De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

De koloniale leeslijst

‘Ik’ is verdeeld

In het oeuvre van Marion Bloem speelt ‘het Indische’ een grote rol. Geen gewoon Indisch meisje, haar debuut over de gespleten Sonja/Zon, was een eclatant succes.

‘Geen gewoon Indisch meisje’ van Marion Bloem blijft boeiend © Michael Kooren / ANP

Marion Bloem maakte met Geen gewoon Indisch meisje uit 1983 deel uit van een opkomend golfje van auteurs uit de tweede generatie van Indische Nederlanders. Hun ouders werden bedreigd als Indo’s, of hadden als knil-militairen gediend, dwangarbeid verricht onder Japanse bezetting dan wel in Japanse interneringskampen gezeten. Naast Bloem debuteerde in 1983 ook Jill Stolk en een jaar later Adriaan van Dis.

In Stolks debuut, Scherven van smaragd, is een boos en bitter Indo-meisje aan het woord. Zij wil een verhaal schrijven onder de titel ‘Ex-krijgsgevangene vermoord door na-oorlogse dochter’. Het verhaal gaat over haar vader die angstaanjagende driftaanvallen heeft die hij uitleeft op zijn kind. Haar beklemming uit zich in nachtmerries en moordfantasieën, en dat hij op een dag ‘alles’ eruit zou gooien, ‘vanaf dat ogenblik een betrouwbare huisgenoot zou worden, net als mijn moeder, die zong en zich nergens druk over maakte. Zeker, ik zou goed luisteren en onmiddellijk alles vergeven en vergeten. Net als mijn moeder had ik aanleg voor een schone lei.’

Maar zover komt het nooit. Jill groeit op met deze meppende vader, omringd door een onveilige buitenwereld. Zij wordt gekozen voor de rol van ‘Moriaantje’ terwijl haar klasgenoten in een kring om haar heen het lied ‘Moriaantje zo zwart als roet’ moeten zingen. Stolks verteltrant is laconiek, doordrenkt van het cynisme waarmee Jill zich wapent tegen wat haar overkomt. Dat blijkt effectief, want ze blijft in zichzelf geloven. Innerlijk blijft ze heel, ondanks alles.

Datzelfde is het geval in Nathan Sid, het debuut van Adriaan van Dis. Vanuit de belevingswereld van een klein wit jongetje wordt een jeugd getekend in een repatriantenhuis in Bergen aan Zee, waar vier uit Nederlands-Indië gemigreerde families bij elkaar wonen. Alles is daar Indisch, de meubels en de spullen, de etensgeuren en de taal. Het sensitieve kind zuigt alles met open zinnen op. Nathan Sid is met afstand het meest zintuiglijke boek dat ik ken: Van Dis dompelt je onder in het bewustzijn van een kind, dat de wereld vooral begrijpt door hem te proeven, te voelen, te ruiken, te horen en te zien. Nathans vader heeft losse handen en is streng. Hij heeft aan de Sumatraspoorweg gewerkt en is met een slecht hart en een mager pensioen naar een voor hem vreemd land gestuurd, waar hij zijn ontreddering bedwingt door zijn enige zoon op de huid te zitten en veelvuldig Indisch te koken. Nathans moeder en zijn drie bruine zussen (van de eerste man van zijn moeder) kunnen hem niet uitleggen hoe hij van een bang en ziekelijk kind, dat altijd verbrandt in de zon, een stoere jongen moet worden. Nathans pogingen om even mannelijk te worden als zijn grote neven zijn roerend, evenals zijn langzame ontdekking van zijn ingewikkelde familiegeschiedenis. Hij luistert naar de jappenkampverhalen en de Maleise liedjes die zijn zussen meerstemmig zingen, maar is dan meer in de ban van de mooie muziek dan van de tragedies die erin besloten liggen. Die tragische dimensie komt niet bij Nathan, maar wel bij de lezer terecht, het effect van een consequent volgehouden kindperspectief. (De invloed van Reve’s Werther Nieland is hier voelbaar). Maar ondanks de verscheurdheid van zijn vader raakt Nathan zelf niet verscheurd. Zijn vader komt niet los van zijn trauma en sterft een vroege dood, maar Nathan handhaaft zich, ontwikkelt zich en groeit op, door alles heen. Net als Jill Stolk blijft ook hij heel.

Dat is het cruciale verschil met Marion Bloems Geen gewoon Indisch meisje. De ik-persoon bestaat daar uit twee entiteiten: Sonja en Zon. Sonja past zich verbeten aan, Zon houdt vast aan een rebels anders-zijn.

‘Sonja leerde het woordenboek uit haar hoofd toen ze merkte dat anderen meer woorden kenden dan zij en de mijnen. Zon zag het als zelfverloochening. Zon noemde Sonja Petrus als zij bij de groenteboer 1 pond pisang en een handvol lombok – zo stond het in mijn moeders regelmatige handschrift op een stukje envelop geschreven – vertaalde in een halve kilo bananen en drie groene pepers en geloofde dat zij door deze kleine ingreep ons anders-zijn verbloemen kon.’

De strijd tussen twee culturen is er hier een op leven en dood. ‘Wat van haar is, is stervende’

‘Ik’ is een ander, ‘ik’ is verdeeld. Zo verdeeld dat ze uit schaamte dit boek niet eens kon schrijven: ‘IK. Ze had de schrijfster van dit boek kunnen zijn als ze zich niet altijd weer liet meeslepen door haar faalangst. IK is in elke Indische vrouw die, wel of niet geboren in het land van de wind- en watermolens, op zekere dag ontdekt dat zij de helft van haar achtergrond als cultuur ontkend heeft. Dat zij zich als vanzelfsprekend schaamde – schaamrood, dat niemand zag omdat haar huidskleur Javaans verhult, waar zij trots had kunnen zijn.’

De verhouding tussen de twee wordt telkens anders benoemd: als twee persoonlijkheden in hetzelfde lichaam, als twee kort na elkaar geboren zusjes, maar het verschil en de wrijving tussen de twee blijft een constante. Soms komt de verhouding in de buurt van die tussen Jekyll en Hyde, waarbij de een niet weet wat en wie de ander is. Dat stelt Bloem in staat om alle verschillende kanten van een tweedegeneratie-verscheurdheid te belichten, zowel de aanpassing als het verzet daartegen, de schok van de discriminatie door witte kinderen en volwassenen en de overlevingsmechanismen die Sonja/Zon daartegen ontwikkelen. Hun vroege seksualiteit wordt gestuurd door wrange aansporingen dat een Indisch meisje moet proberen een witte man aan de haak te slaan als ze ‘hogerop’ wil komen. Maar dat idee vertaalt zich ook naar een beschamend verinnerlijkt verbod: ‘Elke Indischjongen, laat staan elke volbloed Aziaat, was bij voorbaat als minnaar of echtgenoot uitgesloten, alsof het om incest ging.’ In Zons leven verschijnt de Hollandse jongen Eddie als geliefde, maar daarnaast speelt ook de magische aantrekkingskracht van Indische jongens die allemaal ‘Boy’ worden genoemd en de wanhopige passie voor de muzikant Geronimo, wiens schoonheid Zon de adem beneemt. In de club waar hij speelt desintegreert ze: in zijn wilde, fysieke, Indische, taalloze wereld wil zij verdwijnen.

Voor die tijd zijn er de verwarrende reizen terug naar Indonesië, in het gezelschap van de moeder die alle plaatsen van haar jeugd wil bezoeken en eerder in het gezelschap van Eddie. Hij geniet van de reis en amuseert zich, terwijl Indonesië voor Sonja/Zon een kakofonie van tegenstrijdigheid en vervreemding is. Zij en haar moeder hebben de opdracht een kris terug te brengen naar een stel neven, de zoons van haar gestorven Oom Nap die na de oorlog in Indië is gebleven. De zonen hebben geen interesse in de verroeste kris en lichten hun familieleden zelfs op. Zon reist verder met de kris om haar lichaam gebonden en uiteindelijk kost dit wapen haar het leven – een klassiek Indisch plot. Het boek eindigt met een gesprek met Sonja over het leven en de tragische zelfmoord van zusje Zon: ‘Ik denk dat het misschien ook wel veel beter is zo. Alleen de manier waarop is vreselijk. Voor mijn moeder is het een schande in de familie. Ze zal nooit willen weten dat Zon het zelf gedaan heeft. Ze wist ook niet dat Zon de kris weer mee hiernaartoe had genomen. Ze wil per se geloven dat een ander die kris hier gebracht heeft. Een ander die Zon het leven niet gunde.’

Maar die ‘ander’ was ook zijzelf. Alle comfortabele ideeën over zelfbeschikking en autonomie, die emancipatieprocessen vaak begeleiden, worden hier op losse schroeven gezet. De structuur van het boek is achronologisch en gefragmenteerd, maar dat heeft hier de functie om de gespletenheid van deze ‘ik’ in beeld te brengen. Er wordt ook vaak gesproken in halve of verkorte zinnen, op zijn Maleis. Hier schrijft iemand die tegenstrijdige krachten en ervaringen bij elkaar wil brengen. De ervaring van het vergeefs zoeken naar eenheid en samenhang mondt uit in Zons conclusie dat er geen Indische cultuur bestaat en dat ook haar eigen cultuur niet bestaat. Ze kent alle herinneringen en al het gemis van haar ouders, ze kent haar eigen oude dromen en fantasieën, maar ook die bestaan niet meer: ‘Wat van haar is, is stervende. Haar vader is dood. Geen broertjes. Geen zus. Haar moeder, omringd door relikwieën, grotendeels vals, zal oplossen in die van anderen. Zij kan niet voortzetten wat al gestorven is. Haar eigen soort moet ze zelf scheppen. Geen referentie, behalve de lucht om haar heen, die nog zwart is, maar met de zon licht wordt.’

De strijd tussen twee culturen is er hier een op leven en dood. Het zelfverlies wordt in dit boek veel sterker opgeroepen dan in de twee eerder genoemde debuten. Misschien is dat het geheim van het eclatante succes van Geen gewoon Indisch meisje, dat ontelbare herdrukken beleefde en tot op de dag van vandaag wordt gelezen.

Marion Bloem bouwde een indrukwekkend literair en autobiografisch oeuvre op, waarin ‘het Indische’ vaak terugkeert. Het recente sluitstuk daarvan is het vuistdikke Indo: Een persoonlijke geschiedenis over identiteit (2020), dat pakkend begint, met pregnant beschreven jeugdherinneringen, maar verzandt in speurtochten, uitweidingen, anekdotes en losse gedachten over het onderwerp ‘identiteit’. Dat een auteur dezelfde thema’s laat terugkomen in zijn of haar oeuvre is op zich geen probleem. Jill Stolk schreef na haar debuut weer over racistische stereotypen rond Indische meisjes in Onder de blauwe sarong (1986). Adriaan van Dis hernam zijn ingewikkelde familiegeschiedenis in Indische duinen (1994), waarin hij weer strijdt met die vader die zijn zoontje met een rugzak vol zand door de duinen sleept om hem te ‘harden’. Hij verbindt zich in die roman dieper met het leven van zijn moeder en zijn zusters, nu vanuit een volwassen perspectief. Hella Haasse hernam in Sleuteloog (2002) het thema van de vriendschap tussen een blanda- en een Indo-kind, dat eerder vorm kreeg in Oeroeg uit 1948. Dit terugkeren naar soortgelijke thema’s verhindert niet dat er elke keer een heel nieuw werk tevoorschijn komt met een eigen samenhang, een nieuwe dynamiek en een unieke literaire vormgeving. Bij Marion Bloem keerden de thema’s ook vaak terug, en soms leverde dat nieuwe, unieke werken op. Indo roept echter vooral heimwee op naar Geen gewoon Indisch meisje. Dat is en blijft een parel, nog altijd boeiend en relevant.

De koloniale leeslijst

Nu standbeelden sneuvelen en ons koloniale verleden opnieuw tegen het licht wordt gehouden, is het interessant om te kijken hoe dat koloniale bestaan eruitzag in de Nederlandse literatuur. Deze zomer herleest De Groene Amsterdammer schrijvers als Edgar Caïro, Frank Martinus Arion en Multatuli