Verkiezingen in Libië

‘Ik kan geen wapen meer zien’

De Libiërs gaan op 19 juni naar de stembus. In de westerse berichtgeving heet het dat Libië sinds de dood van Kadhafi in rap tempo uiteenvalt. Maar: ‘De Overgangsraad heeft het zo slecht niet gedaan. Anarchie is uitgebleven.’

Tripoli – Kadhafi was een schoft, maar hij was onze schoft. Zo zou je het heersende sentiment kunnen samenvatten in Bani Walid, een woestijnstadje op 180 kilometer ten zuidoosten van de Libische hoofdstad Tripoli. De driekleur van de in 1969 verjaagde koning Idriss, vorig jaar door de rebellen in ere hersteld, tref je er niet aan. En ook het Ya Beladi, het oude nieuwe volkslied, klinkt nergens in de straten. Abdelkader, tot het moment dat de Navo zijn werkplek plat bombardeerde werkzaam als manager bij het Libische equivalent van de sociale dienst, loodst me langs een reeks kapotgeschoten overheidsgebouwen. En langs de systematisch overgeschilderde revolutionaire leuzen die door strijders uit Misrata werden aangebracht toen zij in oktober vorig jaar de stad innamen.

Later op de middag, na afloop van een copieuze lunch, vouwt Abdelkader in de salon van zijn huis zijn laptop open. De iconische foto van Kadhafi op bezoek bij Berlusconi doet dienst als achtergrond van zijn bureaublad. ‘Natuurlijk, Kadhafi had veel gebreken’, licht hij toe. ‘Maar dit bezoek, toen hij bij Berlusconi officiële excuses voor de Italiaanse kolonisatie afdwong, koester ik. Kadhafi was een dictator, maar hij was een goede Libiër.’

Op 8 september 2011, twee weken na de val van Tripoli, zetten de rebellen de aanval in op Bani Walid. Het verzet bleek zó hevig dat het gerucht al snel de ronde deed dat Moammar Kadhafi zich in hoogsteigen persoon in de stad schuilhield. Pas na een beleg van vijf weken wisten de rebellen de stad in te nemen. Maar zelfs toen schikten de inwoners van Bani Walid zich niet zonder meer naar de nieuwe machthebbers. Op 24 januari dit jaar werd een aan de Overgangsraad gelieerde brigade de stad uitgejaagd omdat die zich naar de smaak van de bewoners te intimiderend had gedragen. De door de Overgangsraad aangewezen gemeenteraad volgde eenzelfde lot. Sindsdien wordt het bestuur van de stad waargenomen door een vergadering van stamoudsten die dagelijks bijeenkomt.

Maar ondanks de nostalgie naar het verdreven regime die in de straten duidelijk voelbaar is, zou het te simpel zijn om Bani Walid af te doen als ‘het laatste Kadhafi-bastion’, zoals dat in de hoofdstad inmiddels usance is. Zeker, het merendeel van de bewoners behoort tot de Warfalla, een stam die overwegend loyaal bleef aan Kadhafi, maar tegelijk waren het uitgerekend officieren uit deze stad die in 1993 het initiatief namen tot een staatsgreep tegen de ‘Broeder Leider’.

‘Aanvankelijk stonden we niet onsympathiek tegenover de opstand zoals die vorig jaar februari tegen Kadhafi uitbrak’, stelt Doly Aslan, lid van het stamoudstenoverleg en kandidaat bij de nationale verkiezingen die op 19 juni staan gepland. ‘Maar toen Frankrijk en Qatar zich ermee begonnen te bemoeien zijn we afgehaakt, omdat toen duidelijk werd dat de revolutie niet langer door Libië, maar door het buitenland gedragen werd. We hebben ons afzijdig gehouden tijdens het conflict, maar toen de zogenaamde rebellen voor de poort stonden, hadden we geen andere keus dan ons tot het uiterste te verdedigen.’

Hoe deze halsstarrigheid te verklaren? Misschien ligt de sleutel wel in de Wadi Dinar, een vallei op de toegangsweg naar de stad, zo’n twintig kilometer noordwaarts. Destijds beten hier eerst de Turken en later de Italianen in het stof. ‘Nooit zullen we ons laten overheersen’, bezweert Aslan. Tot op heden verkeren de betrekkingen tussen de Overgangsraad en Bani Walid zich op een nulpunt. Eind mei sloegen beveiligers van de Overgangsraad in Tripoli een onderhandelaar uit Bani Walid het ziekenhuis in omdat ze hem ervan verdachten een wapen op zak te hebben.

Het getouwtrek om de stad is in veel opzichten symptomatisch voor het huidige Libië, waarin de Overgangsraad de grootste moeite heeft om haar autoriteit in de rest van het land te doen gelden. Niet alleen bij ‘verliezers’ als Bani Walid; ook bij ‘winnaars’. Misrata, de havenstad die zich nagenoeg op eigen kracht aan het juk van Kadhafi wist te ontworstelen, vertoont de trekken van een stadstaat. Paspoorten worden bij het naar binnen gaan gecontroleerd en nog steeds beschikt de stad over een eigen ‘militaire zone’. Zintan, diep weggestopt in het Nafoessagebergte, stelt steeds nieuwe eisen aan de uitlevering van Seif al-Islam Kadhafi en het oostelijk gelegen Benghazi klaagt over het geringe aantal zetels dat haar is toebedeeld bij de komende verkiezingen. Toen stammenleiders uit de stad in maart pleitten voor een terugkeer naar het federale systeem en en passant de onafhankelijkheid van Oost-Libië uitriepen was dat wereldnieuws. Wellicht ook omdat dit voedsel gaf aan wat geleidelijk het dominante discours in de westerse berichtgeving over Libië zou worden, te weten dat het land in rap tempo aan het desintegreren was.

Verontrustende rapporten van mensenrechtenorganisaties over martelingen in provisorische gevangenissen en aanhoudende nieuwsberichten over ‘milities’ die met elkaar slaags raakten in en rond Tripoli maakten het beeld compleet. Libië staat aan de rand van het ravijn, zo heette het al snel. Het land is bezig af te glijden richting een failed state, een tweede Somalië is in de maak.

Opmerkelijk genoeg is het beeld in Tripoli zelf geheel omgekeerd. Dagelijks openen nieuwe winkels en koffiehuizen hun deuren. Mensen gaan naar hun werk; verkeer houdt zich aan de regels. Nog altijd vult iedere vrijdag een uitgelaten menigte het voormalige Groene Plein. Alsof het gisteren was dat de dictator werd verdreven. Vuurwerk kleurt de nacht. Kiosken zijn gevuld en op iedere straathoek worden burgers opgeroepen te gaan stemmen tijdens de nationale verkiezingen later deze maand, maar ook tijdens de gemeenteraadsverkiezingen die in juli staan gepland. Zware wapens zijn nergens te bekennen, checkpoints zijn verdwenen. Wie niet beter weet zou kunnen denken dat Libië al jaren een bruisende en stabiele democratie is.

Het enthousiasme en de _can do-_mentaliteit in de hoofdstad zijn Dirk Vandewalle niet ontgaan. Vandewalle, als onderzoeker verbonden aan Dartmouth College, New Hampshire, is auteur van hét standaardwerk over de moderne Libische geschiedenis. Momenteel is hij werkzaam als speciaal adviseur van Ian Martin, het hoofd van de VN-missie in Libië. ‘Het land verkeert nog steeds in een wittebroodsfase’, zegt hij in een restaurant in het hart van de medina. ‘Problemen worden gemakkelijk onder het tapijt geveegd, terwijl die er natuurlijk wel degelijk zijn.’ Hij wijst op het ontbreken van een adequate staatsstructuur, de overvloed aan wapens, de etnische spanningen in het zuiden en het voortbestaan van honderden lokale milities die vooralsnog slechts orders van hun eigen commandanten opvolgen.

Tegelijk stoort Vandewalle zich aan de alarmistische berichtgeving over Libië. ‘Neem David Kirkpatrick van The New York Times’, zegt hij. ‘Toen hij nog in Libië was, had ik vaak zinnige gesprekken met hem. Maar sinds hij terug is op zijn post in Caïro doet hij het in zijn stukken steeds voorkomen of het land op de rand van burgeroorlog staat. Die wittebroodsweken kunnen natuurlijk niet eindeloos voortduren. Na de verkiezingen zal de nieuwe regering met concrete oplossingen moeten komen. Maar dat laat onverlet dat er in Libië, gezien de omstandigheden uiteraard, een hoop goed gaat. Tijdens de revolutie was ik veel pessimistischer, vooral vanwege de institutionele leegte die Kadhafi zou achterlaten. Maar het destijds in Doha opgestelde stabilisatieplan heeft een hoop ellende weten te voorkomen. En als ik op bezoek ben bij de ministeries ben ik onder de indruk van de sfeer van enthousiasme en gedrevenheid die ik ontmoet. Ook de Overgangsraad heeft het al met al zo slecht niet gedaan. Anarchie is uitgebleven, de olieproductie is nagenoeg weer terug op het oude peil.’

De situatie is dus verre van ideaal, maar het in het Westen heersende beeld behoeft enige nuance. Hoe reëel is de dreiging van het uiteenvallen van het land bijvoorbeeld werkelijk? De Libische opstand begon vorig jaar in februari in Oost-Libië (Cyrenaïca), waar het lokale machtscentrum Benghazi na enkele weken uitgroeide tot het kloppende hart van de revolutie en zetel van een inderhaast gevormde Nationale Overgangsraad. Toch speelde deze regio bij het verdere verloop van de opstand hoegenaamd geen rol. Ze wist zich beschermd door de paraplu van de Navo en het front stabiliseerde eind maart bij het olieverwerkingsstadje Brega. Het waren brigades uit steden als Misrata, Zintan, Jadu en Zawiya, gehard door de maandenlange nietsontziende strijd tegen de troepen van Kadhafi, die eind augustus 2011 zonder noemenswaardige coördinatie van de Overgangsraad het beslissende offensief op Tripoli inzetten.

Dat gegeven zou belangrijk blijken voor het vervolg, want het maakte dat de strijders die eind augustus vorig jaar triomferend de hoofdstad binnenreden zich aanvankelijk weinig gelegen lieten aan deze raad. Hun loyaliteit was in de eerste plaats lokaal – zoals het eigenlijk altijd geweest was in Libië, waar het centrale staats­gezag historisch zwak ontwikkeld is. In de negentiende eeuw zetelde de Turkse gouverneur in Tripoli, maar bestuurden lokale notabelen de regio. De Italianen deden op hun beurt weinig pogingen een sterk centraal gezag te vestigen. Kadhafi regeerde dankzij verdeel- en heers­strategieën, niet via een centraal geleide bureaucratie.

Belangrijke uitkomst van de Libische opstand was de herbevestiging van het lokale bewustzijn en volgens Jason Pack, co-auteur van In War’s Wake: The Struggle for Post-Qadhafi Libya (2011), kan de huidige situatie in Libië het best worden gekarakteriseerd als de spanning tussen een ‘centrum’ (Tripoli) dat de nationale instituties, olie-inkomsten en contacten met het buitenland beheert, en een onder Kadhafi gemarginaliseerde ‘periferie’ (steden als Benghazi, Misrata en Zintan) die met een beroep op lokale loyaliteit de legitimiteit van het centrum kan uitdagen – desnoods met behulp van militaire middelen. Toch stelt ook Pack vast dat er zich vanuit die periferie tot dusver geen alternatief voor het bestaande centrum heeft gemeld. De rol van Tripoli als hoofdstad staat niet ter discussie, zoals dat ook doorklinkt in het populaire strijdlied Geen Oost, geen West, maar een verenigd Libië met Tripoli als hoofdstad.

In het tumult rond de ‘onafhankelijkheidsverklaring’ van Oost-Libië ging verloren dat het in werkelijkheid een slim uitgevent initiatief betrof van een groep fanatiekelingen. Van een breed gedragen afscheidingsbeweging is in Benghazi geen sprake. Alle spierballentaal ten spijt wordt zelfs in Bani Walid de rol van Tripoli als centrum in de praktijk gewoon erkend. De elektriciteit, het drinkwater, het lesmateriaal voor de scholen (voorzien van de nieuwe vlag), het komt er nog steeds allemaal vandaan. Het is de autoriteit van de Overgangsraad die de bewoners betwisten, niet die van Tripoli als zodanig.

Ongeveer tweehonderd kilometer westwaarts, in de vers gestuukte bestuurskamer van het gemeentehuis van Zintan, veegt Mohamed Al Wakwak, voorzitter van de lokale raad van de stad, het idee van een autonoom Zintan met een resoluut gebaar van tafel. ‘Het spreekt vanzelf dat Tripoli over tal van zaken zeggenschap moet hebben’, zegt hij geflankeerd door de voorzitter van de militaire raad. ‘Kijk om je heen, de hele stad ligt in puin. We hebben scholen nodig, ziekenhuizen en wegen, daar kunnen wij zelf nooit voor opdraaien. Federalisme is in Libië geen levensvatbaar concept. Omdat het daar te dunbevolkt voor is, maar vooral omdat de Libiërs het niet zelf wensen. We zijn één land, één volk, Libië is één.’

‘De wil tot eenheid is oprecht, maar zij is ook oppervlakkig’, meent Vandewalle, ‘want het nationale sentiment is betrekkelijk pril. Lokale en tribale verbondenheid heeft veel diepere wortels en die kunnen gemakkelijk opspelen. Toch acht ik de kans dat Libië uiteen zal vallen niet groot. Maar de nieuwe regering zal het herwonnen lokale zelfbewustzijn onmogelijk kunnen negeren en vormen van regionale autonomie moeten toestaan. Veel kwaad schuilt daar verder niet in, al zal het op bestuurlijk niveau nog wel voeten in de aarde hebben.’

Afgelopen maandag werd het vliegveld van Tripoli kortstondig bezet door strijders uit het naburige stadje Tarhoena. Het was het zoveelste incident in een reeks waarbij lokale brigades betrokken waren. Bericht werd over ontvoeringen, martelingen en plunderingen en met enige regelmaat raken rivaliserende eenheden slaags, soms met tientallen doden tot gevolg. Zowel buiten Libië als in het land zelf zijn daar grote zorgen over. Abderamane Swehli, de leider van de Unie voor het Vaderland, een kanshebber bij de verkiezingen later deze maand, gelooft niet dat het probleem zich op korte termijn zal oplossen. ‘Er is en er blijft een grote potentie voor gewapend conflict’, zegt hij op zijn partijkantoor nabij het voormalig koninklijk paleis in de hoofdstad.

Toch is ook hier de nodige nuance op zijn plaats. Van ‘Somalische toestanden’ met ‘lokale krijgsheren’ die elkaar naar het leven staan, is in Libië vooralsnog geen sprake. De katiba’s (brigades) zijn min of meer strak georganiseerde verbanden van jonge mannen die vorig jaar de wapens opnamen tegen de troepen van Kadhafi. Hun samenstelling is divers. Je kunt er studenten, automonteurs, winkeliers, badmeesters of overgelopen soldaten aantreffen. Hun loyaliteit betreft in eerste instantie de buurt of de stad waaruit ze afkomstig zijn. Een duidelijke politieke agenda hebben ze niet. Maanden van strijd op leven en dood schiepen niet alleen een hechte band, maar ook een manier van leven, en veel van deze brigades vertonen weinig tekenen zich te willen ontbinden en de wapens in te leveren.

Toch is de bereidheid daartoe er vaak wel degelijk. ‘Ik kan geen wapen meer zien’, zucht Abdul Nasser Halek op het terrein van de Brigade van de 17de Februari even buiten Zintan. Zojuist is hij met een groepje teruggekeerd uit de woestijn waar hij tien dagen achtereen olie-installaties heeft bewaakt. Afgezien van de eenmalige vijftienhonderd euro bonus die de Overgangsraad aan alle strijders heeft uitbetaald, heeft Halek, leraar techniek op een middelbare school, naar eigen zeggen al tien maanden geen salaris ontvangen. Waarom hij dan toch die olie-installaties blijft bewaken? ‘Voor Libië’, zegt hij. ‘Omdat iemand het moet doen. In Tripoli gaan we nu door voor “gewapende indringers”, terwijl we maandenlang het vliegveld en andere ­strategische plekken in het centrum hebben bewaakt!’

De vraag waarom veel brigades nog steeds intact zijn kan volgens Thijs Jeursen niet los worden gezien van de maatschappelijke rol die ze in het huidige Libië vervullen. ‘Ze zorgen voor veiligheid in de buurt, regelen het verkeer, bewaken grenzen, havens en vliegvelden. Bij gebrek aan een gestructureerd en gedisciplineerd regeringsleger zijn de brigades simpelweg de meest effectieve politiemacht’, aldus de jonge onderzoeker uit Utrecht die de afgelopen maanden in Tripoli het functioneren van de brigades ter plaatse onderzocht. ‘Dat doen ze niet louter voor hun plezier. Hoe leuk denk je dat het is om tot diep in de nacht bij een checkpoint op wacht te moeten staan?’

Ook andere zaken spelen de consolidatie van de brigades volgens Jeursen in de kaart. Wantrouwen tegenover de sfeer van schimmigheid waarin de (ongekozen) Overgangsraad pleegt te opereren bijvoorbeeld. En de daaraan gekoppelde vrees, terecht of niet, dat die de revolutie alsnog zal verraden. Weliswaar werden er een nationaal leger en een speciale politiemacht opgericht die formeel onder bevel van respectievelijk de minister van Defensie en Binnenlandse Zaken staan. Maar door daar lokale brigades in z’n geheel in op te nemen veranderden de autoriteiten feitelijk niets aan de bestaande situatie.

Het regende afgelopen maanden dan ook kritiek op de Overgangsraad en de door haar benoemde interim-regering. Ze werd verweten de zaken te veel op hun beloop te laten en geen vuist te durven maken tegen zich misdragende brigades. ‘Toch is het de vraag of ze een keuze hadden’, zegt Sami Zaptia, oprichter en hoofdredacteur van de veelgelezen website Libyan Herald in zijn kantoortje in een buitenwijk van Tripoli. ‘Gezien de zwakke uitgangspositie van de Overgangsraad had een directe confrontatie eerder averechts gewerkt. Zelf verwacht ik eerlijk gezegd meer van alternatieve programma’s zoals die bijvoorbeeld door de Warriors Affairs Commission worden opgezet.’ De wac valt onder direct gezag van de regering en biedt voormalige rebellen de mogelijkheid een opleiding te volgen of op individuele basis dienst te nemen in het leger. ‘Al lees ik nu weer dat de acht miljard dollar die daarvoor gereserveerd is waarschijnlijk niet op korte termijn kan worden vrijgemaakt. Hoe dan ook is het temmen van de brigades een project van de lange adem dat veel tact vereist – en bovenal een autoriteit die als legitiem ervaren wordt.’

Daarom is Zaptia blij dat de verkiezingen voor de deur staan, zelfs als hij bekent dat het land daar eigenlijk nog niet klaar voor is. ‘Essentieel is dat ze eerlijk zullen verlopen, als dat het geval is, hebben we tenminste een legitieme regering. Wie er wint maakt me eigenlijk niet uit. Het gaat om de acceptatie van het democratische proces, het idee dat niet familie, stam, streek of kalasjnikov, maar dat de stembus het wapen is om mee te strijden.’ Vandewalle waarschuwt voor blind optimisme: ‘Op dit moment is daar geen sprake van, maar er blijft een nachtmerriescenario denkbaar waarin politici de brigades voor hun eigen doelen gaan inzetten.’

Vooralsnog lijkt het erop dat in ieder geval de bevolking van Bani Walid zich met het wapen van de stembus heeft verzoend. Zo’n 85 procent van de kies­gerechtigde bevolking liet zich daar als stemmer registreren. Het hoogste aantal van het land.