Ik kan niet niét drinken

Enige tijd geleden heb ik me op een bescheiden manier onder behandeling laten stellen wegens te veel alcoholgebruik en alle nare gevolgen van dien, zoals straatvrees, duizelingen, noem maar op.

Eigenlijk kwam ik daarmee van de regen in de drup. Ik ontdekte dat ik moeilijk in staat was om niet te drinken en dat maakte me tamelijk depressief. Dit is de foute weg, dacht ik. Was ik niet naar een bevoegde instantie gegaan, dan had ik weliswaar last gehad van mijn fobieen, maar was ik niet geconfronteerd geweest met een storing waarbij mijn zelfvertrouwen in het geding is.
Ik werkte in die tijd hard. (Ik durfde het huis toch niet uit.) Juist dat harde werken was er de oorzaak van dat ik niet van de drank kon afblijven. Toch vond niemand in mijn omgeving dat ik te veel dronk. Dat kwam doordat ik, zodra ik in een cafe was gearriveerd, me zo angstig voelde dat ik of weer snel wegging, of met de anderen meedronk. Men maakte mij dus zelden onbekwaam mee, of men was zelf onbekwaam.
De Refusal - jazeker, men gebruikt dat middel nog steeds - werkte uitstekend. Ik werd zo strontziek dat ik van de drank afbleef. En inderdaad namen mijn angsten ook af. Maar het vreemde met angst is dat je op het moment dat je er vanaf bent, niet meer beseft dat je het ooit hebt gehad.
Toen kwam de dag - zoals er ook al zovele in mijn leven zijn geweest - dat ik besloot mijn persoonlijkheid het werk te laten doen. Ik zou bewijzen dat ik sterker was dan de alcohol.
Het enige waaraan je denkt wanneer je niet mag drinken, is aan drank. En niet zozeer denk je aan het vocht zelf als wel aan wat het voor je gevoel doet. Je verlangt naar een bepaalde staat; je hebt het gevoel dat er zekere geestesdelen in je kop en in de rest van je lichaam vastzitten en dat die door alcohol ontsloten kunnen worden. Het heeft ook te maken met moeheid. Het lichaam kent verschillende vormen van moeheid. Alcohol veroorzaakt weliswaar de ene vorm van moeheid, maar weet een veel erger gevoel van moeheid te doorbreken.
Denken over alcohol is een aangename bezigheid, maar je moet er - zo ontdekte ik - de tijd voor nemen en hebben. Ik schreef iedere keer dat ik wilde drinken precies op wat ik voelde. En ik ontdekte aldus ook het een en ander.
Bijvoorbeeld als ik zin had om te drinken en dacht: ‘Waarom heb ik zin om te drinken?’ dan raakte ik in een soort paniek waardoor ik absoluut een borrel moest hebben. Dacht ik daarentegen als ik dorst kreeg: 'Waarom had ik daarnet geen dorst?’, dan leek het wel of ik de lust even kon opschorten. Ik leerde zo mijn eigen geest afleiden.
Ik leerde ook dat ik met drinken mezelf liefhad. Drank - die lichte roes bedoel ik eigenlijk - als cadeau voor al dat harde werken wat ik deed. 'Je hebt wel wat verdiend’, was een zin die ik mezelf steeds hoorde zeggen. En ook: 'Het kan nu, het is vier uur. Van vier tot vijf drie borrels, dan twee tot zes, dan gaan we eten, en dan de kroeg in. Het kan nu.’ Door je werktijden te verleggen en door niet te vinden dat je recht hebt op drank, kun je ook jezelf in de maling nemen.
Verder probeerde ik het probleem taalkundig te benaderen. En zo zag ik dat ik in een schijnwereld van allerlei vooronderstellingen leef. Het is blijkbaar zo dat je een gevoel, een fysieke reactie onmiddellijk vertaalt in een zin met een vooronderstelling waarmee je jezelf in de maling neemt. Voorbeeld: 'Een klein beetje mag best.’ Vooronderstelling: drinken is niet slecht voor je, maar zelfs goed. 'Je hebt het verdiend!’ Vooronderstelling: je hebt ervoor gewerkt en dus is het niet slecht.
Het gaat nu goed. Ik kan weer normaal werken - en drinken. Ik ben er nog niet over uitgedacht. Ik ga nu op vakantie.