Opheffer

Ik kan beter naar de bibliotheek

Zes jaar geleden schreef ik dat internet nog twee problemen had op te lossen: de betrouwbaarheid en de snelheid en mogelijkheid om iets speciaals op te zoeken.

Bij de Kosovo-oorlog hoorde ik steeds dat men gebruik maakte van internet; bepaalde berichtgeving werd via internet verspreid. Het vreemde was dat de krant waar ik werkte wel deze sites opzocht, maar er niet uit durfde te citeren. Dat de stad K. was gebombardeerd, was mogelijk waar, maar waar konden we dat bevestigd krijgen? Internet als nieuwsbron viel hard tegen, vooral toen bleek dat we al snel naar gezaghebbende sites moesten — dus die van CNN en de grote Amerikaanse kranten.

Onlangs las ik het boek Pyrrus in Kosovo van Rob de Wijk. In dat boek stond dat de Amerikanen veel van hun militaire informatie op internet hadden gezet, maar die werd weer niet door journalisten geraadpleegd. Ze wisten blijkbaar niet waar ze moesten zoeken — en ze geloofden het Pentagon waarschijnlijk ook niet.

Ondertussen merk ik steeds vaker dat de betrouwbaarheid van internet tegenvalt. Ik noem maar wat fouten die ik tegenkwam. Bob Dylan is geboren in 1951. Karel van het Reve schreef het boek Leven van de reuzekoeskoes. De schrijver Theodor Holman heette opeens Theodoor Holman. De auteur van Winnie the Pooh is Walt Disney.

Verder doet zich de vreemde paradox voor dat ik met het snelle internet steeds meer tijd kwijt ben met het opzoeken van iets dat mijn interesse heeft. Ik heb gemerkt dat ik veel beter naar een bibliotheek kan gaan. Het letterlijk en figuurlijk zien van een boek geeft vaak meer informatie dan het zien van een boek via internet. Hoe het gebonden is, het lettertype, de staat — het heeft allemaal invloed op mijn beoordeling, terwijl je tegelijkertijd door de plek van het boek in de bibliotheek vaak ook nog op andere ideeën komt.

Kortom: internet is meer een encyclopedie dan een boek. Meer een supermarkt dan een gespecialiseerde winkel. Meer een doolhof dan een autobaan. Zo wil men ook maar kunst via internet. Maar internet is geen muze. Internet is een extra tikmachine, het is een stuk gereedschap. Ik maak steeds minder gebruik van internet omdat het toch nog een achterstand heeft bij mijn manier van leven. Ik wil het nieuwe boek van Grunberg meteen — en niet via bol.com waar het niet eens leverbaar was, terwijl ik het boek al uit had! Wanneer ik naar Herman van Veen wil, dan wens ik daar eerst recensies over te lezen; die zijn haast niet te vinden. Want de beste recensenten zijn freelancers en hun stukken vind je (nog) niet op internet. De meeste informatie krijgt een mens via de televisie, maar televisie op internet staat nog in de kinderschoenen.

Verder kun je nu al voorspellen dat internetproviders steeds vaker «problemen» zullen krijgen. Er is namelijk gigantisch geïnvesteerd, gigantisch verloren en niets is noemenswaardig sneller gegaan. Snelheid wordt een schaars goed, dus duur, dus zullen niet zoveel mensen het gebruiken, en zullen er altijd files zijn. Wat mij opvalt is dat niemand meer echt kritisch over internet durft te zijn; het is een geloof geworden.

Hoe gebruikt mijn dochter internet? Voor haar werkstukken. En verder? Voor spelletjes en verder voor niets. Hoe gebruik ik internet? Nou, ik wilde het gebruiken als makelaar. Ging niet. Als telefoonboek. Ging slecht. Als antiquariaat. Ging wel, maar levering duurde een maand! Als autowinkel. Begreep ik niet. Als veiling. Ging ook niet echt goed. Als televisie. Is nog steeds slecht. Als pornoleverancier. Duurt veel te lang. Als muziekleverancier. Godallemachtig wat gaat dat vaak fout. (Hoe werken jullie met napster, eigenlijk?) Niks gaat soepel. Een reisje boeken lukte wel, alleen werd ik teruggebeld dat ik toch te laat was… Internet zit in een dip, volgens mij.