Interview met Katinka Polderman

‘Ik hou van robuust, rauw en met randjes’

Katinka Polderman won in 2005 het Leids Cabaret Festival. Ze zingt haar liedjes op een lief toontje, maar haar spot is bijtend. ‘Ik hou niet van geliktheid. Ik vind het mooi als je de persoon er echt doorheen ziet.’

Als Katinka Polderman met akoestische gitaar ten tonele verschijnt, is daar onmiddellijk een lichte associatie met Neil, van The Young Ones. Zelfde haar, zelfde blik, zelfde sloomheid, zelfde lijzige toon. Fors postuur ook. Ze draagt kistjes, een rode broek en een knalgroen T-shirt met een regenboog. Oogt lief. Pas als je beter kijkt, zie je twee parende eenhoorns op haar shirt. Bierkratjes, een piano en hond Busje vormen het sobere decor. Na de pauze zegt Polderman: ‘Ik lijk misschien een ongrijpbaar fenomeen, dat achteloos wat heen en weer strompelt. Maar dat is een keuze. Eigenlijk ben ik een energieke spraakwaterval. Maar dat segment van de markt is al zo verzadigd. Eigenlijk had ik maatje 38 – maar nu mag ik niet meer sporten, moet veel roken en slecht eten. Alles voor ’t image, hè.’ Een paar dagen later gaat Katinka Polderman gekleed in donkergroene rok en bijpassende trui. Het haar in een staart, schrandere bruine ogen. Nog steeds ui-ter-ma-te rus-tig pratend. Polderman: ‘Nadat ik het Leids had gewonnen, schreven alle kranten: “O, wat bijzonder. Zo anders, een vrouw die liedjes doet – het is zo vernieuwend.” Ik was opeens een aanwinst voor het cabaret. Maar dat heb ik er helemaal niet mee bedoeld. Het is geen keuze. Daar ben ik veel te beperkt voor. Ik heb geen fijn fysiek, ik kan niet prachtig zingen en ik kan ook al niet virtuoos gitaar spelen. En ik hou ervan om het heel dicht bij mezelf te houden. Dus dit ís het gewoon.

In mijn voorstelling vond ik het wel grappig om het om te draaien. Dat het net lijkt of ik erover na heb gedacht: wat is er nog niet? Waar kan ik geld mee binnenhalen? Ik heb geluk gehad dat ik met het juiste ding op de juiste plaats het Leids heb gewonnen. Het blijkt commercieel aantrekkelijk te zijn!

Een typetje neerzetten is júist wat ik níet wil. Ik ben echt zo. Ik zou het niet eens durven om op het podium grappen te maken. Het zijn meer terloopse droge opmerkingen die ik maak. Ik bouw ze niet op als grap. Dat is prettig, dan is het ook niet zo erg als er niemand lacht.

Wat ik fijn publiek vind? Een pijprokende man! Zo’n man die na afloop naar huis gaat, nog een boek gaat lezen en een goed glas wijn drinkt. Zo’n man begrijpt mij wel, denk ik.’

Katinka Polderman groeide op tussen de Zeeuwse akkers, net buiten ’s Heer Abtskerke – een dorp met 180 huizen: ‘De supermarkt sloot en de smid ging dood, dus bleef er niets anders over dan de school, de tennisbaan en de glasbak. Als je daar iets met theater wilde, en dat wilde ik, dan moest je naar Middelburg, en dat is niet aan te fietsen. Dus dat bleef een beetje liggen in mijn kindertijd. Maar ik schreef wel. Vanaf mijn vierde, vijfde jaar zette ik rijmwoorden in een schriftje. Op de havo propte ik zoveel mogelijk woorden als existentie, ostentatief, bagatelliseren, hiaat en hetze in één zin, of ik maakte er een liedje van. Dat was ook handig. Dan hoefde ik voor een proefwerk niet veel meer te leren.’

In die tijd was ze punk. Ze luisterde graag naar Nirvana, naar Gorefest, maar ook naar Bjørk. Ze had paars haar. Ze deed op haar zeventiende auditie voor de Toneelacademie in Utrecht – ‘Daar moesten we met een soort van indiaan energie in het midden van de cirkel voelen’ – en op de Kleinkunstacademie – ‘Daar moesten we boos worden op zandzakjes’. Te vaag, vond Polderman. Van haar gymleraar hoorde ze dat er in Rotterdam een cabaretacademie zou starten onder leiding van Bert Klunder: ‘Dat sloot perfect bij mij aan in die tijd. Ik was niet van de zandzakjes. Hij zei gewoon: “Nou moet je het zó en zó doen – op mijn klap” (ze klapt). We deelden een fascinatie voor irritante mensen, mensen die iets hoog te houden hebben. Bij hem deed ik vooral veel typetjes. “Je moet er een wíjf van maken”, riep hij dan, “op mijn klap!” Ze grinnikt.

‘Op de Koningstheateracademie in Den Bosch merkte ik dat ik goed was in liedjes. Als ik ergens kwaad van word, of als iets me verbaast, moet dat er vaak uit in een liedje. Zodat ik zo’n beetje weet waaróm iets me kwaad maakt, of waaróm ik iets niet begrijp. Een liedje beperkt me. Door metrum en rijm word je een kant op gedwongen. Daardoor gaan heel veel deurtjes dicht, en dat heb ik nodig. Bij een conference kan het honderd kanten op, dan kan ik niet goed kiezen. Ik ben slecht in het maken van keuzes en kill your darlings.

Ik vind het prettig om iets te maken dat een groter thema heeft dan ikzelf. Er was een tijd dat vrouwen het alleen hadden over maandverband, telefoontjes en een kinderwens: dat zou ik zelf nooit willen. Dan wordt het zo klein! Navelstaarderij. Daar hou ik niet van. Mijn programma is een oproep tot onafhankelijk denken. Ik erger me kapot aan domheid en stompzinnigheid. Christina Aguilera, daar kan ik me kapot aan ergeren. Als je toch zo’n zangtalent hebt… ik wou dat ík dat had! Dan heb je het toch helemaal niet nodig om iedere keer maar weer met die tieten op de proppen te komen?’

Omdat vrouwen zo teruggestuurd worden naar het aanrecht?

‘Nou, erger nog: naar bed. Het ergste vind ik dat een hele generatie meisjes opgroeit die denkt dat het normaal is er zo bij te lopen.

Ik vind het fijn als iets echt is. Ik hou niet van geliktheid, dat iets helemaal af is en in elkaar geknutseld, zoals bij een musical, dat alles klopt en perfect is. Er moeten scherpe randjes aan blijven zitten. Daarom hou ik zelf ook zo van Jeroen van Merwijk, Kees Torn, Hans Dorrestein, Maarten van Roozendaal: robuust, rauw en met randjes. Ik vind het mooi als je de persoon er echt doorheen ziet.’

Katinka Polderman: ‘Ik heb anderhalf jaar in Amsterdam gewoond. Maar ik vind het zoveel veel-te-groot. Op een maandagavond kon je al acht fantastische dingen in het theater zien. Ik kon gewoon niet meer kiezen, en deed dan uiteindelijk maar niets. En je kunt er rustig in de tram gaan zitten schijten, niemand die raar opkijkt. Een half jaar vond ik het wel leuk om op te gaan in de anonimiteit, daarna kreeg ik er een heel leeg gevoel. Ik woon nu in Den Bosch, dat vind ik wel een fijne stad, maar de Zeeuwse klei, die mis ik wel. De mentaliteit, het dialect, mijn stamkroegen… Zeeuwen zijn rustig, kijken de kat uit de boom, maken zich niet druk, doen niet te gek. Ja, zoals ik zelf ook ben, ja.

Als ik in het verzameld werk van Willem Wilmink heb zitten lezen, dan kan ik echt een paar dagen niet schrijven. Daar zit zo’n mooie melancholie in. Dan kan ik alleen maar denken: zo goed wordt het nooit bij mij! Maar Muse kan me ook ontroeren. Een harde gitaarband, ze leggen een deken van geluid onder de gitaarpartijen, waar heel veel gevoel in zit. Maar eerlijk gezegd: ik kan mezelf ook wel ontroeren. Mijn vriend is mijn technicus. Die zit dus altijd achter in de zaal. Ik heb een stuk of drie romantische liedjes. Als we in een relatiedipje zitten, en ik zing die liedjes en ik weet dat hij ze achter in de zaal hoort, en ik voel dan al het gevoel dat erin zit: ja, dat kan me wel ontroeren, ja.’

Tournee tot en met 25 mei.
www.katinkapolderman.nl