Ik kan iets niet vertellen

Je hebt van die poëzie die gewoon naast je komt zitten en zonder introductie tegen je begint te praten. De Finse Sirkka Turkka, wier werk in het Nederlands is vertaald door Adriaan van der Hoeven, is daar bijvoorbeeld een meester in: ‘De relativiteitstheorie is een theorie over onveranderlijkheid,/ derhalve: het spoor van een rendier kan niet zo klein zijn/ en dat van een haas zo groot./ Maar hier hebben ze gelopen./ Jezus geneest niet meer, hij kan het niet, het zij zo.’ Pardon, kunt u dat even herhalen?

Tijdens het lezen van de eerste gedichten in vertakkingen, de nieuwe bundel van Albertina Soepboer, moest ik aan Turkka denken. Ook Soepboer blijft inhoudelijk ver van het hippe, stedelijke, zelfbewuste gedoe. Ook deze verteller steekt onnavolgbaar van wal, zoals in het achtste gedicht:

die schemering – of was dat van de goden –
breng ik door naast de nachtboom, verhaal
dat loslaat en kind dat gewiegd wordt en ik
voer de taal blindelings mijn antwoord op
wat het rooflicht eist wat het onder de tafel
schuift en geen kans van leven geeft –

Schemert het gewoon, of verwacht het lyrisch ik in haar gemoedstoestand niets minder dan de ondergang van de wereld? En dat kind dat gewiegd wordt, hangt dat samen met de ‘omgevallen ranja’ in een eerder gedicht? Want in die tekst lijkt het of de ondergang van de wereld zich al voltrekt, gezien het ‘nieuws dat opnieuw komt met overal oorlog’. Overigens wordt de ik in datzelfde eerdere gedicht aangesproken met ‘mem’, Fries voor ‘moeder’ of ‘mama’. Veel informatie is het niet, maar het geeft wel degelijk een kader en een geografische plaatsaanduiding.

Er is dus sprake van een verhaal dat loslaat, de ogen ‘bloeden weiland/ een roofvogel die voluit staat’, de ik moet ‘zuurstof vinden voor evenwicht’ en heeft een ‘gezicht nodig/ de hongerige meeuwen, de radeloze sneeuw/ om een pad te slaan naar buiten wanneer ik/ als ik besluit een mens te staan, te verklaren’.

Een ‘mens te staan’? Al in het tweede gedicht staat het kernachtig tussen twee gedachtestreepjes:

– ik kan iets niet vertellen terwijl alsmaar
de witlijnen ademen met wat er ooit was –

In elliptische zinnen wordt gerefereerd aan eenzaamheid en het verlangen alleen te zijn. Het is of iemand vlak langs een trauma scheert zonder er in te durven duiken. De vervreemding die dat tot gevolg heeft, komt knap tot uiting in de taal. Woorden en zinsdelen staan in verbinding met wat voorafgaat en wat erop volgt, zoals in ‘de nacht uitzitten met vragen/ schep ik deze dag in orde met eten en tassen’. Of neem een fragment als ‘zijwaarts verdwijn ik/ een rivier die me voert, waterplanten, eend/ dode wilgen, de woeste tocht in losgelaten’. Aparte zin. Verdwijnt de ik ‘in’ een rivier, ‘als’ een rivier, zou het voegwoord ‘en’ volstaan? Soepboer laat dat bewust in het midden. En dan die inversie aan het eind, of is hier geen sprake van een inversie?

De gedichten overtuigen omdat die rare, ongewone zinnen geen trucje zijn

Het is dit vernuft dat het begin van vertakkingen zo’n verstikkende lading geeft. De gedichten overtuigen omdat die rare, ongewone zinnen geen trucje zijn om een doodgewoon verhaal interessant te maken, en ook wordt hier een in wezen helder plot niet met opzet poëtisch vaag gehouden. Deze ik is helemaal uit elkaar gevallen, kan het niet zeggen, weet niet waar te beginnen, wil toch iets zeggen en begint dus maar gewoon, de worsteling straalt ervan af: ‘ik breek in stroom/ uiteen, sla het raam door, glas dat in rond spat/ wil voelen ik wil zeggen’. Even lijkt hier een moeder aan het woord die het niet meer aankan, het gejengel, de drukte, maar een duidelijk identificeerbare figuur komt niet bovendrijven.

De bundel bestaat uit zeven afdelingen, met nu en dan een blanco pagina. Om even op adem te komen, denk je dan. Maar na die geweldige eerste acht gedichten, waarin de vorm perfect samenvalt met een chaotische, claustrofobische binnenwereld, wordt de spanning niet meer bereikt. De teksten houden hun blokvormige verschijning, de taal blijft gedrongen, er wordt veelvuldig gebruikgemaakt van gedachtestreepjes, het gaat hortend en stotend, en inhoudelijk gebeurt er genoeg. We zien een jager aan het werk (‘hij waande zich terug op de houten bank in het kasteel/ de jachthonden aan zijn voeten’), een moeder spreekt haar kind toe en probeert de tijd vast te houden (‘ons tussengesprek en mijn liefdevol zwijgen’), lichaam en natuur raken verknoopt (‘de ragfijne tekening/ op mijn rug van een ander landschap’).

De intensiteit is echter verdwenen. Een konijn dat de velden ‘vol met komma’s rent’ is mooi gevonden, maar een vader laat zijn ‘tranen los’, de ik wrijft ‘verbijstering’ over ‘mijn stoel heen’, de nacht is ‘meedogenloos licht’, en ‘het licht in april is vernietigend helder’.

Een beetje afgezaagd en wat te makkelijk. Weg is dat dwangmatige, dat koortsachtige. Misschien heeft ‘de mens’ uit het openingsgedicht ‘die onderweg zoekt’, gevonden wat ze zocht. Dat is mooi, maar het zoeken is spannender.

(…)

de vaste lijn spreidt zich uit over de stad
een vloed van woorden, dichtgespijkerd in
regels en voorwaarden, o ja, ik bid om regen
terwijl een mens in mij mogelijkheid biedt

zijwaarts te gaan ren ik over alle bekende
uitgangen, blindgeslagen en blauwgebloed en
waar blijft in godsnaam de regen, waarom
de avondschemering toegenomen en waarom

het asfalt onder mijn voeten scheurt, vol gas
rennen de barsten met mij mee, wat verdwijnt
tussen onkruid en wiebelende huizen, meisje
dat huilt, meeuwen pikken resten en ik breek

in een godvergeten stilte met een mond vol
sneeuw, vleermuizen, zijwaarts verdwijn ik
een rivier die me voert, waterplanten, eend
dode wilgen, de woeste tocht in losgelaten