Interview met Hans Op de Beeck

‘Ik hou van authentieke fake’

Kunstenaar Hans Op de Beeck is al jaren een van de grote publiekstrekkers op beurzen en biënnales. Terugkerend thema: de lelijkheid van het leven. ‘Het leven is geen design.’

GRENZEN SLECHTEN – hij vindt het zo normaal als ademen: ‘Ik heb altijd verbanden willen leggen, tussen film- en schilderkunst, tussen fotografie en literatuur, tussen installatiekunst en sculptuur. Dat je als kunstenaar de vrijheid hebt om ’s ochtends een barokke film op te nemen, ’s middags aan een minimalistische sculptuur te werken en ’s avonds nog even aan het aquarelleren slaat, beschouw ik als de grootste artistieke verworvenheid van onze tijd.’
Hans Op de Beeck (Turnhout, 1969) heeft die verworvenheid altijd ten volle benut. De afgelopen vijftien jaar schiep hij een oeuvre dat in zijn diversiteit moeiteloos kan concurreren met dat van illustere en bewonderde collega-duizendpoten als Kurt Schwitters (1887-1948) en Bruce Nauman (1941). Hij maakte de animatiefilm The Building, over een gebouw dat piept en knort als een levend organisme, en Situation I, een ontluisterende real life-film van caissières in een mammoetsupermarkt. Zijn grootste artistieke verdienste is echter de Location-serie, een reeks ambitieuze en minutieus uitgevoerde installaties van non-plekken en massa-architectuur.
Door het toegankelijke karakter en de initiële wow!-factor van die werken is Op de Beeck al jaren een van de grote publiekstrekkers op kunstbeurzen en biënnales. Dit jaar staat er bijvoorbeeld een tentoonstelling in Venetië op het programma en neemt hij voor de derde maal deel aan de Art Unlimited-expositie van Art Basel – zeg maar de Champions League voor contemporaine beeldende kunst.
Met dat prestige werd ook de werkdruk groter. Binnen tien jaar groeide Op de Beeck bijvoorbeeld uit van een eenmanszaak tot een volwaardig kunstbedrijf met zes man personeel en een grote schare freelancers. Zijn drie verdiepingen tellende studio in de Brusselse wijk Anderlecht is hij inmiddels ontgroeid. Hij zal hem binnenkort verruilen voor een groter exemplaar.
Ook de laatste dagen, vertelt Op de Beeck, een innemende en erudiete Vlaming, waren moordend druk. Behalve op Art Amsterdam, waar hij zijn nieuwe fotoserie Room toont, worden exposities voorbereid in Galleria Borghese in Rome en in Galerie Krinzinger in Wenen. Vooral die laatste expositie kost veel tijd. Op de Beeck maakt hiervoor een serie nieuwe zwart-witaquarellen, een tijdrovende klus waarvoor hij alleen ’s nachts, wanneer de zaagmachines stil zijn en het personeel naar huis is, de concentratie heeft. Het zorgt voor deadlinestress en slaapgebrek. Meestal ligt hij pas rond vieren in zijn bed, terwijl om kwart voor zeven de kinderen al weer in de kamer staan te springen.

HANS OP DE BEECK groeide op in een onderwijzersgezin, ‘een familie van taalpuristen’. Hoewel hij altijd een groot beeldend talent heeft gehad (‘ik was het beste striptekenaartje van de klas’), was het lang de vraag of hij de beeldende kunst in zou gaan. In de jaren tachtig waren het namelijk andere artistieke disciplines die zijn interesse hadden. Hij zat bij het jeugdtoneel en werd toegelaten tot een prestigieuze Antwerpse toneelacademie: ‘Op het toneel heb je een directe vorm van communicatie die in de beeldende kunst geheel ontbreekt. Het idee dat je ieder moment de boel finaal in het honderd kunt laten lopen heb ik altijd bijzonder aantrekkelijk gevonden.’ Daarnaast speelde hij keyboard in een Kraftwerk-achtig bandje: ‘We maakten een soort voorloper van de techno. Erg leuk, maar ik zou het niet graag terughoren.’
Plichtsbesef dreef hem uiteindelijk terug naar de beeldende kunst, en op zijn 23ste meldde hij zich aan op de Brusselse Sint-Lukas Academie. Daar begon een grote intellectuele inhaalslag: ‘Tijdens mijn jeugd was ik geen groot lezer, maar op die academie werd de kennis er ingestampt.’ Kunstgeschiedenis, kunsttheorie, kunstactualiteit, kunstfilosofie, cultuurfilosofie: ‘Van die bagage heb ik nog altijd veel profijt. Dan sta je met iemand te praten en denkt: goh, dat je dat boek niet kent.’
Ondanks zijn enthousiasme verliep het eerste jaar moeizaam. Hij miste een passende vorm. Maandenlang zwoegde hij op schilderijen van uitgestorven architectonische ruimtes. Inspiratie kwam uit onvermoede hoek. Op de Beeck zat te eten in een Turks broodjeshuis toen zijn oog viel op kitscherige geschilderde stillevens: ‘Die waren zo stug en inert geschilderd dat ze me bleven boeien. Ik dacht: deze kitsch is eigenlijk veel interessanter dan mijn eigen kitsch.’ Hij kreeg een inzicht: ‘Opeens besefte ik dat het leven geen design is, dat het in de meeste publieke plaatsen geen Mies van der Rohe is wat de klok slaat. Die lelijkheid van die schilderijen werd een metafoor voor iets anders. Ze representeerden de onbeholpenheid van het leven en het menselijk falen.’

DE LELIJKHEID van het leven werd Op de Beecks belangrijkste thema. Steeds weer richt hij zijn blik op de absurde rituelen en vruchteloze pogingen waarmee de mens de eenzaamheid probeert te bestrijden. Zoals de foto van het bejaarde echtpaar met feesthoedjes en ballonnen op de cover van zijn boek; of het bruidsbanket waarbij bruid en bruidegom somber voor zich uit staren; of de installatie van een smetteloos witte tafel, waar alleen de met sigarettenpeuken gevulde asbakken enige kleur verschaffen.
‘Vooral bedrijfsfeestjes zijn een vruchtbaar onderwerp. Dan heb je zo’n karakterloos gebouw met systeemplafonds en identieke stoelen, en dan zet iedereen een gek hoedje op en dat is het feest. Ik maak me vrolijk over de schraalheid van zulke taferelen, en tegelijk wil ik niemand belachelijk maken. Ik kan me namelijk goed verplaatsen in de personages in mijn films. Ik ben zelf ook zo iemand die ongelukkig gaat zitten zijn op het feestje van die vreselijke tante die te luid lacht, en wanneer mijn zoontje jarig is, draag ik ook zo’n ridicuul feesthoedje.’
Ondanks de illusieloosheid is Op de Beecks werk nooit zwaarmoedig of deprimerend. Daarvoor is het te theatraal en zelfbewust. Hij knikt: ‘Soms zie je van die persfotografen die naar een achterstandswijk gaan om verpauperde huizen en zwaarlijvige mensen in foute T-shirts te fotograferen. Het idee is dan: kijk eens hoe afzichtelijk de werkelijkheid is. Daar hou ik niet van. Daarom wil ik dat de kijker te allen tijde beseft dat hij slechts naar de visie van één individu kijkt. Die bescheidenheid zie je bijvoorbeeld ook bij Johannes Vermeer. Als hij een schilderij maakt van een meisje, dan merk je dat hij haar heeft gevraagd om die brief vast te houden en te poseren en dat ze er een uur heeft moeten staan. Ik hou van authentieke fake, van bewuste kunstmatigheid.’
Die bewuste kunstmatigheid wordt het mooist gerealiseerd in Op de Beecks Locations, een reeks omvangrijke installaties, vol trompe-l’oeil-effecten en gezichtsbedriegende details: een nachtelijk kruispunt, een mistroostig wooncomplex, een wegrestaurant compleet met koffiebar en smetteloze tafels. Die installaties zien eruit alsof ze zijn gekopieerd van reële locaties, maar dat blijkt een misvatting; ze ontsproten geheel aan de verbeelding van de kunstenaar: ‘Het geheugen bevat een reservoir aan aangekoekte archetypen. Ik trek die archetypen uit het stof en maak er een kunstwerk van.’
Daarbij laat hij zich graag inspireren door kantoorcomplexen, mega-malls, wegrestaurants en al die andere gezichtsloze massa-architectuur die de westerse wereld de afgelopen pakweg dertig jaar overwoekerde: ‘Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in de manier waarop mensen geconditioneerd raken door hun omgeving. Neem zo’n shopping mall. Daar word je volkomen gedachteloos doorheen genavigeerd. Roltrapje op, roltrapje af, gangetje in, gangetje uit – en even later sta je buiten met twintig tasjes in je hand en denk je: wat heb ik nu weer gekocht? Eigenlijk leven we een groot deel van ons leven op de automatische piloot.’
Wat opvalt is dat de Location-installaties steeds abstracter worden. Minder en minder wordt hun uiterlijk bepaald door details en referenties aan de werkelijkheid: ‘Ik probeer mijn installaties zo tijdloos mogelijk te maken. Daarom stop ik er weinig merken en andere actuele zaken in. Het is een ambitie van mij om een installatie te maken waarin de totale leegte wordt benaderd.’
Dat doel naderde hij het dichtst met Location (6), het kunstwerk dat hij vorig jaar bouwde in de gashouder van de Westergasfabriek in Amsterdam. Het bestaat uit een cilindervormige ruimte die uitzicht biedt op een sneeuwlandschap met bevroren vijvertjes en nevelige vergezichten. Dat klinkt eenvoudig, en dat was het ook, zij het op een weldadige, ontspannen, bijna meditatieve manier. Als je een kwartiertje later weer buiten stond had je het gevoel dat je met een korte vakantie was geweest.
Het efemere karakter van Location (6) deed onwillekeurig denken aan oosterse filosofie en boeddhisme, maar zulke associaties worden door de kunstenaar weggewuifd: ‘Ik heb niets met zaken als wellness en meditatie. Dat Aziaten daarin geloven, dat begrijp ik nog wel, bij hen is het tenslotte geworteld in een eeuwenoude traditie, maar voor ons lijkt het me weinig zinvol.’
Over de genoegens waar het in zijn werken over gaat: ‘Stel je voor, je hebt een afspraak met mij in Brussel. Je hebt net die lange rit uit Nederland achter de rug. Je voelt de lentezon. Terwijl je op me wacht sluit je even je ogen. Je denkt niet na, bent onbewust, bent heel even niemand meer – bijna transparant. Dat soort gevoelens wil ik met mijn installaties graag ensceneren.’
Is het niet ironisch dat juist hij, die dertig projecten per jaar doet, die van de ene biënnale naar de volgende vliegt en per nacht vier uur slaapt, anderen aanzet tot rust en contemplatie? Hij lacht: ‘Soms droom ik ervan dat ik enkel nog kleine aquarelletjes maak.’ Om zich vervolgens met dubbele kracht op het volgende ambitieuze project te storten? ‘Exact.’

Met dank aan Katrien Otten

Hans Op de Beeck exposeert op Art Amsterdam bij galerie Ron Mandos, booth 034. 13 t/m 17 mei in de Rai. www.hansopdebeeck.com

OP DE BEECK OP ART AMSTERDAM
Op Art Amsterdam is Hans Op de Beecks meest recente fotoreeks, Room (2007-…) te zien. Het is een serie hypergedetailleerde genrestukken van mensen in lege decors: een bejaarde professor in zijn studeervertrek, een man in een hotelkamer, een vrouw in een galajurk op een feest. Het zijn verleidelijke beelden, die door de suggestieve details vanzelf aanzetten tot speculeren. Zelf beschouwt Op de Beeck de beelden als minitheatertjes: ‘De foto is de zogenaamde vierde wand.’
Met zijn laptop op tafel geeft de kunstenaar uitleg over het totstandkomingsproces: ‘Iedere foto begon met een schets van de architectuur. Daarbij gebruikte ik een centraal perspectief, een vorm van diepte waarbij alle vluchtlijnen naar één punt gaan.’ Dit rudimentaire grondplan vulde hij vervolgens in met echte fotobeelden: ‘Ik heb alle objecten in het beeld apart gefotografeerd, uitgeknipt met Photoshop en vervolgens digitaal in de interieurs geplakt.’ Om de architectuur te creëren gebruikte hij Maya, een ingewikkeld computerprogramma: ‘Daarbij krijg ik hulp van een assistent. Zelf ben ik geen computerfreak die zich verliest in programmeren.’ De combinatie van extreme detaillering en onwerkelijk perspectief zorgt voor een vervreemdend effect: ‘Dat centraal perspectief vind je terug op de schilderijen van de gebroeders Van Eijck en de Vlaamse primitieven, waar ik erg van houd.’
Wie de foto’s bekijkt vraagt zich vooral af waarom Op de Beeck voor zo’n omslachtige werkwijze heeft gekozen. Was het niet veel gemakkelijker om een hotelkamer te huren en daar een paar foto’s te schieten? Excuserend lachje: ‘Misschien, maar ik ben nogal een control freak. In de digitale wereld kun je alles naar je hand zetten. Je hebt daar een almacht die in de werkelijkheid ontbreekt.’