Opheffer

Ik kan Jomanda niet kraken

Ooit interviewde ik Jomanda.

Ze zei dat ze wist dat ze bijzonder was, omdat ze in trance «kleuren zag die niet in deze wereld bestaan».

«Hoe weet je dan dat het kleuren zijn?» vroeg ik.

«Omdat ik die zie.»

«Op welke kleuren die wij kennen lijken ze?»

«Op niet één die wij kennen.»

«Het zijn dus nieuwe kleuren?»

«Ja», zei Jomanda.

«Hoeveel nieuwe kleuren zie je nu?» vroeg ik.

Jomanda sloot haar ogen en zei: «Ik zie twee nieuwe kleuren.»

«Hoe heten die kleuren?»

«Die kleuren hebben dus geen naam want wij kennen ze niet», zei Jomanda.

«Dat is mooi, dan noemen wij die kleuren Opheffer en Jomanda.»

Jomanda lachte zich eruit — ik vond haar heel aardig — maar ik was serieus.

Ooit hadden kleuren geen naam, en hebben wij ze een naam gegeven.

Ik vroeg haar, toen we een tijdje over God hadden gepraat: «Als ik God zou heten, en ik zou zeggen: denk eens aan God, denk je dan aan mij?»

Ze begreep de vraag niet. Ik herhaalde hem, maar dan iets anders: «Stel, je beste vriend, je minnaar heet God. Als je dan aan God denkt, denk je dan aan je minnaar of aan Hem?»

Ik geef toe dat ik haar in de maling aan het nemen was, maar ik wilde kijken hoe ze reageerde. Ze was charmant. «Hoe dan ook, ik denk aan God», zei ze. «God de minnaar?» vroeg ik. «Dat ga ik jou niet vertellen.»

Ik mocht haar wel, al zou ik er waarschijnlijk nooit achter komen of ze de boel nu wel of niet bewust in de maling nam. En ik probeerde van alles.

«Denk je wel eens: ach, de mensen geloven me toch wel?»

«Nee.» En dan kregen we het verhaal dat ze het niet leuk vond om soms dingen te zien.

Na het interview, tijdens de zogenaamde «nazit» (waarbij zich iets beschamends voordeed: de crew waarmee ik het interview had opgenomen liet zich opeens door Jomanda instralen…) probeerde ik nog vertrouwelijker met haar om te gaan om te zien of ze misschien loog.

Maar ze vertelde een vreemde anekdote over een man met een paard die bij haar langskwam, en meteen zag ze dat er iets met dat paard niet goed was. Ze ging dat paard instralen, en alles kwam weer goed met dat paard. Ze vertelde het met humor.

Ze had een diep geloof in eigen kunnen, en ze was er echt van overtuigd dat ze magische krachten had.

Ik kon er maar niet bij.

«Jij straalt in, hoe zien die stralen eruit?» vroeg ik.

«Ik voel ze…»

«Wat voel je dan?»

«Dat ik instraal. Dat dat de mensen goed doet.»

Op een gegeven moment vond ze het genoeg en vroeg ze waarom ik toch zo bleef door vragen.

«Ik kan me niet voorstellen dat je echt zulke krachten hebt», zei ik.

«Dus je hebt een gebrek aan voorstellingsvermogen?»

Dat was een sterke opmerking. Waarschijnlijk had ze wel eens eerder cynici ontmoet.

Wat ik ook deed, ik kon haar niet kraken.

Later zou ze Sylvia Millecam «instralen». Maar die overleefde het niet. Ik was benieuwd of ze daar ook weer onderuit zou komen — en dat lukte haar.

Tot op de dag van vandaag ergert het me dat ik Jomanda niet in het nauw heb kunnen drijven. Ik ken haar trucs. Ik weet hoe ze steeds ontglipt.

Gisteren zag ik haar in Amsterdam lopen. Een gewone vrouw van in de vijftig. Ik zie het als een tekort van mezelf dat ik niets tegen haar kan ondernemen.