INTERVIEW:  Merlijn Twaalfhoven

Ik kan alles aardig goed

Componist Merlijn Twaalfhoven (1976) studeerde altviool bij Esther Apituley en compositi bij Daan Manneke. Hij had beroepsstrijker kunnen worden, of een gewone componist. Maar hij werd meer dan dat.

Zijn eigen projectbureau La Vie Sur Terre is gevestigd in de chique Amsterdamse Teniersstraat, pal tegenover het majestueuze kantoor van de Joop van den Ende Foundation. Het is een wonderlijk vis-à-vis van eigentijdse ondernemingszin. Wat Van den Ende voor het musicalgenre heeft betekend en als mecenas nu voor de cultuur beoogt te zijn, is Merlijn Twaalfhoven voor het multimediale locatietheater dat hij de afgelopen jaren vleugels gaf met grootschalige projecten in binnen- en buitenland. Zijn doel: het ontwikkelen van voorstellingen die Een Zo Breed Mogelijk Publiek deelgenoot maken van «een totaalbeleving voor alle zintuigen». Hij trok er wijd en zijd veel aandacht mee. Zijn voorstelling Long Distance Call, in het kader van de zestigste verjaardag van de Verenigde Naties uitgevoerd door honderden jonge Turken en Cyprioten aan beide zijden van de demarcatielijn in de Cyprische hoofdstad Nicosia, schopte het in 2005 zelfs tot de Amerikaanse nieuwszender cnn. Dat zou hij als gewone componist nooit voor elkaar hebben gekregen, daarvan is Twaalfhoven overtuigd. De wereld van de hedendaagse muziek is een getto met een minimaal bereik en incestueuze trekken: «Goed, je krijgt een opdracht, je wordt een keer gespeeld. Dan komen de recensies waarin wordt uitgelegd op wie je wel en niet lijkt en bij welke clubs je hoort. Je muziek wordt vergelijkingsmateriaal, je wordt onmiddellijk in een hokje geplaatst. En daar blijf je. Dat is mijn ding niet.»

Liever steekt hij zijn licht op in de wereld van de populaire cultuur, waar de artiest zijn waar weet te verkopen. Een componist hoort waar hij vroeger ook was: midden in de samenleving. Waar hij boven alles echt gehoord wil worden. En hij schuwt geen middel om het voor elkaar te krijgen. Waar minder ondernemende beroepsgenoten geduldig wachten tot de subsidiekraan begint te druppelen, netwerkt Twaalfhoven ook internationaal de grote boze buitenwereld naar zich toe. Twaalfhovens medewerkers bij La Vie Sur Terre kunnen de weg in subsidieland inmiddels dromen, en de baas van het spul beschikt over een bovengemiddeld gevoel voor publiciteit.

Is hij nog componist? Natuurlijk. Hij heeft wel degelijk reguliere composities op zijn naam staan. Hij kreeg er zelfs prijzen voor. Hij is een groot talent genoemd. En hij hoort de laatste tijd wel eens verzuchten dat die Twaalfhoven dringend weer eens een paar goede noten op papier zou moeten zetten. Die komen er heus, maar Twaalfhoven heeft andere plannen. Wat hij maakt heeft een naam: PopKunst. PopKunst – het Pop staat uiteraard voor Populair – is kunst die, «zonder concessies te doen aan de inhoud, een groot publiek kan bereiken; die aansluiting zoekt bij nieuwe publieksgroepen en probeert kunst te laten uitbreken uit de vastomlijnde kaders van de traditionele kunstinstellingen». De zalen uit, de lanen in: in Twaalfhovens projecten is de afstand tussen zaal en podium, tussen publiek en kunstenaar weggevallen. Zijn publiek wordt volledig opgenomen in de voorstelling. Hij maakte furore met zijn La Nuit-_cyclus, een ontregelende bric à brac van opgehoopt vertier in alle soorten en maten, die in diverse varianten werd opgevoerd van Amsterdam tot Ljubljana. _La Nuit de Maroc, La Nuit d’Europe, La Nuit de Praha. Zijn website is er nóg vol van, getuige de beschrijving van La Nuit de Maroc in het Paradiso van juni 2005: «Heel Paradiso was vol activiteit: standjes met zoetigheid, waterpijpen, een buikdansworkshop, talkshow en stand-up comedy. Enkele videoschermen en 8 DJ’s. In verschillende shifts werd je door het backstage geleid, geblinddoekt en meegevoerd via het podium naar de grote zaal. Hier werden je schoenen en sokken uitgedaan en je voeten gewassen. Rondom ontstond een muzikale trip met Marokkaanse liederen die verweven waren met verfijnde klankexperimenten, flarden van composities en gedichten die soms in je oor werden gefluisterd.»

Ook in nieuwe projecten neemt een multicultureel gemeenschapsideaal een centrale plaats in. In de Beurs van Berlage werd vorige week zijn Symfonie voor Iedereen uitgevoerd, een compositie waarin leden van het Nederlands Philharmonisch Orkest samenspelen met amateur-musici, kinderen en met het publiek. «Het resultaat», zegt Twaalfhoven, «is een wereld van geluid die de hele ruimte in beslag neemt.»

Je bent van oorsprong componist, en altviolist. Twee beroepsgroepen die niet bepaald met twee benen in de samenleving staan. Wat leert een musicus in spe op het conservatorium over de toestand in de wereld?

Merlijn Twaalfhoven: «Compositieles is vooral een excursie langs de hedendaagse muziekgeschiedenis. Het centrale thema: alles is al gedaan, niks is meer nieuw. Voor mij was het dus eigenlijk een verrassing dat er juist nog heel veel níet gedaan is, en er wel degelijk vernieuwing mogelijk is. Geen revolutie misschien – ik heb niet de behoefte het verleden af te kraken en me af te zetten, maar ik fiets er graag dwars doorheen richting iets onvermoeds…

Altviool spelen is fijn omdat voor musici alleen het nu telt. De toon die je nu speelt moet goed zijn, de rest van de wereld doet er niet toe. Het tegenovergestelde van componeren eigenlijk, want daar zoek ik juist naar een eigen positie ten opzichte van de buitenwereld, en moet ik ontzettend veel overzien om de koers uit te stippelen. De componist verzint de bestemming, de dirigent is de kapitein, de altviolist zit aan de riemen…»

Jij wilde in je jeugd van alles worden. Film en theater maken, popmuziek, zichtbaar zijn. Had je enig idee hoe je dat moest aanpakken?

«Gewoon door alles te doen. Pas als je het gedaan hebt, kun je het begrijpen en later eventueel gebruiken. Onbewust was ik al bezig om te leren inzien hoe, en door welke factoren, de beleving van mensen wordt beïnvloed. Hoe je ‹gevoel› componeert. Gevoel wordt altijd bepaald door een totaal van zintuiglijke ervaringen, door een samenhang van artistieke inhoud en fysieke omgeving. Vandaar dat theater, popmuziek en de uitgaanscultuur als thema’s al snel deel werden van mijn werk. Niet als doel op zich, maar als middel om die totaalbeleving tot stand te kunnen brengen.»

Er zijn altijd ondernemende kunstenaars geweest. Maar waarom zijn het er nu zo veel? Is het een reactie op de generatie die in de geest van de zorgzame samenleving vond dat de staat voor alles op moest draaien?

«Als je vindt dat kunst op een voetstuk staat, en een eiland in de maatschappij vormt, is het moeilijk te bedenken welk verband er is tussen de maatschappij en dat eiland. Dan is subsidie de enige weg, net zoals dieren in een kooi wellicht ook elke ochtend rekenen op voer, en niet meer jagen. Maar als je je herinnert dat jagen – en ik bedoel dan het bereiken van mensen midden in hun eigen wereld – juist je roeping is, dan smaakt dat ochtendvoer steeds minder. Overigens lijkt de subsidiewereld wel een economietje op zich waarin veel bedrijfsmatige wetten gelden, en waarbinnen ik evengoed hard aan het knokken ben.»

Waarom ben je La Vie Sur Terre begonnen?

«Om zelf een setting te kunnen maken waarbinnen mijn soort kunstbeleving kan ontstaan. Omdat je je bewust buiten de gevestigde infrastructuur begeeft, ben je genoodzaakt zelf de faciliteiten te regelen. Dat is veel werk, en dat kan alleen met een sterk team.»

Wat doet La Vie Sur Terre precies?

«Alle praktische zaken regelen. Maar let op: omdat de setting zo verbonden is met de inhoud zijn de praktische aspecten echt deel van die inhoud, en moet ik dus constant het schip op koers houden.»

Je bent nu een schoolvoorbeeld van artistiek ondernemerschap. Ben je van nature zakelijk, of heb je alles met vallen en opstaan moeten leren?

Merlijn Twaalfhoven: «Ik kan alles aardig goed. Ben niet zo zakelijk dat ik rijk ben, maar ik hou het lek goed boven water. Als uitvoerend musicus was ik ook zo. Niet zo altviool spelen dat ik me daarin verloren heb, maar genoeg om muziek maken uit eigen ervaring te kennen.

Dat heeft voordelen. Door allround te zijn, kan ik bijzondere verbanden leggen, en ervoor zorgen dat alle aspecten van een project op elkaar aansluiten, tot en met eten en drinken, de vormgeving van posters en website. Voor de duidelijkheid: ik ‹maak› voor mijn locatieprojecten niets zelf behalve de muzikaal-theatrale inhoud, maar ben wel betrokken bij elk detail. Door gebruik te maken van vele ‹aardige› talenten ontstaat de mogelijkheid om telkens opnieuw mooie, grensoverschrijdende verbindingen te leggen.»

Je doet deze maand een project met het Nederlands Philharmonisch Orkest. Leg eens uit hoe zo’n evenement tot stand komt.

«In de educatieve hoek was ruimte om mijzelf binnen te wurmen. Het NedPho heeft een educatiepoot die NedPhoGo heet, een nieuwe afdeling voor jongeren en nieuw publiek. Zo kon dit idee gerealiseerd worden. Hoewel scholieren en amateurs een grote rol krijgen is het absoluut geen kinderproject maar een volwaardig kunstwerk. Het zit nog niet in de abonnementenserie, maar het is een uitzonderlijke en spectaculaire situatie dat zo’n top-orkest echt een risico aangaat en in het diepe durft te springen met dit project.»

Als je staatssecretaris van Cultuur was, wat zou je dan veranderen aan het subsidiestelsel?

«Waarom wachten fondsen zo passief af totdat alle gelikte subsidieaanvragen bij ze op de mat vallen? Ik zou de leden actief laten scouten en elk lid een paar ton meegeven om dat geld op een irrationele, volstrekt intuïtieve manier te verdelen onder kunstenaars die echt iets teweegbrengen. Nu is het systeem traag als stroop, terwijl juist de actuele, spontane kunst die ik probeer te maken zo veel positieve invloed op het leven kan hebben; óók op de creatieve economie, de integratiediscussie. Die maatschappelijke waarde wordt gefrustreerd door commissieconsensus en maandenlange besluitvormingsprocedures, zodat het zoveelste goed doortimmerde project het altijd wint van een spontane guerrilla-actie die mensen echt aan het denken zet.»

Je bent lector PopKunst op de ArtEZ-hogeschool Arnhem/ Zwolle/ Enschede. Daar bepleit je onder meer dat jonge kunstenaars zich beter op de samenleving moeten voorbereiden; dat ze zich ook moeten afvragen hoe ze een functionele rol in de wereld kunnen spelen. Waarom vind je dat? En is het nog altijd vloeken in de kerk?

«Omdat de wereld vol schoonheid is, en kunstenaars in staat zijn om die schoonheid echt te zien, is het hun verantwoordelijkheid hun omgeving te leren verbaasd en verwonderd te blijven. Dit is een enorm essentiële rol, waarop je je moet voorbereiden. Veel kunstenaars verliezen zich in hun kunstje, hoe virtuoos soms ook, en vergeten daardoor de wereld te redden.»

=

www.twaalfhoven.net

www.laviesurterre.nl

www.popkunst.nl

www.orkest.nl