FREUD HERLEZEN

‘Ik kan de Gestapo iedereen van harte aanbevelen’

Ter gelegenheid van het verschijnen van het volle-dige vertaalde oeuvre van Sigmund Freud in Nederland herleest Hans Driessen het werk van de psychoanalyticus. Deze week het voorlaatste deel, over de grap, humor en het komische.

Sigmund Freud
Werken
Bezorgd door Wilfred Oranje, Boom, € 999,95

‘De euforie die we via deze wegen [grappen, humor en het komische] nastreven, is niets anders dan de stemming van een levensfase waarin wij al onze psychische arbeid met geringe inspanning plachten te verrichten, de stemming van onze kinderjaren, waarin we het komische niet kenden, geen grappen konden maken en humor niet nodig hadden om ons in het leven gelukkig te voelen.’

Tot deze even opmerkelijke als heldere conclusie komt Freud helemaal aan het einde – het is zelfs de laatste zin – van zijn uitvoerige studie De grap en haar relatie tot het onbewuste (1905). Ze is opmerkelijk en helder als men haar afzet tegen de lange en kronkelige weg die tot die conclusie leidt. Met de precisie van een natuurwetenschapper onderzoekt Freud de grap in al haar verschijningsvormen. Deze classificeert hij aan de hand van de toegepaste techniek. Hij maakt onderscheid tussen onschuldige grappen, die hun betekenis in zichzelf hebben en geen bijzonder oogmerk dienen, en tendentieuze grappen, die wél een speciaal doel dienen, die beledigen, kwetsen of langs een quasi-onschuldige weg agressie ventileren. Hij onderzoekt de motieven achter de grap en de sociale functie ervan. En uiteraard, daar is hij Freud voor, bepaalt hij de plaats die de grap in de psychische huishouding inneemt, zoals hij dat eerder met de droom had gedaan. Kortom, hij haalt al zijn analyserende en synthetiserende vermogens uit de kast om de grap en de aanverwante verschijnselen, de humor en het komische te doorgronden. Dat levert tweehonderd dichtbedrukte bladzijden op en leidt uiteindelijk tot de bovengenoemde eenvoudige, men zou bijna geneigd zijn te zeggen al te eenvoudige conclusie. Schiet Freud hier niet met een kanon op een mug? Met andere woorden, besteedt hij niet al te veel energie en aandacht aan een op zichzelf belangeloos verschijnsel?

Zoals alle systeemdenkers is Freud er op uit de verschijnselen uit zijn interessegebied enerzijds een passende plaats te geven in zijn verklaringsmodel en ze anderzijds te gebruiken als extra bevestiging voor de juistheid van dat verklaringsmodel. In dit geval moet hij de grap en de humor verenigen met het lustprincipe, volgens welk het in het zielenleven van de mens draait om het vergaren van lust en het vermijden van onlust. Enigszins grof gezegd komt het er bij Freud op neer dat de grap de maker en de toehoorder lust verschaft en dat de humoristische houding onlust vermijdt.

Kort samengevat luidt zijn theorie van de grap als volgt. De grap is een middel voor de mens om zich als volwassene te kunnen overgeven aan een in wezen kinderlijk genoegen, het onzinnige, belangeloze spelen. Kenmerkend voor het spelen is dat de activiteiten die erin ontplooid worden, de gedachten die erin gesponnen worden, niet gehinderd worden door de kritiek van de rede of door remmingen die direct of indirect door de buitenwereld worden opgelegd. In het spelen kan aan fundamentele menselijke driften, zoals de fantasie en de agressie, de vrije loop worden gelaten. Het spelen laat zich anders gezegd niets gelegen liggen aan het realiteitsprincipe en aan de geboden of verboden die door de maatschappij worden opgelegd. In het spelen creëert het kind een eigen domein, waarin dwingende normen als zin en onzin, redelijk en onredelijk, acceptabel en onacceptabel geen rol spelen. In dat domein is het kind vrij, ongeremd en autonoom en deze status verschaft hem een lustgevoel.

Datzelfde lustgevoel krijgt de volwassen mens als hij een grap maakt. Voor even maakt hij zich los van zijn innerlijke remmingen en houdt hij zich doof voor de stem van de rede. Voor een kort moment leeft hij weer in het domein van het kind: hij is bevrijd van de geestelijke inspanningen van het volwassen leven waarmee het zich telkens afvragen of hij iets al dan niet mag doen of zeggen gepaard gaat. Wanneer hij een grap maakt, werpt hij het keurslijf van verwachtingen, verplichtingen, van fatsoen en kritische rede dat hem door de maatschappij is aangemeten, voor een moment van zich af.

Als middel tot lustverwerving is de grap aan voorwaarden onderhevig. Ten eerste werkt de grap alleen binnen een sociale setting. Grappen maak je niet voor jezelf en in je eentje. Er is een publiek voor nodig, ook al bestaat dat maar uit één persoon. Bovendien moet het publiek tegenover je in de juiste stemming zijn, wil de grap aanslaan: een grap waarop de omgeving niet met gelach reageert maar alleen met stilte is een uiterst pijnlijke ervaring. Ten tweede zijn voor het maken van een geslaagde grap vindingrijkheid, geestelijke alertheid, gevatheid vereist, kortom wat de Engelsen wit noemen en de Fransen esprit. Dat zijn geestelijke talenten die maar dun gezaaid zijn onder de mensen.

Humor is een steviger basis om het leven tegemoet te treden. Het is eerder een structurele houding tegenover de realiteit dan een incidentele reactie op een gebeurtenis of een persoon. Het maakt de persoon die zich een humoristische houding aanmeet tot op zekere hoogte immuun tegenover de zwaarte van het leven. Het laat de onlust die met de zwaarte gepaard gaat niet toe. Wie tegenover de penibelste en meest uitzichtloze omstandigheden een humoristische blik weet te handhaven, plaatst zich als het ware boven die omstandigheden en werpt een barrière op tegen de onlust die er normaal gesproken uit zou voortvloeien. De joodse humor en de galgenhumor zijn in dit opzicht exemplarisch. (Freud voert in zijn boek een voorbeeld aan van een combinatie van die twee. Tijdens de Eerste Wereldoorlog schrijft een Duitse soldaat van joodse origine vanaf het Franse front aan zijn familie: ‘We trekken ons elke dag een paar kilometer terug. Met een beetje geluk ben ik dus met Rosj Hasjana thuis!’)

Een ander voordeel van de humor is dat hij anders dan de grap niet volstrekt afhankelijk is van een publiek of van een bepaalde stemming. Van de andere kant kun je je omgeving met humor wel lust bezorgen, zoals je dat met een grap kunt doen. Maar de primaire functie van de humor blijft de besparing van onlust. En zoals onder anderen Schopenhauer en de stoïci al zeiden: het is in het leven verstandiger, effectiever en veiliger je energie te steken in het vermijden van onlust dan in het vergaren van lust.

Alles overziend meent Freud de humor te kunnen onderbrengen in de reeks van strategieën ‘die het menselijk zielenleven ontwikkeld heeft om zich aan de dwang van het lijden te onttrekken, een reeks die met de neurose begint en in de waanzin culmineert en waarin de roes, zelfinkeer en extase de tussenschakels vormen’. Het is duidelijk naar welke van die strategieën Freuds voorkeur uitgaat. Telkens opnieuw benadrukt hij de grootsheid, de heldhaftigheid en de onoverwinnelijkheid die de humoristische levensinstelling uitstraalt. De ‘humorist’ loopt niet laf weg voor de realiteit, vlucht al helemaal niet in de neurose en heeft het niet nodig zijn zintuigen in de roes te bedwelmen. Hij ziet de realiteit recht in de ogen, maar laat zich er niet door terneerslaan. Humor behoort kortom tot de doeltreffendste wapens van de soevereine mens.

Of Freud zelf een humoristische leveninstelling praktiseerde, valt moeilijk uit te maken. Zijn fotoportretten, waarop de norse, borende blik net zo’n handelsmerk is als de eeuwige sigaar, wijzen eerder op het tegendeel. In zijn werken is hij meestal bloedserieus, gelijkhebberig en altijd strijdvaardig, waarbij hij overigens het cynisme niet schuwt. Maar dat hij niet van alle humor gespeend was blijkt uit een anekdote uit het eind van zijn leven. Toen hij zich in 1938, na de Anschluß, genoodzaakt zag zijn geliefde Wenen te verlaten en naar Engeland te emigreren, moest hij een verklaring ondertekenen dat hij door de Oostenrijkse autoriteiten goed behandeld was. Onder de handtekening schreef hij: ‘Ik kan de Gestapo iedereen van harte aanbevelen.’ Had hij het verdere verloop van de geschiedenis gekend, dan had hij ook die opmerking waarschijnlijk achterwege gelaten.