De grenzeloze generatie

Ik? Individualistisch?

De jeugd van tegenwoordig dreigt een ‘sociale tijdbom’ te worden, schreven de Motivaction-onderzoekers Frits Spangenberg en Martijn Lampert eind vorig jaar. Marijke de Vries, zelf jeugd van tegenwoordig, herkent zich hier niet in en ging eens polsen bij oud-klasgenoten.

ALS JE MARIEKE (22) op de basisschool vroeg wat ze later wilde worden, antwoordde ze steevast ‘moeder!’. Nu moet ze daar nog niet aan denken. 'Als ik die meisjes van onze leeftijd zie, ze kunnen niks door dat kind en zijn er echt niet altijd blij mee.’ Marieke was een moeilijke puber. Na de basisschool ging ze naar het vmbo, maar na een jaar werd ze overgeplaatst naar het speciaal onderwijs. 'Ik had meer oog voor jongens - ik vond ze allemaal leuk - dan voor school’, zegt ze met een veelbetekenende lach.
Uiteindelijk haalde ze het diploma van de kappersschool en afgelopen jaar sloot ze de opleiding zorg en welzijn af. Het werk in de zorg bevalt haar beter dan in de kapsalon. 'Ik ben niet zo'n tuttig meisje, mijn hobby’s zijn autocrossen, geheime zenders luisteren en in de kroeg zitten.’ Ze vindt het belangrijk dat ze zichzelf kan onderhouden, ze ziet steeds meer vrienden en kennissen in de problemen komen. 'Door de crisis verliezen ze hun baan en komen dan in de schulden terecht.’ Je moet wel aan jezelf denken in zulke situaties, vindt ze. 'Als je niet vecht voor jezelf, dan kom je er in deze wereld niet.’
Volgens de Motivaction-onderzoekers Frits Spangenberg en Martijn Lampert denken te veel jongeren zo. Eind vorig jaar schreven zij in hun jubileumboek De grenzeloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeders dat de jeugd van tegenwoordig een 'sociale tijdbom’ onder de samenleving dreigt te worden. De jeugd is opgevoed volgens een 'alles kan, alles mag’-principe en is daardoor narcistisch geworden.
Ik, geboren in 1987, behoor ook tot deze 'grenzeloze generatie’. Jongeren tussen de 15 en 23 jaar oud zouden 'overwegend individualistisch, hedonistisch en materialistisch’ zijn. Dat is voornamelijk de schuld van onze ouders, want die willen beste vrienden met ons zijn en daarnaast eeuwig jong blijven. Wij vinden dat allemaal wel best, als wij het zelf maar 'leuk’ hebben. De maatschappij, die boeit ons niet zo. Tenminste, als je de auteurs mag geloven.
Mijn nekharen gingen recht overeind staan van deze 'diagnose’. Natuurlijk, geklaag over de jeugd is van alle tijden en de laatste twintig jaar wordt om de haverklap een nieuw modewoord uitgevonden om de jeugd te typeren. Sprak men in de jaren negentig over de 'patatgeneratie’ of de 'generatie Niks’, tegenwoordig zijn we de 'Generatie Y’, de 'achterbankgeneratie’, de 'generatie Einstein’ of de mediageneratie. Het ene moment zijn we verwende prinsjes, dan weer sociaal en zelfredzaam, en nu dan grenzeloos.
Stoor je er dan niet aan, zou je denken. Maar het beeld van de 'grenzeloze generatie’ is de laatste tijd alomtegenwoordig en ik begon mij af te vragen: heb ik oogkleppen op? Staat mijn generatie er werkelijk zo beroerd voor? Misschien ben ik niet helemaal het soort jongere waar het Motivaction-onderzoek zich op richt. Ik hoor bij dat 'leeuwendeel’ waarmee het 'overwegend goed’ gaat: hoogopgeleid, links-liberaal, student en misschien een tikkeltje elitair.

VOOR DE GROENE AMSTERDAMMER zocht ik daarom mijn voormalige klasgenoten van de basisschool op. Met acht van hen - destijds een dwarsdoorsnee - sprak ik over de samenleving van nu, over onze generatie en over de toekomst. Leidraad in de gesprekken waren de resultaten van het Motivaction-onderzoek. Ontwaren mijn voormalige klasgenoten dezelfde ontwikkelingen en gevaren in de samenleving? En hoe waarderen zíj die?
Van 1991 tot 1999 bezochten mijn klasgenoten en ik De Bron, een christelijke basisschool in Nieuw-Amsterdam, een voormalige veenkolonie in Zuidoost-Drenthe. Het dorp, dat tegenwoordig 4500 inwoners telt, werd rond 1860 gesticht door twee rijke Amsterdamse beleggers. De bewoners van het gebied waren overwegend arm en werkten vrijwel allemaal in en rond het veen, bijvoorbeeld als turfsteker of als arbeider in de turfstrooiselfabrieken. Tegenwoordig leeft 47 procent van de huishoudens in Nieuw-Amsterdam van een laag inkomen (landelijk is dat veertig procent), het gemiddeld besteedbaar jaarinkomen ligt ver onder het gemiddelde, op 15.800 euro (landelijk 18.600).
De Bron was een doorsnee basisschool, met iets meer dan tweehonderd leerlingen verdeeld over acht klassen. In de meeste gezinnen was de vader kostwinner en de moeder huisvrouw. De meeste ouders waren kleine ondernemers of in loondienst - bakker, winkelier of zoals mijn vader: autoverkoper -, de uitzonderingen waren tandarts, juf of accountant.
Wij waren geen modelklas. Integendeel, er was altijd heibel en men sprak over ons als 'probleemklas’. Een fenomeen dat zich eens in de zoveel jaren voordeed, volgens kenners. Zo was er een zelfbenoemd 'Spice Girls’-groepje dat permanent overhoop lag. Ook de twee 'pestkoppen’ - zittenblijvers, dus een jaar ouder - zaten ofwel een ander kind of de meester te jennen. Maar ook samen maakten we het bont. In groep zes pestten we een pabo-stagiaire weg die een paar dagen per week voor de klas stond. We vonden onze eigen meester beter en leuker. Geen wonder dat die kinderen zijn uitgegroeid tot een grenzeloze generatie, zou je bijna denken.
De meeste van mijn twintig klasgenootjes zag ik ruim tien jaar geleden voor het laatst, van een aantal wist ik dat ze net als ik waren gaan studeren. De rest vond ik grotendeels terug via Hyves, Facebook en het telefoonboek. De score zoals ik die heb kunnen achterhalen: vier studeren aan de universiteit, acht zijn (een aantal door te stapelen) op het hbo terechtgekomen en vijf deden er een mbo-opleiding. Van twee klasgenoten kon ik niet achterhalen wat zij zijn gaan doen. Zij ontbreken helaas in mijn beeld, net als de twee klasgenotes die inmiddels samenwonen en kinderen hebben (en voorzover mij bekend alleen hun vmbo hebben afgemaakt), zij reageerden niet op mijn uitnodiging. Ik was er graag achter gekomen hoe zij terugkijken, en vooral hoe zij de toekomst - en die van hun kinderen - zien. De klasgenoten die ik sprak werken (2), studeren (5), of doen beide (1). Grofweg is er een scheiding te trekken tussen enerzijds de hbo'ers en studenten en anderzijds de mbo'ers en werkenden: de eerste groep woont verspreid over het land (van Groningen tot Amsterdam), de tweede groep woont nog thuis of op zichzelf in Nieuw-Amsterdam.

VEEL JONGEREN zijn nauwelijks geïnteresseerd in politiek en in de rest van de wereld, volgens Motivaction. Jongeren voelen zich steeds vaker 'buitenstaanders’ en hebben geen idealen meer. Een zorgelijke ontwikkeling volgens de onderzoekers: het aantal 'verantwoordelijke burgers’ - maatschappelijk betrokken, met uitdagend werk en intellectuele en kritische bagage - neemt sterk af.
Veel van mijn oud-klasgenoten maken er inderdaad geen geheim van dat ze geen verstand (willen) hebben van politiek. De helft stemt niet eens. Marieke vat hun gedachten adequaat samen: 'Ik heb er helemaal niks mee en ik snap er ook niets van, waarom zou ik dan gaan stemmen? Kijk, als er wordt gezegd dat de AOW naar 67 gaat, dan denk ik: hoe moet dat dan? Ik werk in de zorg. Veel van mijn cliënten zijn jonger dan 67. Hoe moet ik straks als 67-jarige nou een 63-jarige onder de douche zetten?’ Echt druk kan ze zich er evenwel niet om maken: 'Er kan tegen die tijd alweer zoveel veranderd zijn. Op het moment dat het belangrijk wordt om me daar druk over te maken, hoor ik het wel van mijn moeder. Die heeft er meer verstand van.’
Ook Haiko (22) en Jens (23) laten 'de politiek liever over aan mensen die er verstand van hebben’. De een deed mbo-metaal en werkt op een hijskraan, de ander is zijn opleiding hbo-werktuigbouwkunde aan het afronden. Ze zijn sinds de basisschool bevriend en wonen allebei nog thuis, Haiko in Nieuw-Amsterdam en Jens op een boerderij in het gehucht Ermerveen. Jens is 'niet zo'n fan van Nederland’: 'Al dat papierwerk en al die ambtenaren, het moet altijd moeilijk en duur.’ Dan iets genuanceerder: 'Ach, ze zullen ook wel ergens goed voor zijn, die politici, maar ik volg het niet, hoor.’ Daarna in koor: 'Stemmen? Nooit!’ Op de hoogte zijn van wat er in de wereld gebeurt is iets 'voor als je dertig of veertig bent’. 'Dan moet je dat weten, nu heb ik wel wat beters te doen’, zegt Haiko overtuigd.
Volgens onderzoekers Lampert en Spangenberg is de jeugd van tegenwoordig te veel op zichzelf gericht. De meeste van mijn oud-klasgenoten leggen hun prioriteiten inderdaad bij het eigen geluk en hun eigen gezin. Nina (wil niet met haar echte naam in de krant) is bijna klaar met haar hbo-opleiding personeel en arbeid en woont samen met haar vriend in de buurt van Zwolle. 'Ik ben best wel huisje-boompje-beestje. Wat er in de politiek gebeurt volg ik niet zo. Ik ga wel stemmen, maar hou me er verder niet zo mee bezig. Ik zie wel hoe de dingen lopen. Ik wil zeker aan het werk straks, maar ik hoef niet per se een topfunctie. Werk is in de eerste plaats om geld te verdienen en omdat het leuk is.’
Dat betekent niet dat ze niet begaan is met haar omgeving: 'Als ik de mogelijkheden heb, zou ik in de toekomst wel wat vrijwilligerswerk gaan doen. In de zorg, of zo. Al is het maar met het oog op de toekomst. Als ik straks oud ben, hoop ik ook dat er mensen zijn om mij te helpen. Dat kan alleen maar door nu zelf het goede voorbeeld te geven.’

WAAR DE Motivaction-onderzoekers politieke en maatschappelijke desinteresse met elkaar verbinden in hun conclusies over de jeugd lijken mijn klasgenoten (zij het onbewust) juist een onderscheid te maken tussen de politiek en de maatschappij. Zij leggen hun prioriteiten bij zichzelf, maar vinden het ook belangrijk iets te doen voor de (directe) omgeving. Ze zijn betrokken bij de buurtvereniging, in de zorg of bij de jeugd. Dat het beleid van die instanties veelal afhankelijk is van politieke beslissingen weten ze wel, maar is een 'ver van mijn bed-show’, aldus Simone (22).
Simone is derdejaarsstudente pedagogiek aan Hogeschool Windesheim in Zwolle. Ze haalde haar vmbo-diploma, rondde in drie jaar de mbo-opleiding sociaal pedagogisch werk/jeugdhulpverlening af en haalde tegelijkertijd havo-vakken. Vervolgens ging ze twee jaar naar de pabo en kon toen instromen in het tweede jaar pedagogiek. Ze wil met kinderen met gedragsproblemen gaan werken en loopt momenteel stage bij een justitiële jeugdinrichting. Ze vindt het belangrijk 'dat die jongens goed terechtkomen’. 'Je bent als jongere afhankelijk van de opvoeding die je van je ouders krijgt en het milieu waarin je opgroeit. Als ouders niet weten wat regels zijn, leren hun kinderen dat ook niet.’ Geen wonder dat het dan uit de hand loopt, al is ze zich ervan bewust dat ze maar een klein percentage van de jeugd van dichtbij ziet: diegenen die over de schreef gaan. 'Jongens van twaalf jaar die straatroven plegen, dat gebeurt echt. Soms moet ik tegen mezelf zeggen dat dat niet de normale gang van zaken is. Elke generatie kent probleemgezinnen en tegenwoordig hebben we goede vangnetten. Ik zie het als mijn taak als jeugdhulpverlener dat zo'n jongen uiteindelijk beseft dat het anders moet. Uiteindelijk zullen de meesten er overheen groeien.’
Toch ervaart ze ook dat de jeugd in het algemeen meer op zichzelf gericht is, 'vooral de generatie na ons. Er mag meer, er kan meer, ze worden vrijer gelaten.’ Ook de anderen signaleren het verlies aan waarden en regels in de samenleving, zoals die door de Motivaction-onderzoekers zo prominent naar voren worden gebracht. Mobiel bellen in de supermarkt en ondertussen betalen, een jongen met een mp3-speler in zijn oren terwijl hij met zijn ouders uit eten is of mensen die zonder te groeten plaatsnemen in de trein en de andere kant op kijken; de voorbeelden zijn talrijk.

OVER HUN EIGEN opvoeding en gedrag zijn mijn klasgenoten daarentegen allemaal erg tevreden. 'Mijn ouders gaven wel grenzen aan’, zeggen ze stuk voor stuk. En ongeacht hun opleiding of sociaal-economische situatie vinden ze dat ze goed terecht zijn gekomen. Ze kijken daarentegen met zorg naar de volgende generatie. 'Kleine kinderen worden steeds brutaler’, zeggen Haiko en Jens als ze buiten een paar buurkinderen horen gillen. Haiko: 'Wij moesten ons vroeger gewoon gedragen tegenover volwassenen. Maar nu, ze zijn vijf jaar en zetten een grote mond op. Hoor je vervolgens die ouders sussen: niet doen, niet doen. Dat is toch veel te zacht!’
Mijn eigen generatie blijkt zich evenzeer als oudere generaties te verbazen over 'de jeugd van tegenwoordig’ en de opvoeding die zij krijgen. Simone: 'De generatie na ons is roekelozer, ze zien minder gevaren in en kunnen de gevolgen van hun handelen vaak niet goed inschatten.’ Ook Kirsten (22), momenteel aan het afstuderen in sociaal-pedagogische hulpverlening, denkt dat: 'Zij gaan het moeilijker krijgen, omdat ze minder goed voorbereid zijn op de maatschappij. Doordat zij veel meer mogen, hebben ze niet geleerd zich aan te passen aan wat de maatschappij van hen vraagt.’ De 'grenzeloze generatie’ ziet een gebrek aan regels bij de (aller)jongsten, maar vindt haar eigen gedrag vanzelfsprekend. Ze roept net zo stellig als de rest van het land: 'Met mij gaat het goed, met ons gaat het slecht.’
Toch is Kirsten ook optimistisch over de toekomst: 'Ik denk dat we ons inmiddels bewust zijn van het gebrek aan grenzen waarmee deze generatie opgroeit. Dat probleem, dat ik ook op mijn stages terugzag, wordt nu erkend en er worden weer regels opgesteld.’ Bovendien: 'Er zijn ook heel veel jongeren met wie het goed gaat. Wij hebben het best goed voor elkaar, de wereld ligt voor ons open.’
Dat onze generatie geen idealen meer heeft, wijst ze resoluut van de hand. Er speelt volgens haar iets anders mee: 'Wij hebben geen zware crisis meegemaakt. Ik denk dat we daarom minder grote idealen hebben. We zijn verwend, maar we zijn ons best bewust van hoe goed wij het hebben.’ Simone voert nog een andere interessante verklaring aan: 'Wij zijn realistischer. Volgens mij wordt het gewoon niet heel veel beter. Ik weet niet of je een optimist of een pessimist bent wanneer je denkt dat het beter kan of moet.’

SAMIRAH (23) STAPELDE haar opleidingen; via het vmbo en de sprinthavo haalde ze haar hbo-propedeuse voeding en diëtiek om te kunnen beginnen aan een studie geneeskunde. Helaas werd ze al twee keer uitgeloot. Ze ging niet bij de pakken neerzitten en besloot haar hbo-opleiding af te maken. 'Ik kan hierna eventueel nog een master doen, ik wil in ieder geval de medische kant op.’
Samirah werd als baby geadopteerd uit Sri Lanka. Lange tijd waren zij en haar Braziliaanse broertje de enige donkere kinderen op school. Ze is blij dat ze niet is 'blijven hangen’ in Nieuw-Amsterdam: 'Dan heb je gewoon een heel ander leven.’ Dat ouders veel invloed hebben op dergelijke beslissingen staat voor haar als een paal boven water: 'Praktisch alle klasgenoten die zijn weggegaan hadden hoogopgeleide ouders of ouders die hun kinderen heel bewust stimuleerden om te zorgen dat zij het beter zouden krijgen dan zijzelf.’
Ook zij vindt het belangrijk haar steentje bij te dragen aan de samenleving. Toen ze nog thuis woonde deed ze een tijdje vrijwilligerswerk: in een verzorgingstehuis voor alzheimerpatiënten hielp ze met het ontbijt. 'Daar was geen personeel voor en dus werd het een zooitje, die mensen deden van alles tegelijk op hun brood. Of ze aten elkaars medicijnen op, wanneer je even niet oplette.’
'Natuurlijk’ maakt ze zich wel eens zorgen over wat er gebeurt in de samenleving. 'Soms heb ik weinig vertrouwen in mensen. Ze lopen maar achter Jan en alleman aan - ouderen nog meer dan jongeren. Zeker in deze crisis worden mensen in een negatieve spiraal geduwd. De regering heeft niet alle antwoorden klaar en daar wordt ze op gepakt. Mensen roepen soms maar wat over politici, terwijl ze er geen verstand van hebben en niet eens stemmen. Ik vind: als je niet meedoet, moet je ook niet oordelen. Maar wij zijn heel makkelijk met de schuld aan anderen geven.’
Toch is ze optimistisch. 'Er zijn altijd verschillen geweest in opvoeding en wat ouders aan hun kinderen doorgaven. Er zijn nu wel meer triggers van buitenaf - media-aandacht, communicatiemiddelen, technologische mogelijkheden - die sterke reacties bij mensen oproepen, denk ik. Niettemin leren wij van wat we om ons heen zien gebeuren en zullen dat meenemen in de opvoeding van onze toekomstige kinderen.’ Dus over tien jaar? 'Dan gaat het wel weer goed, het trekt allemaal wel weer bij.’
Dat beaamt Haiko: 'Misschien zijn ouderen gewoon bang dat we wat zij hebben opgebouwd gaan verpesten. Natuurlijk maken we misschien eens een foutje, maar daar leren we echt wel van.’


Het onderzoek
Op 1 december 2009 presenteerde onderzoeksbureau Motivaction (opgericht in 1984) zijn jubileumboek De grenzeloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeders. Daarin presenteren onderzoekers Frits Spangenberg en Martijn Lampert hun onderzoek naar de jeugd van tegenwoordig. Motivaction doet sinds 1997 onderzoek naar de mentaliteit van de jeugd, waarbij het bureau zich niet primair concentreert op socio-demografische kenmerken, maar op haar waardenbeleving en de motieven van haar handelen.
Op de ‘verontrustende’ conclusies uit dit onderzoek over de jeugd is ook kritiek. De onderzoekers spreken zich uit over drie generaties en hun ontwikkelingen, terwijl hun oudste gegevens dateren uit opinieonderzoeken van 1998-1999. ‘Dat is niet zo sterk’, vindt dr. Will Tiemeijer, gepromoveerd op opinieonderzoeken en tegenwoordig werkzaam als onderzoeker bij de WRR. ‘Veel wetenschappers zouden op basis van slechts twee metingen over zo’n relatief korte periode voorzichtiger zijn. De auteurs trekken een erg grote broek aan. Het cijfermateriaal dat ze aanhalen is bovendien niet zo spectaculair. Ze schrijven: “Wij signaleren geheel nieuwe verschijnselen, zonder parallellen in de onderzoeksgeschiedenis.” Maar als je naar de cijfers kijkt, gaat het bijvoorbeeld om een significante afname onder jongeren van 71 naar 63 procent bij de stelling “het gezamenlijk herdenken van een bepaalde gebeurtenis geeft mij een gevoel van verbondenheid”. Nu is het in opinieonderzoeken gebruikelijk om significante verschillen te melden, maar over de praktische betekenis kan in dit geval worden gespeculeerd. Getuigt een afname van 71 naar 63 procent in dit geval van een grote maatschappelijke verandering? Ik vind dat wat overdreven.’
Volgens Motivaction verandert de jeugd onder invloed van haar opvoeders en verschilt zij als generatie sterker dan voorgaande generaties van elkaar. ‘Maar als je beter kijkt, zie je dat niet alleen de mening van jongeren significant afwijkt ten opzichte van tien jaar geleden, maar dat bij nogal wat vragen dat ook voor de oudere generaties geldt’, stelt Tiemeijer. Voor het aangehaalde voorbeeld geldt voor de generatie van 24 tot 39 jaar dat het percentage van 73 naar 65 daalde, voor de generatie van boven de 40 ging het van 82 naar 75.
‘Bovendien zijn de resultaten bij veel uitspraken ook gelijk gebleven’, signaleert Tiemeijer. Dat geldt bijvoorbeeld voor ‘ik besteed veel tijd aan het onderhouden van mijn vriendschappen’ en ‘voor de spanning doe ik soms dingen die tegen de regels zijn’.
Daarnaast valt op dat de auteurs zich met name op uitersten concentreren. Volgens de onderzoekers gaat het met ‘het leeuwendeel’ – ruim tachtig procent – van de jongeren goed, net als in de jaren tachtig en negentig het geval was. Tegelijkertijd spreken zij van comazuipende jongeren, vandalisme en schooluitval, alsof het schering en inslag is, en larderen hun onderzoeksresultaten met tendentieuze en contextloze quotes uit wat later veelal genuanceerde getuigeninterviews blijken.
De auteurs bestempelen huidige maatschappelijke tendensen als negatief en willen tegen ‘de schaduwkanten van onze cultuur’ in het geweer komen. Veel maatschappelijk onderzoek is normatief van aard, maar hoe je de veranderingen in de samenleving beoordeelt en ermee omgaat is niet alleen een wetenschappelijke, maar misschien ook een politieke vraag.