‘ik hou van gedachten die aanvankelijk onzin lijken’

Gerrit Krol, De mechanica van het liegen. Uitgeverij Querido, 130 blz., 329,50
VORIG JAAR verscheen de essaybundel De mechanica van het liegen van Gerrit Krol. Het is deels de neerslag van een serie colleges over ‘toeval in kunst en wetenschap’ die hij gaf aan de universiteit van Groningen. Hij merkte aan de reacties van de studenten dat toeval een soort ‘veelkoppig monster’ is: iedereen lijkt er iets anders mee te bedoelen.

Krol: ‘Ik begon met het verhaal over de Zen-boogschutter die met zijn ogen dicht altijd roos trof. Hij liet zijn geest het werk doen. Terwijl zijn bewonderaars dan vervolgens een roos tekenden om de nog natrillende pijl. Dit verhaal wekt altijd hilariteit. Toch verschilt de methode van de Zen-boogschutter niet wezenlijk van de werkwijze van veel kunstenaars. Een dichter bijvoorbeeld begint met een evocatieve zin, hetgeen je het schot van de Zen-boogschutter zou kunnen noemen. Maar hoe góed die eerste regel is, dat weet hij pas nadat hij de rest van het gedicht heeft geschreven. En die zinnen vormen de roos die om de eerste regel heen is geschreven. Dat we om het het verhaal van de boogschutter moeten lachen, komt doordat zo'n aanpak in de wetenschap niet erg geloofwaardig is. In de wetenschap wordt meestal begonnen met een aantal feiten. De theorie komt vroeg of laat wel uit de lucht vallen. Op zo'n moment hebben we het gevoel van een schot in de roos - de roos die er al was, in de gedaante van de feiten.
Wat kunst en wetenschap niettemin bindt, is dat in beide gevallen het toeval een grote rol speelt. Immers, in de wetenschap lijkt de ontdekking zelf, maar vooral ook het tijdstip van de ontdekking in hoge mate door het toeval bepaald. Ook in de kunst kan er opeens een begin van iets zijn. Van wàt, dat wordt je pas duidelijk als je er de woorden voor hebt gevonden. Dat vinden op zich is het resultaat van veel proberen, hetgeen een uitgesproken toevalsproces is. De ontdekking is dus vaak het resultaat van blindelings proberen.’
Hoeveel toeval bevat uw roman 'De Hagemeijertjes’?
'Ik heb bijna tien jaar over die roman gedaan. Want een hervertelling maken van de Val van Jericho, gesitueerd in deze tijd, is bepaald niet eenvoudig. Via zinvolle gedachten kwam ik er dan ook niet uit; ik maakte wel concepten en plannen, maar die voldeden meestal niet. Maar omdat ik zo openstond voor het probleem, vielen mij soms gedachten in die een betekenis aannamen die ik wel kon gebruiken. Die invallen, echter, worden in hoge mate door het toeval gestuurd. Toch lijkt zo'n toevallige inval een deel van het verhaal te beschrijven, hoewel ik op zo'n moment nog niet weet welk deel. Je kunt ook zeggen dat het onbekende op zo'n moment zijn eerste contouren krijgt. Onwaarschijnlijkheden verdichten zich tot een mate van waarschijnlijkheid, en dat gebeurt doordat je dobbelstenen werpt. Dat gevoel had ik tijdens het schrijven van De Hagemeijertjes heel sterk.’
VANWAAR DIE fascinatie met het toeval?
'Ik hou van nieuwe gedachten die aanvankelijk onzin lijken. In mijn essaybundel De schriftelijke natuur zeg ik ergens dat alles steeds weer opnieuw moet worden gedacht, in tegengestelde volgorde gedacht, verkeerd gedacht en onmogelijk gedacht. Ik denk dat dit nodig is, wil je überhaupt iets schrijven dat kan blijven boeien. Als schrijver breng ik het toeval daardoor nogal expliciet naar voren.
Ik verander heel weinig aan zinnen. Want zoals de bewoording mij frappeert, frapeert deze de lezer misschien eveneens. Ik schrijf ook niet in de volgorde waarin het boek gedrukt is. Ik schrijf meer zoals een schilder schildert: kriskras over het doek. Ik gebruik ook geen kaartenbak, waarin de hoofdstukvolgorde al vastligt. Ik schud de kaarten pas achteraf.’
U gebruikt uw brein in eerste instantie als een soort randomprocessor, om de zaak vervolgens te structureren?
'Zo zou je het kunnen stellen. En de manier waarop ik mijn brein dan gebruik, heeft veel weg van de Monte Carlo-methode, een procedure van statistische steekproeven waarmee je er achter kunt komen tot waar onder het oppervlakte zich het gesteente uitstrekt. Als je maar voldoende steekproeven neemt, kom je vrij nauwkeurig te weten wat het volume en de omvang van het gesteente is. Met het aantal steekproeven neemt dus ook je zekerheid toe. Totdat je zekerheid zo groot is dat je de proefnemingen kunt staken. Dat was wat ik zojuist ook bedoelde met die onwaarschijnlijkheden die zich verdichten tot een mate van waarschijnlijkheid.
Je kunt dus inderdaad stellen dat ik mijzelf soms als een machine gebruik. Maar dan een machine die vreemde uitspraken doet. Ik heb een tijd lang de gewoonte gehad met opzet sommige zinnen onleesbaar op te schrijven. Als ik er dan de volgende dag iets anders in las, dan betekende dat een uitbreiding van mijn geest. Wat ik nog steeds doe als ik een gedachte heb, is die zo gauw mogelijk weer vergeten. Op die manier nodig ik de inval als het ware uit zich op een nieuwe wijze te presenteren.’
In 'Wat mooi is is moeilijk’ schrijft u dat u ooit droomde van een computer die zinnen van een zeker intelligent gehalte kon produceren.
'Ik had daarbij een soort hersenmodel voor ogen met activeringsgebieden en lokale vermoeidheidsverschijnselen, om op die manier al te veel herhaling te voorkomen. Ik kon er inderdaad wat poëzie mee genereren. Maar die was van nogal magere kwaliteit. Het vreemde was nu dat als ik die poëzie wat wilde opvoeren, ik de teugels moest aanhalen. Maar dan bleef er van de ingebouwde vrijheid natuurlijk weinig over. Ik heb het probleem toen opgelost door het hersenmodel dat mij voor ogen stond in mijn eigen hersenen in te bouwen. Of het gelukt is, weet ik niet precies.
Wat me vanaf die tijd wel lukt, is door middel van kleine denkbewegingen antwoord te geven op vragen die ik vervolgens stel. Op die manier genereer ik taal die uitbreiding geeft aan mijn kennis. Je kunt de computer trouwens ook simuleren door willekeurig een woordenboek open te slaan en woordjes te prikken. Ik heb dat een aantal keren gedaan, maar slechts één keer was er iets bij waardoorheen een soort licht gloorde.’
U heeft tijdens de werkcolleges in Groningen een experiment gedaan waarbij de plaats van het woordenboek werd ingenomen door een aantal studenten.
'Ik heb een aantal studenten gevraagd iets te schrijven, uitgaande van aarde, vuur, water, lucht. Ieder mocht schrijven wat hij wilde, als het maar in het geheel paste. Maar wat dat “geheel” was, wisten we nog niet. Na drie rondes heb ik een compilatie gemaakt, waarmee de studenten weer naar huis gingen om er hun commentaar bij te schrijven in de vorm van nieuwe tekst. Vanaf de vijfde ronde hadden we het gevoel dat het gedicht een zekere verzadiging bereikte. Het uiteindelijke resultaat was een soort romantische pannekoek.’
IN DE 'MECHANICA van het liegen’ schrijft u over het bijna euforische moment dat u beleefde na het lezen van het honderd jaar oude boek 'Principles of Psychology’ van William James, waarin hij het brein als een handvol dobbelstenen beschrijft. U kreeg als het ware met terugwerkende kracht gelijk over het brein als randomgenerator?
'Zoiets ja. Er zit een onbepaald en onvoorspelbaar element in de beide hersenhelften, die de bezitter in staat stelt zich aan te passen aan de kleinste veranderingen in zijn omgeving. De ontladingen die dan ontstaan kunnen toevallig worden genoemd, een beetje op de manier waarop een regendruppel langs een berghelling afvloeit. James schrijft ook schitterend over die dobbelsteenmetafoor. Ergens zegt hij dat de verrichtingen van de hersenen op hoger niveau doen denken aan dobbelstenen die eindeloos op de speeltafel worden geworpen. Hij vraagt zich af of het bewustzijn in staat is de dobbelsteen te verzwaren, waardoor de doeltreffendheid wordt vergroot. Inderdaad voelde ik me na het lezen van deze bespiegelingen lichtelijk euforisch, temeer daar het nu eenmaal moeilijk is toeval een plaats te geven in een brein dat werkt volgens de deterministische natuurwetten, zoals veel psychologen nog steeds denken. Maar het is juist zo fascinerend je ervan bewust te zijn dat alles wat onbegrijpelijk is aan de mens, te begrijpen valt als je aanneemt dat hij in zijn doen en spreken het produkt is van het gewogen toeval.’
U zegt dan: 'Een vrucht van het toeval is de vrijheid.’ Maar als ik door het toeval word geregeerd, waar is dan die vrijheid?
'Je kunt het inderdaad omdraaien, maar bij het schrijven erváár je het toeval als vrijheid.’
U noemde het toeval een veelkoppig monster: iedereen bedoelt er iets anders mee. Wat is uw toeval?
'Ik ben geneigd te zeggen dat als we het niet weten, we het toeval mogen noemen. Ik heb ooit geschreven dat toeval en God ongeveer hetzelfde is. We zullen echter nooit weten wat toeval is, want op het moment dat we het wel weten, is het geen toeval meer. Op dezelfde manier zou je kunnen zeggen dat als we God kennen, Hem hetzelfde lot als het toeval zou treffen.’