daar op hun natte takken en twijgen zitten.

De soldaat, het technische, georganiseerde groen, en de vrouw, het spontane, chaotische van vreugde en verschrikking

Ben begonnen Kafka te lezen, Het proces! De zuiverheid, de openbaring. Zie tot mijn verbazing dat ik met mijn ‘Opfer’ 111 in [hier breekt de zin af]

Medium hk5

Daar kwamen ze. Ik zag dat ze zich bij de poort van het park opstelden. In groepen trokken ze het park in. Ik trok me boven in mijn schuilplaats terug, in de buitenmuur van de zolderkamer achter, waar de twee meisjes slapen. Ik was heel rustig en had helemaal niet het gevoel van een gespannen situatie. Ook mijn omgeving, vooral Leo, was heel rustig. Ik hoorde beneden twee onduidelijke stemmen, het slaan van deuren. Ook had ik het idee dat er vanaf de binnenplaats stemmen oprezen. Ik lag immers in de achtermuur. Na een poosje begon ik het allemaal een beetje gek te vinden, en om tenminste een beetje spanning en intrige in het verloop van de gebeurtenissen te smokkelen, probeerde ik aan Gertrud en Barbara te denken. Maar het enige wat me inviel was wat ik zou zeggen als Gertrud me later naar mijn belevenissen zou vragen. ‘Ik heb me verstopt.’ Dat was werkelijk alles.

Na een poosje hoorde ik dof stappen naderen. Ik had mijn dikke winterjas, sjaal, handschoenen aan en mijn hoed op. Mijn hoofd lag op zachte kussens, op een matras. Iemand haalde het houten beschot weg, de ingang naar de schuilplaats, en tegelijkertijd hoorde ik Leo voortdurend spreken, alsof hij zich met iemand onderhield. Ik had geen idee met wie. En toen hoorde ik: ‘Ja, en dan hebben we hier nog een schuilplaats, kijk maar eens’ en hij schoof het hout weg. Slechts een duizendste van een seconde schoot de gedachte door mijn hoofd: ‘Wat krijgen we nou?’ maar niet langer. Plotseling pakte iemand me bij mijn been. ‘Ik kom zelf al’, zei ik op dezelfde toon. ‘U hebt immers goede behandeling en verzorging gegarandeerd.’ En ik wrong me naar buiten. Daar stond Leo, lachend. Het was afgelopen. Ze waren naar de konijnenstal gegaan en hadden daar gezellig staan kletsen. Het is goed, hadden de soldaten gezegd, en ze waren weggegaan. (Een V2, twee inslagen, hij is voor ons bedoeld, ik hoor het, het geluid sterft weg, dadelijk zal de inslag volgen, het regent, het giet, hagelt, ik word wakker.)

Het waren Oostenrijkers. Ik liep de trap af naar Leo’s kamer.

Midden op het grasveld stond een soldaat en loste een schot. Daarna liep hij een paar passen verder en raapte iets op van de grond. Hij had een vogel geschoten. Hij klopte het dier tegen een houten hekje af. Na een poos kwamen er voetstappen uit de richting van de wijk achter het park. Zes jongemannen, ieder een dichtgebonden aardappelzak op de rug, liepen langzaam, mismoedig, traag, onder bewaking van drie agenten de parkweg op. Een treurige stoet, het waren voor het grootste deel jonge knapen, onder de dertig, zonder iets op hun hoofd. Onder hun jassen hadden ze hun blauwe overalls aan, zonder hoofdbedekking. Ze hielden hun hoofd op zonderlinge wijze naar boven gericht, niet alsof ze trots waren maar op de manier van mensen die zich volstrekt willoos en zonder verzet hebben overgeleverd aan een sterkere wil. Wie verzet heeft geleverd en overwonnen is, laat zijn hoofd hangen, uit schaamte over zijn zwakheid.

Corrie, die naast ons stond, brak in tranen uit. Ze zei een scheldwoord, een Duits scheldwoord, alsof een Hollands scheldwoord zelfs nog te goed voor ze was. Stellig herinnerde ze zich de razzia’s in Amsterdam, waarbij ze twee kinderen had verloren. Terwijl ik zo rustig toekeek hoe de anderen in de val gelopen waren, begon me pas langzaam te dagen aan welk gevaar ik zojuist was ontsnapt. Maar deze nieuwe wetenschap liet me tamelijk onverschillig. Een lichte verwondering kwam in me op, aangezien ik mijn prikkelbare natuur eigenlijk voor nerveuzer had gehouden. Ik wil me niet verliezen in uitvoerige beschouwingen over de vraag waarom dit alles me relatief weinig deed. Misschien volstaat het te zeggen dat er een grotere afstand ten opzichte van de ervaringen van de eigen persoon was ontstaan dan vroeger aanwezig was.

Een agent van de Grüne Polizei liep naar onze rechterburen en ik verdween nog een keer naar boven in mijn schuilplaats. Ik nestelde me goed in mijn jas en ging languit liggen, onbeweeglijk, een beetje klam in de krappe, duistere schuilplaats, en dommelde wat. Het duurde dit keer langer totdat Corrie me kwam verlossen.

Bram kwam uit zichzelf en vertelde me over zijn manier van werken. Over de diepe onvrede die hijzelf voelde en over nog meer. Tot slot vroeg hij of ik vaker met hem werken wilde. Hij wilde meer taken hebben. Een klein succes voor mij, ook bij de beoordeling van het rapport van Watering. Hij kwam uit zichzelf en liet me zelf de weg zien die hij moest gaan. Zo zou je altijd therapeutisch moeten werken, dat de kinderen komen wanneer ze willen en oppikken wat ze nodig hebben. O, Wilm Gallwitz, van jou heb ik dat voor het eerst geleerd en van Ernst Burkhart, van jou nog meer. Van jullie beiden is mijn werk zozeer doordrongen. Leven jullie nog, of zijn jullie al gedood door Engelse bommen?

[einde van de notities in potlood]


Dagboek 1944

In de nazomer van 1936 komt Hans Keilson op aandringen van zijn Duitse vriendin Gertrud Pfeiffer-Manz – later zijn eerste vrouw – met haar naar Nederland. Trouwen met haar blijkt niet mogelijk: hij is joods, zij niet, en ze hebben beiden de Duitse nationaliteit. Ze gaan in Naarden wonen. Zij is grafologe en hij probeert de kost te verdienen met een kleine praktijk voor pedagogische begeleiding. In 1941 wordt hun dochter Barbara geboren.

Als in de oorlog de oproep komt om zich voor internering en deportatie te melden, duikt Hans Keilson onder. Eerst in Bussum, daarna in Delft, bij Leo Rientsma, gescheiden van zijn vriendin en kind. In Delft leert hij de 22-jarige Hanna Sanders kennen – net als hij joods en ondergedoken – en tussen hen ontwikkelt zich een intense liefdesrelatie. Voor haar schrijft hij 46 Duitse sonnetten.

In het dagboek – een schrift van ruim veertig bladzijden van folioformaat – is Keilson een scherp waarnemer van de oorlog, de mensen om hem heen en vooral van zichzelf. Hij verkeert aan het eind van de oorlog in een diepe crisis. Hij twijfelt over zijn toekomst – moet hij schrijver worden of arts? Hij wordt heen en weer geslingerd tussen de liefde voor Gertrud en zijn verliefdheid op Hanna. Het dagboek is zowel een indrukwekkende getuigenis van het lot van de joden in de oorlog als een onverbiddelijk zelfonderzoek.


Hans Keilson, Dagboek 1944, verschijnt deze week bij Van Gennep. Het werd vertaald uit het Duits door Hans Driessen en ingeleid en van noten voorzien door Marita Keilson-Lauritz (176 blz., € 17,90).

Het laatste interview met Hans Keilson verscheen in De Groene van 25 mei 2011.


Beeld: (1) Leden van de Grüne Polizei maken zich klaar voor een actie. De foto is stiekeme vanuit een raam gemaakt (Beeldbank WO2 / NIOD). (2) Hans Keilson (Privé-collectie). (3) Gertrud en Barbara, vrouw en kind van Keilson (Privé-collectie). (4) Hanna Sanders, de vriendin van Keilson (Privé-collectie).