INTERVIEW MET JOSÉ RENTES DE CARVALHO

‘Ik kan me nergens zo gezond ergeren als in Nederland’

Wegkijken en alles weglachen. Het zijn twee eigenschappen die volgens de Portugese schrijver Rentes de Carvalho horen bij het ‘broze’ Nederland van nu.

NEE, HIJ WIL ONS niet thuis ontvangen. Gastvrij en beleefd als hij is, zou hij vast aardiger zijn dan hij, geboren Portugees, dit keer wil zijn voor zijn vaderland-bij-toeval, waar hij al weer vijftig jaar geleden bleef hangen aan een meisje. Hij heeft zich, zegt hij bij het maken van de afspraak, nu eenmaal voorgenomen eens niet mild te zijn over Nederland. Dus zitten we op een avond in de bar van een Mercure-hotel niet ver van zijn woonstede in de Bijlmer tegenover José Rentes de Carvalho.
Aanleiding voor het gesprek: zijn nieuwste boek, Gods toorn over Nederland, waarin de schrijver misantropisch en zo nu en dan onderhoudend moppert op ons land. Rentes de Carvalho drinkt geen wijn maar bronwater, draagt vrijetijdskleding – sweater en corduroybroek – en zal de volgende dag afreizen naar zijn tweede huis in Portugal. Alsof zijn presentatie en vertrek aan de vooravond van het verschijnen van zijn nieuweling moeten helpen verduidelijken dat Nederland voor hem een soort tussendoortje is geworden, een bijzaak waarvoor je geen pak aantrekt. Die schijn zal hij ook ophouden, tussen de ergernissen door, wanneer hij komt te spreken over de Hollanders en hun mindere kanten.
Op de vraag of Nederland veranderd is wil hij in eerste instantie reageren zoals hij gewoon is, met een verhandeling over de eeuwige ‘vergader- en praatcultuur, de kuddegeest, de regelzucht, en de bedaardheid’, die hij in zijn vorige boek over onze nationale eigenaardigheden zo minzaam en tegelijkertijd meedogenloos heeft geschetst. Maar het Nederland van nu is niet meer helemaal hetzelfde als het land waar Rentes zich ooit min of meer ‘thuis’ voelde en waarover hij in 1988 het sympathiserende ‘scheldschrift’ Waar die andere God woont schreef. ‘Het verschil zit in de ogenschijnlijk kleine onhebbelijkheden die jullie nog niet zo lang geleden als on-Nederlands zouden hebben getypeerd’, zegt hij.
Terwijl een paar tafels verderop een groepje ras-Amsterdammers met veel vertoon en lawaai ‘nog een pilsie’ bestelt, legt Rentes uit wat hij bedoelt: ‘Als er iets veranderd is, dan is dat wel het gedrag in het openbaar.’ Hij probeert boven het lawaai van de gasten uit te komen. ‘Heel lang waren Nederlanders een ingetogen volkje, maar sinds een jaar of vijftien doet men niets anders dan lachen.’ Het is een lach die de schrijver verontrust, ‘een heel uitbundige lach, met een heel rare en harde ha ha ha, waarbij men het hoofd naar achter werpt, alsof er zojuist een overwinning is behaald’. Rentes kan het niet helpen, maar hij heeft er maar één woord voor: ‘Onnatuurlijk’, of zo men wil ‘onecht’. Pas nog was hij op een verjaardagsfeestje bij goede kennissen, bij beschaafde mensen dus, en daar lachten ze ook al zo vreemd, ‘alsof men een rol aan het spelen is’. Dan verkiest hij liever de ‘traditionele houding van de Nederlander die stug, zwijgzaam en mokkend door het leven gaat. Die houding is tenminste waarachtig.’
En nu hij toch bezig is het onoprechte aan Nederland te benoemen, wil hij op nóg wel een tekortkoming wijzen. Ook in dit geval betreft het een gebrek in het openbare domein. Toen Rentes in de jaren vijftig in Nederland kwam, maakte hij al snel kennis met de zogenoemde instructieve snauw. ‘Rechts houden man!’ klonk het in de Kalverstraat waar hij als immigrant wat verloren rondliep. Dat was inderdaad zeer lomp en onvriendelijk – ‘en derhalve Nederlands’ –, maar het wees ook op een corrigerend vermogen tegenover de nieuwkomer dat tegenwoordig veelal ontbreekt. Jonge migranten, vooral van Marokkaanse afkomst, gedragen zich op straat vaak te agressief en te luidruchtig en niemand durft er wat van te zeggen. ‘Dat is helemaal verkeerd’, weet Rentes, want ze hebben juist ‘een strenge vaderhand’ nodig.
Tegenwoordig bevindt hij zich niet zelden in een bijna schizofrene situatie als hij weer eens door de Kalverstraat loopt. Hij is dan, verzucht hij, de enige die ‘niet wijkt als zo’n groepje langskomt’, terwijl de Nederlanders het klassieke ‘rechts houden!’ opeens inslikken. In zijn boek spreekt hij van de Hollandse ‘lafheid’.

Wegkijken en alles weglachen. Het zijn twee eigenschappen die volgens Rentes horen bij het ‘broze’ Nederland van nu. In zijn nieuwe boek beschrijft hij hoe hij op een dag in 1956 per trein een ander, zelfbewuster, land binnengleed. ‘Bescheiden, armoedig misschien, maar keurig opgeruimd, en bijna overal hing naast de deur een zinken teil die ongetwijfeld dienst deed als bad.’ Nabij station Haarlem zag hij in neonletters geschreven HIN KOUSENFABRIEK, en hij zag ‘opnieuw balkons, opnieuw teilen’. In Amsterdam ontvouwden zich vergelijkbare vergezichten met wastobbes, als tekens aan de wand van een natie die alles op orde had. Dit land dat zogezegd barstte van sociaal plichtsbesef deed de immigrant blozen van verbazing. Rentes schrijft: ‘Als ik mijn aangeboren nonchalance vergeleek met hun discipline, hun arbeidsethos, hun soberheid en de koppige vastbeslotenheid waarmee ze in staat waren een werk uit te voeren of een doel te bereiken, bezorgde me dat gewetensproblemen die ik nooit eerder had gekend.’
Ondanks de ernst, het altijd maar gehaaste lopen en fietsen waar Rentes amusante passages aan wijdt, en ondanks de ‘grauwe uitstraling’ werd de saaie Hollander min of meer een modelmens voor de Portugese levensgenieter. Zijn ‘aanvankelijke vijandigheid’, schrijft hij, sloeg om naar het ‘absolute tegengestelde: waardering’. Daar is inmiddels wel wat bekommernis bijgekomen, blijkens de vele pagina’s zorgelijk gebrom die zijn nieuwe Nederland-boek ook sieren. Hoe komt dat? Is Rentes sadder and wiser geworden of hebben wij als Nederlands volk de zwartkijker in de schrijver naar boven gebracht?
Zonder aarzelen en met een hoffelijke grimlach: ‘Het ligt aan jullie. Iedere keer weer betrap ik mezelf erop dat ik tegenover elke neiging die ik voel opkomen om te applaudisseren een reden tot ontevredenheid heb. Dit land dreigt datgene kwijt te raken waardoor ik het altijd heb bewonderd en me er veilig waande: zijn sociale stabiliteit.’ Heel lang werd Nederland volgens hem geschraagd door een eenvoudige, bijna pretentieloze solidariteit en rechtvaardigheid en door het principe van ‘wat jullie zelf zo mooi noemen: gelijke monniken, gelijke kappen’. ‘Wie iets fout deed, nieuwkomer of Nederlander, werd gewoon gestraft in plaats van begeleid’ – hij spreekt het uit met nadruk op elke lettergreep, ‘be-ge-leid’, om de toehoorder in zijn afkeer en verwondering te laten delen. ‘Zie dit land als een magazijn. Dan moet je constateren dat het magazijn bijzonder slecht bewaakt wordt. Voor de oudste ingezetene is het al moeilijk om geen exponent van een graaicultuur te worden, laat staan voor de nieuwkomer. Hij pakt wat hij pakken kan. Voor hem is dat niet eens fout, hij weet niet beter. En wat doet de beheerder van dat magazijn? In plaats van dat hij maatregelen neemt, zegt hij: “Nou ja, ze komen ergens anders vandaan, ze kunnen het eigenlijk niet helpen.” Dat is een dodelijke houding voor beide partijen. De verwarring van de Nederlander wordt op die manier de verwarring van de immigrant.’
Bovendien is het gek genoeg ook een vorm van arrogantie, vreest Rentes. De hele denkwijze berust op ‘een zoölogische aanname’. De nieuwe persoon komt uit het Rifgebergte, is zielig en moet dus anders behandeld worden. Hij zou het bijna een vorm van sociaal-darwinisme noemen, maar dan op z’n Hollands, met een paternalistisch sausje.
Hij heeft het een tijdje kunnen uitstellen, maar nu, is hij bang, moet hij toch echt iets beledigends zeggen: ‘Het probleem met jullie Hollanders is dat jullie het chic vinden om niet te laten merken hoe slecht je bent. Het is not done om te laten zien hoe je echt bent. De weldenkende Nederlander moet de rol van voorbeeldige burger spelen. Hij is lief voor vertrapten met een andere huidskleur, belijdt met zijn mond tolerantie en leest zijn Jan Siebelink om zelfvoldaan te constateren dat hij het benauwde christendom achter zich heeft gelaten. Ondertussen weet hij niet wat er onder zijn vingernagels en tenen aan klein vuil zit. Hij is altijd maar bezig met zijn betere ik, nooit eens met zijn slechtere ik.’
We hebben het dus laten lopen, dat mooie land van de jaren vijftig met die saaie maar betrouwbare vaderlanders? ‘We?’ Rentes weet niet zeker of die term wel op zijn plaats is. In elk geval heeft de politiek het er bij laten zitten. Onder leiding van – dat is nu eenmaal zijn stokpaardje – sociaal-democraten als Pronk en Van Dam is Nederland een ongeloofwaardige morele natie geworden waar een probleemgroep geen probleemgroep mag worden genoemd van de regenten die hij nog met baard en lang haar heeft zien rondhossen achter een spandoek, en waar de arbeiders zich drukker maken om hun vakanties dan om elkaar.
Een moment heeft Rentes de Carvalho nog gedacht dat Ayaan Hirsi Ali de politiek zou opschudden. Maar helaas is de vrouw over wie hij in zijn boek met bewondering schrijft naar Amerika vertrokken. En dat is meer dan jammer, zegt hij, hoewel hij haar ‘niet bijster sympathiek’ vindt, maar ze is wel ‘een uitgesproken politiek dier’. ‘Ze heeft alles wat de Nederlanders willen: ze is leuk, intelligent en zwart.’ Maar al duurt het nog tien jaar, Hirsi Ali zal terugkomen – want in Amerika zijn haar politieke kansen beperkt – en dat is goed voor Nederland.
Maar eerst zullen anderen het vuile werk moeten opknappen. Dat laten Nederlanders graag over aan operettefiguren als Wilders en Verdonk die volgens de hooggestemde standaard niet bij de beschaafde natie horen. En dat is tekenend voor het land dat van geen kwaad over zichzelf wil horen.
Ondanks al dit zelfverheffende zelfbedrog wil Rentes niet uit Nederland weg. Nederland voorziet in zijn twee levensbehoeftes: zijn bijna pathologische verlangen naar netheid en naar aanstoot nemen. ‘Ik kan me nergens zo gezond ergeren als in dit land.’ Eindigt hij toch nog complimenteus, zegt hij met een glimlach.

José Rentes de Carvalho, Gods toorn over Nederland. Atlas, 222 blz., € 19,90