Ik, ik beken

In ‘bekentenisliteratuur’ zit altijd iets arrogants.

De schrijver stelt zichzelf in het centrum van het verhaal. Hij heeft een bijzonder leven en wil de lezer daarvan kond doen. Of zijn leven inderdaad bijzonder is, moet blijken. Meestal is het dat niet.

Gerard Reve was een meester in de bekentenisliteratuur.

Hij had dan ook iets te bekennen waarvan het drama niet zozeer in het avontuurlijke van de gebeurtenissen school, als wel in de geprangdheid van zijn persoonlijkheid. Hij ervoer voortdurend conflicten, tegenstrijdigheden, problemen in zichzelf. Hij was homoseksueel, maar haatte ‘nichten’. Hij sloot zich aan bij het katholicisme, maar ‘eigenlijk geloof ik niets’. Zelfmoord lag altijd bij hem op de loer, hoewel hij besefte daar ook te laf voor te zijn.

En waarom wilde hij ‘bekennen’?

Hij gaf daar zelf het antwoord op: ‘Omdat ik verlossing wil.’ Hij stelde dat ‘verlossing’ ook het thema van zijn werk was.

Op een veiling waar brieven van Reve werden aangeboden, zag ik eens een A4’tje van hem waarop hij had geschreven: ‘Wanneer ik eindelijk voor U sta, beken ik alles.’

Ik ben zelf opgevoed met die bekentenisliteratuur. Als jonge auteurs wilden wij ook bekennen. Onze autobiografie zou onze literatuur worden. Maar wat maakten we mee? Eigenlijk waren wij keurige jongens. We trouwden snel, kregen kinderen, gaven les op school, schreven af en toe iets voor een blad; de burgerlijkheid droop als warme stroop van ons af, inclusief vreemdgaanderige verliefdheid en droevige scheidingen. Het was in de tijd van het Ik-tijdperk. Het individu werd zogenaamd belangrijk. En werd politiek ook belangrijker. De instituties werden ruïnes.

Het was de tijd dat de Berlijnse Muur viel en Fukuyama sprak over het einde van de geschiedenis; neerlandici smeekten om ‘straatrumoer’. Een Nederlandse literaire held werd de auteur zelf tegen de achtergrond van een krakersrel, of hij was het slachtoffer van al of niet verzonnen incest geworden. Ik – eigenwijs – vroeg eens aan de dichter en criticus Gerrit Komrij wat hij vond van het straatrumoer in de literatuur.

Onze autobiografie zou onze literatuur worden. Maar wat maakten we mee?

Gerrit antwoordde, wijzend op zijn vriend: ‘Ach Theodor, ik zal je verklappen dat Charles en ik de ramen en deuren hebben gesloten.’

Hij vond het maar een onzin-vraag. Het ging toch alleen maar om stijl. Ik gaf hem gelijk. Maanden na dit gesprek verliet hij Amsterdam en ging in Portugal wonen.

Maar het straatrumoer, echt straatrumoer van wereldallure, drong zich aan mij op en kwam zo in mijn autobiografie terecht.

Mijn beste vriend werd om politiek-religieuze redenen vermoord.

Nooit miste ik mijn ouders meer dan toen. Die moord was mijn ‘Tweede Wereldoorlog’. Die oorlog liep als een grote breuklijn door hun leven. Voor mij was er nu ook een tijd ‘voor’ en ‘na’. En uiteraard schreef ik erover – ik kon niet anders. En uiteraard werd ik voor lijkenpikker uitgemaakt. (‘Was een grapje toch?’ zei onlangs iemand die ik dat eens had horen zeggen.)

Mijn ouders vonden het leven na de Wereldoorlog ingewikkeld.

Ze waren blij met de kinderen, maar hoe moesten ze nog iets van hun leven maken? Een carrière in Indië was onmogelijk geworden, en ze waren verder voor alles te laat. Die vijf jaar Japanse gevangenschap hadden ze natuurlijk ook erg gevonden maar dat het in Amsterdam in 1946 nog eigenlijk 1939 was, isoleerde ze. In 1939 was Indië namelijk moderner dan Nederland. Aanpassen aan iets wat ‘minder’ was, werd plicht en noodzaak. Dat betekende dat je constant het besef mislukt te zijn moest onderdrukken. De kinderen moesten alles goedmaken. Maar wat in de herfst begint, heeft geen lente meegemaakt; de bomen werden steeds kaler.

Ik snapte ze: als wij goed terecht zouden komen, was dat voor de buitenwereld hun verdienste.

Ik mislukte in hun ogen.
Verlossing blijkt onmogelijk.
Een leven kun je soms beter verzinnen dan meemaken.