ALBERTINA SOEPBOER, DE TREKTOCHT

Ik is niet meer dan een rugzak

Albertina Soepboer, de trektocht, € 21,95

het licht speelt zich ’s ochtends af als zoiets
tussen ons waar we menselijk niet inpassen
het is woest onhandige taal, schudt ons dan
leeg in een beslagkom van de oude woorden

die wijzen spraken en weer beeft deze hemel
als de duistere aarde onder mijn benen, niets
van wat ik kan zeggen, zeg ik niet vanwege
deze menselijke maat en het licht dat speelt

dat je in mij leeggestroomd bent als het pure
toeval ontdek ik pas later: als het laken vol
raakt van eenzaamheid en nachtelijke vogels

en het iets is van wegen, duiken naar boven
komen als witte parels van laad zaad: hemel
het omgekeerd gespelde, het zonder zekere
De scholekster is een opvallende verschijning. Van boven is hij zwart, van onderen wit, zijn poten en ogen zijn rood, zijn snavel is fel oranje. Het is of hij de strijd tussen dag en nacht, tussen licht en duister belichaamt, waartegen het rood en het oranje afsteken als signalen van vurige levensdrift. Zijn stelten maken hem tot een behendig loper, maar vliegend kan hij enorme afstanden afleggen. Hoewel hij tot ver in het binnenland wordt aangetroffen, vertoeft hij het liefst aan de kust. Zijn biotoop is de drempel tussen aarde, zee en hemel. Noordelijke scholeksters trekken in de winter naar het Zuiden, vogels uit gematigder streken kunnen ervoor kiezen het gehele jaar te blijven waar zij zich thuis voelen.
In De trektocht van Albertina Soepboer (1969) woont een scholekster: ‘samen met de zee heb ik mijn hele leven heimwee/ naar de zwijgzaamheid en het zeggen van de scholekster’. In het Fries - de bundel is gedeeltelijk tweetalig - heet de scholekster 'strânljip’: strandkievit. Zowel in het Nederlands als in het Fries lijkt de vogel een problematische identiteit te hebben, alsof hij niet kan kiezen waar hij thuishoort. Ofschoon de scholekster alleen in de laatste afdeling genoemd wordt, staat de hele bundel in het teken van de trekvogel, die permanent op weg is. De eerste helft van het boek heet 'Pleisterplaatsen’, de tweede helft 'Het nest’, maar de geborgenheid die in dat laatste woord besloten ligt, zou wel eens van voorlopige aard kunnen zijn. De bundel eindigt met een vertrek: 'de vogel/ vliegt snavelvol - aarde daaronder - verder’.
De poëzie van Soepboer wordt niet gekenmerkt door krachtige regels, apodictische uitspraken of hechte structuren op het niveau van het individuele gedicht. Weliswaar maakt de dichter effectief gebruik van regelafbrekingen, witregels, woordherhalingen en subtiele binnenrijmen, maar de voornaamste indruk die deze 68 sonnetten maken is er een van openheid, van een doorlopende vloeiende beweging. Elk afzonderlijk blijven de gedichten ongrijpbaar, maar binnen het geheel van de bundel maken ze deel uit van een fascinerend reisverhaal, dat de grenzen tussen aarde, water, vuur en lucht verkent. 'De vogelvrouw’, het gedicht dat de bundel opent, is programmatisch:
zo moet het verhaal gaan: op een dag zien we elkaar
jarenlang waren we onderweg, de inkt woonde
onder de basaltstenen, ze hipte erover heen of
moet ik schrijven dat ze klauterde, geen vorm had

De trektocht lijkt in Harlingen aan te vangen, maar in de loop van het relaas worden ook Rome, Indonesië, Scandinavië en een Waddeneiland aangedaan. In de eerste helft van de bundel is de spreker, van wie soms in het midden blijft of zij een vrouw of een vogel is, rusteloos op zoek: 'ik/ is niet meer dan een rugzak’. In de tweede helft slaan liefde en huiselijkheid toe: 'houd mij toch zo vast, precies zoals je het nu hier/ doet - ik ben de gevlekte van al die dingen opnieuw/ van de oeroude rituelen - dit is alleen maar weten’. De jij is hier een geliefde, maar ook de lezer.
De meest ingrijpende grenservaring die in De trektocht opgeroepen wordt, betreft geen reis, maar de geboorte van een zoon. Nooit eerder las ik een indringender verslag van een bevalling dan in 'Op de rand’. ’[H]et is de aarde - zonder een voorbehoud’, zegt Soepboer, om even later te vervolgen:

je kunt beter zwijgen als je tijd gekomen is - en ik buig

neer in mijn eigen lichaam, zoekend, zwetend - nee
er is geen uitweg - het schudt mij los en het valt
ondergronds - hoeveel nagels heb je dan nog over
en is je stem - de hese stilte - hoe duurt dit
Pas later, 'als de klok weer telt’, begint de vrouw zich rekenschap te geven van datgene waaraan zij zich heeft overgegeven. De 'vergeten hoeken/ schieten te binnen’, de 'redelijkheid// in wat het niets lijkt’. In het volgende gedicht 'woelt een klein voetje zich uit de wieg/ tekent nieuws in de lucht’. De wereld, weet de moeder, 'is een oude plek’, maar 'alle bestemming is onbekend’. Die vaststelling is geruststellend en verontrustend tegelijk, maar wat overheerst, is de nieuwsgierigheid naar de ongewisse toekomst.
Toch bevat de bundel enkele verwijzingen naar vrouwen die over een speciaal soort kennis beschikken, zoals Romeinse priesters die uit de vlucht van vogels de wil van de goden trachten af te leiden. Ik heb, zegt een vrouw in de afdeling 'Sybille’ (dat had 'Sibylle’ moeten zijn), 'de vogels al/ gezien boven de dunne zee, ik heb het van stof op de wind/ al gehoord en begrepen’. In feite berust deze helderziendheid op het vermogen de kringloop van de seizoenen niet alleen te doorgronden, maar ook te aanvaarden.
Cirkels vormen in dit boek een prominent leidmotief, en in zekere zin eindigt de bundel waar hij begonnen is.
Intussen is deze poëzie zich terdege bewust van haar eigen ontoereikendheid: 'er is de taal/ die de dingen gebroken maakt, en zijn de holtes/ die overeind blijven staan’.
Soepboer wrikt 'de woorden uit hun voegen’ en poogt 'niets meer te zeggen dan noodzakelijk is’.
Het indrukwekkende resultaat is een epische golfslag van heimwee, verlangen, thuiskomst en vertrek.

ALBERTINA SOEPBOER
DE TREKTOCHT
Contact, 144 blz., € 21,95
De nachtvlucht