De hoofdredacteur van Berlusconi

‘Ik houd van provocaties’

Vittorio Feltri is sinds de zomer weer hoofdredacteur van Il Giornale, de krant van Berlusconi. De afgelopen weken bepaalde hij het debat in Italië. Want Feltri schrijft wat de premier denkt. Of toch niet? ‘Ik ben geen berlusconiaan. Berlusconi is een feltriaan.’

HEERLIJK MOET HET ZIJN. Op je 66ste nog eens gevraagd te worden om een krant – en niet zomaar een krant – uit het slop te trekken. Gevraagd door premier Silvio Berlusconi, ook al niet zomaar iemand. En dat op dit explosieve moment in de Italiaanse politiek, de droom van iedere krantenmaker.
‘Ja, Berlusconi belde en zei: “Feltri, we hebben je weer nodig. Il Giornale maakt 22 miljoen euro per jaar verlies. Als jij erin slaagt om quitte te spelen, krijg je tien procent.”’
De hoofdredacteur glimlacht ontspannen. Vittorio Feltri is niet ‘de hoofdredacteur van’, Feltri is Feltri. Zijn smaakvolle verschijning in het grijs, zo’n klassiek Italiaans pak dat hij met achteloos naturel draagt, steekt af tegen de ietwat sjofele redactieburelen in hartje Milaan. Standaard jaren-zeventig-kantoordesign en zo op het oog nooit meer iets aan gedaan.
Maar hij weet waarom hij hier zit: opvallen en besparen. Beide lukken tot nog toe uitstekend. Opvallen doet hij dankzij zijn commentaren, bijna dagelijks, altijd op de voorpagina. Ze zijn een belangrijke vingerwijzing voor wie wil weten wat er in Berlusconi omgaat.
‘Ach gut’, zegt Vittorio Feltri meewarig, ‘dat is zo naïef. Men denkt echt dat Berlusconi mij iedere dag belt. Zo van: Feltri, vandaag moet je hierover schrijven.’
Naïef inderdaad, want als je tegenover Feltri zit, besef je dat hij geheel op eigen kracht het gedachtegoed van de premier van Italië weet te vertolken. En hem zelfs raad geeft. Feltri waarschuwt Berlusconi en zijn coalitiegenoten wanneer het schip op de klippen dreigt te lopen. Niet zelden zie je zijn hoofdartikelen de dag erop terug in gedragingen van regeringsleden. Minister van Economie Giulio Tremonti zeurt niet meer om de positie van vice-premier, zoals Feltri hem adviseerde. Berlusconi bakt geen zoete broodjes meer met ‘nep-vredesduiven binnen zijn eigen coalitie’. ‘Ik omring mij vanaf vandaag alleen nog met valken’, liet hij de dag na Feltri’s commentaar grimmig weten.
En besparen lukt ook. Daar is Feltri een grootmeester in:
‘Het eerste wat ik heb gedaan, is dit stuk (hij pakt ‘Il Giornale’ erbij) van de bovenkant en van de onderkant afsnijden. Geen hond die het heeft gemerkt, 66.000 euro per jaar papierkosten bespaard. En de medewerkers – vriendjes van redacteuren of zielige gevallen uit het verleden – dienen ontmoedigd te worden. Ik heb meteen twintig procent op hun tarief gekort. Dat heeft erg geholpen.’

HET GAAT BIJ Il Giornale eigenlijk maar om twee dingen: Feltri’s commentaar en de openingskop. Die maakt hij ook. ‘Een eenvoudig trucje. Mijn moeder leeft helaas niet meer, maar ik denk nu iedere dag: hoe zou ik dit aan mijn vrouw uitleggen?’
Die aanpak levert prikkelende koppen op, zoals: ‘Er is een pooier’ (22 juli 2009), naar aanleiding van de ontboezemingen van escort Patrizia d’Addario over haar nacht met Berlusconi in zijn ambtswoning. Lead: ‘Iedere dag een roddel. Het is onmogelijk dat het geklets over Berlusconi spontaan van D’Addario komt. Iemand fluistert haar in met politieke doeleinden.’
Of: ‘Dit is een coup. We moeten ons verdedigen’ (5 oktober 2009), toen Berlusconi’s bedrijf Fininvest door een rechter was veroordeeld tot een boete van 750 miljoen euro vanwege het illegaal aftroeven van zijn linkse aartsconcurrent Carlo De Benedetti bij het verwerven van uitgeverij Mondadori. Lead: ‘De as tussen Links en de rechtspraak probeert nu, na de mislukte aanval met de showgirls, om het kapitaal van de premier te vernietigen en hem op die manier tot aftreden te dwingen. De tegencoup is al klaar. Rechts roept zijn kiezers naar de pleinen en stuurt aan op nieuwe verkiezingen.’
Feltri is gevaarlijk, zeggen zijn vele vijanden. Hij schroomt niet om ‘dossiers’ over mensen te publiceren, als dat zo uitkomt. Of er ten minste mee te dreigen. Dossiers met de suggestieve ondertoon: waar rook is, is vuur. Toen de bisschopskrant Avvenire eind augustus de hevig verontruste katholieke lezers geruststelde met een stichtelijk praatje over Berlusconi’s losbandige seksuele zeden, rukte de stormram Feltri uit. Het was niet verstandig van hoofdredacteur Dino Boffo van Avvenire, schreef Feltri, om zo hoog van de toren te blazen. Of was Boffo soms vergeten wat hém was overkomen?
Wat volgde was een verhaal over een aanklacht van een mevrouw uit Terni, wier echtgenoot een homoseksuele verhouding met Boffo zou hebben gehad. Toen die eindigde, zou de hoofdredacteur dreigtelefoontjes naar de echtgenote hebben gepleegd. De zaak was uiteindelijk afgekocht door Boffo, de aanklacht was ingetrokken, maar toch: er bestond een dossier. En dat had Feltri in handen.
Gevolg van het oprakelen van deze geseponeerde zaak was dat Boffo zijn ontslag moest indienen bij Avvenire. Niet dat de bisschoppen enige twijfel hadden over de onberispelijke levenswandel van Dino Boffo, maar het was toch verstandig dat hij opstapte. De verhoudingen tussen Berlusconi en het Vaticaan zijn na de affaire-Boffo weer opgeklaard. Diplomatie hielp niet, de affaire-Boffo in Il Giornale wel. Hij die zonder zonden is werpe de eerste steen, en dat had Feltri even in herinnering gebracht.

WIE HET NOG NIET helemaal heeft gesnapt, is Gianfranco Fini. De postfascistische Fini is de belangrijkste politieke bondgenoot van Berlusconi, maar hoe dieper Berlusconi in de problemen raakte met minderjarige meisjes, escorts, een woedende echtgenote en processen, des te chiquer deed Fini. Alhoewel voorzitter van de Tweede Kamer, begon hij zich te gedragen als de president van Italië. Hoog opgetrokken wenkbrauwen als hij wordt gevraagd om commentaar over Berlusconi, en ook steeds linksere ideeën.
De eerste keer dat Fini door Il Giornale op de vingers werd getikt, was toen hij zich achter het stemrecht voor immigranten schaarde. Daar trok Feltri uit de startblokken. ‘Kameraad Fini, waar ben je mee bezig?’ schreef hij breeduit over de hele voorpagina. En, jawel, een dossier. Over een groep dames van lichte zeden die ergens in 1999, of misschien was het 2000, makkelijk toegang had tot de palazzi del potere (de gebouwen van de macht) teneinde de mannen van de macht wat op te vrolijken.
Berlusconi is naarstig op zoek naar een foefje om zich het Openbaar Ministerie van het lijf te houden. Vele processen inzake corruptie en belastingontduiking jegens de ondernemer Berlusconi dreigen heropend te worden nu hij als premier niet meer onschendbaar is. En wat doet Fini? Verklaringen afgeven over het soevereine belang van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Dat is geen samenwerken. En dat helpt Feltri hem dagelijks herinneren, in scherpe, steeds vileinere commentaren.
‘Ik was altijd al zo’, zegt Feltri. ‘Ik was hoofdredacteur van l’Indipendente en we deden het goed. Toen we Il Giornale in oplage voorbij streefden, nodigde Berlusconi me uit voor een lunch bij hem thuis. Let wel: voor een lunch, dus niet eens een diner. En in 1994 werd ik hoofdredacteur van Il Giornale. De oplage ging van 130.000 naar 250.000, in vier jaar tijd. Maar altijd weer die vraag, ook laatst van de BBC: “Dus u bent een berlusconiaan?” Nee dus. Je zou kunnen zeggen dat Berlusconi een feltriaan is.’

WAAR FELTRI KOMT, stijgt de oplage. Met Il Giornale zit hij nu, na krap vier maanden tijd, alweer op 185.000. Een verschil van 50.000 met zijn voorganger. ‘Weet u, er is maar één man die ik per se wilde meenemen van Libero (de succesvolle rechtse krant die Feltri in 1998 oprichtte – ab). Dat was de boekhouder. De belangrijkste man van een krant.’
Het commentaar van Feltri, daarvoor lees je Il Giornale. Je zit als het ware mee aan de knoppen, of althans, die indruk weet Feltri heel goed te wekken. ‘Dat is natuurlijk abnormaal. Net zo goed als Berlusconi abnormaal is. Het heeft te maken met de Italiaanse situatie. Berlusconi is een product van de situatie in dit land, en daar ben ik op mijn beurt ook weer een product van.’
Die ‘situatie’, waar Italianen altijd over praten als betrof het een natuurramp, vat Feltri handzaam samen: ‘In 1992 had je het Schone Handen-proces. Ik was in het begin een groot fan en heb de openbare aanklager Di Pietro ook zeer gesteund in l’Indipendente. Di Pietro had mij verzekerd dat hij álle partijen zou onderzoeken. Wat gebeurde? Christen-democraten en socialisten, de belangrijkste regeringspartijen, zijn verdwenen, samen met de kruimelpartijtjes. De communisten niet, want daar bleef Di Pietro van af. Dus wij zaten in Italië met de paradoxale situatie dat ná de val van de Muur alleen de communistische partij nog over was. In dat gat is Berlusconi gesprongen. Maar het heeft in wezen betekend dat Italië nu al bijna twintig jaar niet meer wordt bestuurd.’
Want zeker, Feltri heeft ook kritiek op Berlusconi: ‘Berlusconi is fantastisch in emergenze. Een aardbeving in l’Aquila, vuilnisbergen op straat in Napels, het organiseren van een G8: dat kun je rustig aan hem overlaten. Maar als het gaat over de talloze echte problemen van Italië, dan heeft hij in vijftien jaar ook niet veel gedaan. Ik kan de hele rij opnoemen – hervorming van de belachelijke pensioenen, misbruik van gemeenschapsgelden, wanorganisatie in de gezondheidszorg, een rechterlijke macht die als een dolgedraaide tol om zichzelf draait, werkloosheid in het Zuiden – maar het heeft bijna geen zin. Als je vandaag in Italië een krant probeert te maken die “objectief” wil zijn, verlies je lezers, zie de Corriere della Sera. Er is een wedstrijd gaande waarin het draait om maar één naam: Silvio Berlusconi. Iedereen is geobsedeerd door hem. Het heeft geen enkele zin om je aan de kant van de scheidsrechter te scharen, want daar is niemand in geïnteresseerd. En bovendien: we hébben geen scheidsrechter.’
Er valt mee te leven, als je de welgehumeurde Vittorio Feltri tegenover je ziet zitten. Er verschijnt een grijns als hij mijn blik ziet afdwalen naar de angstaanjagende Duce-kop – zwart/brons geverfd, kaken agressief vooruit, tanden ontbloot – in de kast naast zijn bureau. ‘Heb ik gekregen van een hardcore Duce-fan. Ik houd van provocaties. Iedere bezoeker blijft erop hangen.’
Er hangt nog een schilderij boven zijn bureau. Een portret van een man, sober in het zwart, met een sombere uitdrukking en een snor. ‘Dat is’, zegt Feltri ineens bloedserieus, ‘mijn vader. Ik heb dit in 1989 gekocht op een rommelmarktje, voor tienduizend lire (ongeveer tien gulden – ab). Ik was benoemd tot hoofdredacteur van het weekblad l’Europeo en als welkomstgebaar ging de redactie twee maanden in staking. Toen ben ik aan mijn bureau gaan zitten en heb dit schilderijtje erboven gehangen. Net zo lang tot iemand op een dag vroeg: “Wie is dat eigenlijk?” “Mijn vader”, zei ik, “oprichter en hoofdredacteur van de Gazzetta di Bergamo. Hij zou ongelooflijk trots zijn geweest als hij had geweten dat ik op een dag hoofdredacteur was geworden van een belangrijk en onafhankelijk weekblad als l’Europeo.” Vanaf toen had de redactie vertrouwen in me.’
En was het echt waar?
Vittorio Feltri barst uit in een schaterlach: ‘Nee, natuurlijk niet!’