Brieven uit de oorlog

‘Ik hou werkelijk van Duitsland’

Heinrich Böll schreef als soldaat in de Tweede Wereldoorlog dagelijks brieven. Zo kon hij even ontkomen aan de werkelijkheid van uniform, kazerne en eenzaamheid. Hij hield van Duitsland en hij haatte Duitsland.
Heinrich Böll
Brieven uit de oorlog 1939-1945
Gekozen en vertaald door Goverdien Hauth-Grubben. De Arbeiderspers, 358 blz., € 27,50

Tekening: PJ Roggeband

Medium openingkk

De Nederlandse uitgave van de oorlogsbrieven van Heinrich Böll is (om met de kritiek te beginnen) maar een mager aftreksel van het origineel. Böll, de in 1985 overleden Duitse schrijver die in 1972 werd onderscheiden met de Nobelprijs voor literatuur, was gedurende de hele Tweede Wereldoorlog soldaat. Tussen eind augustus 1939, toen hij werd opgeroepen, en april 1945 schreef hij dagelijks brieven, eerst aan zijn ouders, broers en zussen in Keulen en later voornamelijk aan zijn verloofde Annemarie Cech, met wie hij in 1942 trouwde. Van al deze brieven zijn er ongeveer duizend bewaard gebleven. Mede door toedoen van Annemarie Böll, gestorven in 2004, verschenen in Duitsland in de herfst van 2001 twee delen (totaal 1652 pagina’s) met daarin 878 brieven, een zeer uitvoerig notenapparaat en een leerrijk nawoord van de Böll-kenner James H. Reid.

De Nederlandse uitgave komt niet alleen tamelijk laat, maar is ook zeer bescheiden van omvang. Goverdien Hauth-Grubben heeft 242 brieven uitgekozen en vertaald; het notenapparaat is zeer beperkt en het nawoord is geheel verdwenen. Ook al zijn selectie en vertaling zorgvuldig geschied, dan nog biedt Brieven uit de oorlog 1939-1945 een onvolledig beeld en wordt geen recht gedaan aan de intensiteit en dichtheid van deze brieven. Jammer is vooral dat het nawoord van Reid is vervallen, terwijl enige uitleg en duiding toch noodzakelijk is. Want deze brieven van de jonge Böll (hij was 22 toen de oorlog begon en 27 bij de capitulatie) passen slecht bij de latere Böll, de schrijver die in zijn boeken onverbloemd de waarheid wilde vertellen over de oorlog, het nationaal-socialisme en het naoorlogse (West-)Duitsland en de geëngageerde linkse intellectueel die zich inzette voor vrede en verzoening, menselijkheid en rechtvaardigheid.

Wat opvalt is dat in de brieven Hitler en het nationaal-socialisme nauwelijks en de jodenvervolging helemaal niet voorkomen. Daarvoor zijn een paar verklaringen. In Was soll aus dem Jungen bloss werden?, waarin Böll over zijn jeugd heeft geschreven, staat: ‘Wij waren een op komische wijze katholiek gezin, dat eenvoudigweg tegen de nazi’s was.’ Die ‘onoverwinnelijke afkeer’ was er ook bij de jonge Heinrich. In de Hitler Jugend ‘kon ik gewoon niet gaan en werd dus geen lid, en dat was het’.

In zijn brieven hoefde hij dus niet over de nazi’s te schrijven, zijn mening was bekend. En over de holocaust kon hij niet schrijven, want daarover, aldus Böll, hoorde hij voor het eerst in Amerikaans krijgsgevangenschap. Over de jodenvervolging schreef hij wel kort na de oorlog in het verhaal Der Zug war pünktlich en in de roman Wo warst du, Adam?.

Een andere reden voor Bölls politieke terughoudendheid was de militaire censuur. Gezien het feit dat soldaten van de Wehrmacht dagelijks vele miljoenen brieven naar huis schreven, was de kans bij een censor te belanden niet zo groot, maar toch, voorzichtigheid was geboden. Niettemin zijn zijn brieven soms zeer openhartig.

Böll was een katholieke Rijnlander, Keulenaar in hart en nieren, en dat betekende voor hem dat hij anti-Pruisisch en antimilitaristisch was. Zijn enorme afkeer van het stompzinnige en geestdodende soldatenleven is een steeds terugkerend thema in de brieven. Zijn klaagzangen zijn zo talrijk dat je bijna begrip krijgt voor het idee van de Nederlandse vertaalster dat het best allemaal wat minder kan. Maar Böll zelf dacht daar dus anders over. Hij schreef dagelijks, soms zelfs meermaals per dag. Schrijven was zijn manier om te overleven; al schrijvend kon hij even ontkomen aan de door hem gehate werkelijkheid van uniform en kazerne, en aan zijn eenzaamheid.

De soldaat Böll was een buitenstaander. Met zijn krijgsmakkers, zo meende hij, was een verstandig gesprek onmogelijk. Aan hun lawaai en geklets had hij een grondige hekel. Al in een van zijn eerste brieven schreef hij over hen: ‘We leven blijkbaar in een wereld van smeerlappen.’

Wat hem staande hield waren niet alleen de brieven die hij zelf schreef, maar ook de brieven van zijn vrouw, die eveneens dagelijks schreef. (Van die brieven weten we niets, behalve dat Böll er dagelijks reikhalzend naar uitkeek.) Bovendien klampte hij zich vast aan de hoop dat de oorlog ooit voorbij zou zijn en zijn ‘werkelijke leven’ kon beginnen: het leven van een schrijver die de waarheid in literatuur zal vatten. Verder meende hij een missie te hebben. Böll getuigt in zijn brieven van een diep christelijk geloof dat uitgedragen moest worden in een goddeloze wereld. (Dat zal hij na ’45 snel vergeten.)

In deze brieven zitten veel tegenstrijdigheden. Böll voelde zich verheven boven de andere soldaten (‘Ik ben geboren voor een ander leven’), maar tegelijkertijd was hij solidair met de gewone man. Op 19 juli 1942 schreef hij aan zijn moeder waarom hij geen officier wilde worden: ‘Ergens hoor ik veel meer en veel sterker bij de massa die moet lijden (…). Ik geloof haast dat het verraad zou zijn aan alles wat we hebben moeten meemaken en doorstaan als ik nu officier zou willen worden, omdat het vuil daarbeneden niet langer goed genoeg voor me is.’

De infanterist Böll, die in 1943 korporaal eerste klas werd, haatte het soldatenleven, maar het front fascineerde hem. Eind mei 1944 raakte hij gewond aan het front in Roemenië en kort daarna hoorde hij dat de geallieerden waren geland in Normandië. ‘Wat zou ik daar graag bij zijn, je kunt toch beter tegenover een vijand als de Engelsen staan dan tegenover die duisternis en donkere verschrikking van de Russen.’

Soms besefte hij ook dat zijn gevoelens tegenstrijdig waren. ‘Ik haat het mensonwaardige Pruisische drillen meer dan wat ook; maar ik hoop dat Duitsland wint. Misschien is dat onlogisch, maar liefde en haat zijn altijd onlogisch en dat is ook goed zo.’

De oorlog is slecht, maar Duitsland moet winnen. De nazi’s zijn eveneens slecht, maar Duitsland is ‘groot, goed en edel’. In deze brieven plaatst Böll zijn lezers voor pijnlijke raadsels. Zo meende hij de oorlog te kunnen rechtvaardigen met een verwijzing naar het voor Duitsland harde verdrag van Versailles na de Eerste Wereldoorlog. Eind 1942 schreef hij: ‘De oorlog neemt langzamerhand een grauwe troosteloze vorm aan, hij is niet meer zo triomfantelijk en ook wel meeslepend als in het begin; hij wordt hard en bitter, en we zijn ontzettend eenzaam; God geve dat het goed gaat, het zou vreselijk zijn als dat alles weer voor niets was geweest (…), ik bedoel dat het ook treurig zou zijn als het politiek gezien voor ons volk weer voor niets was; na Versailles hebben we toch zeker al twintig bitter arme en ellendige jaren achter de rug; deze oorlog moet ons eindelijk eens een kleine rustpauze brengen…’

Was Böll bij alle afkeer van de nazi’s toch een kind van die afschuwelijke nationalistische tijd? Of hebben we hier te maken met ironie die Böll inzet ter wille van de censuur, zoals wel in commentaren is gesuggereerd?

Hoe dan ook is het hoogst pijnlijk wat hij over Nederlanders heeft te melden. Begin augustus 1940 trok hij met zijn Wehrmacht-eenheid van Polen naar Frankrijk en zag onderweg het gebombardeerde Rotterdam: ‘Het is echt afgrijselijk verwoest; je reinste waanzin.’ Maar verder, zo meende hij, leven die Hollanders veel te goed. En voor hun anti-Duitse gebaren had hij geen enkel begrip: ‘De rit door Holland zal ik zo gauw niet vergeten; zelden ben ik zo woedend geweest; zo schoon, behaaglijk en gezond, en dan dat heerlijke zaterdagmiddagleventje; het was echt tijd dat we die schaamteloze gezelligheid eens onderbraken, en daarbij nog de brutaliteit ons, die machteloos voorbijreden, door spottende gebaren een koele en natte dood toe te wensen.’ Een half jaar later probeerde hij Nederlands te leren, ‘al is het de taal van een vermoeid, want volgevreten volk’.

Ook in Frankrijk, waar Böll twintig maanden dienst deed in of bij de bunkers langs het Kanaal, irriteerden hem de anti-Duitse gevoelens. Hij leerde daar Jacqueline kennen, een Frans meisje van zestien jaar dat hem vertelde hoe zeer ze de Duitsers haatte. ‘Ik geloof dat er op de wereld nooit een volk zal zijn dat ons begrijpt behalve wijzelf.’ Zoals er, aldus Böll, ook geen volk is dat zo trouw en opofferingsgezind is als het Duitse. Zo schreef hij op 8 september 1943: ‘Het Duitse volk heeft bewezen dat het een enorme grootheid en een oneindig vermogen om te lijden bezit, die zelfs door het propagandistische geleuter van onze kranten en onze radio niet gebagatelliseerd kunnen worden.’ Het lijden van andere volken onder de Duitse bezetting en nazi-terreur was lange tijd geen thema. Heeft hier zelfcensuur een rol gespeeld? Was hij blind voor wat zich onder zijn ogen in Frankrijk en Rusland (Böll was zeven maanden in het Oosten) afspeelde?

Anderzijds maakte hij wel duidelijk dat zijn Duitsland niet nazi-Duitsland was. Op 21 maart 1943 schreef hij aan zijn vrouw: ‘Er is nog iets wat me zeer na aan het hart ligt en wat ik je moet zeggen: ik hou werkelijk van Duitsland; hoewel ik menige verschijningsvorm en veel wat typisch Duits-burgerlijk is haat, ik hou toch van Duitsland, dat moet je van me aannemen. Ik zou dat geloof ik tegen niemand anders kunnen zeggen! Ik schaam me haast. Alles wat Duitsland ontsiert haat ik mateloos, en dat is helaas vaak het geschreeuw van hen die Duitsland vertegenwoordigen; maar ik hou van Duitsland.’

In 1943 begon Böll aan de zin van de oorlog te twijfelen. In de brieven duikt dan de zin op: ‘Vaak overvalt me als een schaduw de verschrikkelijke verdenking dat deze onderneming alleen maar een rampzalig avontuur van een paar onverantwoordelijke lieden is geweest! Maar ik mag mijn geloof in een toekomstig Duitsland niet opgeven, ook al is ons volk nu een goddeloze en haast cultuurloze massa; misschien verheft deze oorlog ons.’

Ruim een jaar later was zijn oordeel definitief gevormd. Begin juni 1944 – Böll was voor de tweede keer gewond geraakt aan het Oostfront – schreef hij: ‘Ik haat de oorlog, ik haat hem uit de grond van mijn hart, de oorlog en ieder lied, ieder woord, ieder gebaar en iedereen die voor de oorlog ook maar iets anders voelt dan haat. Want hij is zo volkomen zinloos en de politiek is zo mateloos infaam en verdorven dat het nooit gerechtvaardigd kan zijn zo’n oorlog te beginnen en hem zo onmenselijk lang te laten duren…’ En een paar dagen later: ‘Ik weet nu dat de oorlog een misdaad is, een absolute misdaad, de allerergste! Hij draagt alle andere misdaden in zich, alle, alle…’

De oorlog zou toen nog bijna een jaar duren. Half september 1945 werd Böll als krijgsgevangene ontslagen. Hij schreef aan een vriend: ‘We willen alle waanzin van de afgelopen jaren afzweren, werkelijk met Gods hulp een nieuw leven beginnen…’

En dat deed hij. Zijn oorlogservaringen vergat hij niet. Ze keerden op de een of andere wijze terug in zijn literatuur.