Ik hou mijn mond maar

Tekening PJ Roggeband

Medium opening 1

Willem G. van Maanen
Heb lief en zie niet om
De Bezige Bij, 207 blz., € 19,90

Je hebt schrijvers die steeds opnieuw een ontdekking zijn. Je weet al lang dat ze subliem kunnen schrijven, dat hebben ze wel bewezen, maar als ze met een nieuw boek uitkomen betrap je je toch op de gedachte dat je een grote ontdekking hebt gedaan. Willem G. van Maanen is zo’n schrijver. Hij schrijft al jaren verbluffend mooie en goede verhalen en romans, kunstwerken zijn het, zonder dat het erg in de gaten liep. Je ziet hem niet in praatprogramma’s, zijn naam komt niet voor op lijsten van De Persoonlijkheid van de Eeuw (lachbui!) en hij staat niet op short-, tip- of toplijsten. Maar in de wandelgangen van literatuurland fluisteren schrijvers elkaar allemaal eerbiedig de naam Van Maanen in het oor: die man, jongens en meisjes, die kan het.

En in zijn nieuwe tweedelige roman laat hij het opnieuw zien. In het eerste deel probeert een vroeger succesvolle acteur zich vrij te pleiten van zijn collaboratie met de Duitse bezetter, hij bleef toneelspelen en werd lid van de Kultuurkamer. In deel twee vertelt een acteur, misschien die uit deel één, een verhaal over een jongetje dat tijdens de oorlog in een klooster en later in een boerderij was ondergedoken. Twee losjes met elkaar verbonden verhalen. Twee levens. Twee totaal verschillende aanpakken: Van Maanen bewijst dat hij twee literaire tradities moeiteloos beheerst.

Neem de toon van het eerste verhaal. De geflipte acteur die onder meer door zijn geringe lengte aan sterke minderwaardigheidsgevoelens lijdt, rijgt op een soort losse, vrolijke verteltoon de merkwaardigste gebeurtenissen aan elkaar. Hij heeft iets badinerends over zich, alsof het er allemaal niet toe doet en hij er al met al verder ook weinig aan kan doen. Zelfs als zijn joodse vriendin Sarah hem in het begin vertelt dat ze hem voor ene Kasper (‘een Duitser, een goede helaas’) gaat verlaten, lijkt het alsof hij de moed erin houdt en er eigenlijk niet erg veel mee te maken heeft. En dat in golvende, swingende, bedwelmende zinnen als deze: ‘Nog nooit had hij een Puck gezien als de mijne, Shakespeare zou mij hebben omhelsd, een ogenblik leek het erop dat hij het in zijn plaats zou doen, hij boog zich al naar me over, onopzettelijk misschien maar wel nadrukkelijk ons verschil in lengte aangevend, hij met een meter negentig torenhoog boven mijn een meter zestig, de eik die zijn schaduw werpt over het sparretje, dat geen ander verweer heeft dan het uitzetten van zijn stekels.’ In één klinkende zin zie je mensen voor je. Probeer het maar niet na te doen, kleine krabbelaars in Nederland, blijf maar gewoon jullie rechttoe, rechtaan zinnen schrijven en laat Van Maanen het echte werk voor jullie opknappen. Goed schrijven is een kunst en deze schrijver is een meester. Vergelijk ook de scène waarin het zoontje van de hospita ‘per ongeluk’ door een paar soldaten wordt doodgeschoten. Je voelt en ziet de verwilderde chaos van het geheel en je loopt vertwijfeld mee met de acteur die het dode jongetje naar binnen draagt en aan zijn moeder overhandigt. ‘Ik wist nooit meer het beeld te zullen kwijtraken van de vrouw die mij aankeek alsof ik de moordenaar was, zwijgend haar kind aannam en haar lippen op zijn bebloede keel drukte, en dat ik nooit meer het geluid zou vergeten van haar kreet toen ze de deur met haar voet had dichtgetrapt en het huis was binnengegaan, een langgerekte, huiveringwekkende klacht die niet uit een menselijke mond kon zijn gekomen, maar rechtstreeks opsteeg uit het dodenrijk.’

In het tweede deel slaat de toon om, het verhaal krijgt iets gejaagds en bedreigends, we voelen ons meegezogen in een wirwar van geheimzinnige gebeurtenissen. Na veertig jaar zoekt een ondergedoken jongetje, nu man, zijn oude onderduikadressen op. Waar zijn erotiek zowel vernietigd werd als tot grote bloei kwam, waar hij werd vernederd en gered. Hij probeert te achterhalen wie daarbij de belangrijkste rollen speelden. Wie was de vrouw die hem redde en ‘aan haar verfijnde tastzin onderwierp, ik sloot en opende afwisselend mijn ogen om te zien waar en waarmee ze zo toegewijd bezig was, en er kwam een moment waarop het leek alsof ze me maakte, opnieuw geboren liet worden, schiep tot degene die ik in haar gloeiende verbeelding moest zijn’.

Van Maanens toon en sfeer bij dit tweede verhaal doen denken aan de hyperbedreigende en geheimzinnige toon en sfeer van de verhalen van de negentiende-eeuwse Duitse schrijver E.T.A. Hoffmann. Een mooie traditie die Van Maanen dus wenst voort te zetten. Rechtstreekse worstelingen tussen het goed en het kwaad, het goddelijke en het verderfelijke. En steeds de pogingen het duistere en wanhopige te weerstaan. Alles tevergeefs. Natuurlijk laat Van Maanen zich niet echt voor Hoffmanns karretje spannen, daarvoor is hij een te originele geest en een te groot schrijver. Onverbloemd beschrijft hij bijvoorbeeld de ontwakende seksualiteit van het jongetje dat zich regelrecht aangetrokken voelt tot de zusters uit het klooster, die daar niet bepaald afwijzend tegenover staan. Bij Hoffmann vind je dit niet. ‘De uitgebleven erectie meldde zich alsnog toen zuster Hilde me met ongewoon harde hand in Célines kleren dwong, in het witte broekje met name dat al op mijn verbeelding had gewerkt bij die vervloekte kruisiging (…).’ De jonge held doelt met dat laatste op een prachtige en schrijnende nagespeelde kruisiging waarbij een stel kinderen alle rollen uit het bekende drama opvoert, de held de gekruisigde moet spelen en zich vervolgens moet uitleveren aan de verslindende erotiek van een van de dorpsmeisjes.

Niets is wat het lijkt in dit verhaal, net als bij Hoffmann: dat meisje duikt verderop in het verhaal op in een andere, veel gunstiger rol. Je voelt je als lezer in dit boek overgeleverd aan de grillen en verzinsels van een zeer ingenieuze beheerder van een spookhuis of roetsjbaan op de kermis die je steeds nieuwe attracties weet voor te schotelen. En dat in proza dat aan alle kanten deugt, ik heb er al een paar voorbeelden van gegeven en kan natuurlijk niet aan het citeren blijven, wat ik wel graag zou doen. Wat moet ik nog verder over dit boek zeggen? Jury’s dwingend toespreken maar weer? Voor de laatste keer waarschuwen dat het nu afgelopen moet zijn met die keuzes voor nepboeken en nepauteurs? Dat in Nederland al jaren een meesterlijk schrijver aan een meesterlijk oeuvre werkt? Ik hou mijn mond: zoek het allemaal maar mooi zelf uit.