Maghiel van Crevel over het archief van Chinese dichters

«Ik kan niet zien wat een Chinees ziet»

De Leidse hoogleraar Chinese taal- en letterkunde Maghiel van Crevel heeft het grootste archief ter wereld van het werk van Chinese dichters opgebouwd. In Peking is hij een attractie.

Een poëziehappening in Peking. Locatie: een nieuwe boekhandel vlak bij de oude Dazhong Si, de Tempel van de Grote Klok. De zaal is als een Ikea-hal zo groot. Er worden handtekeningen gevraagd en foto’s genomen, er wordt gelezen en gepraat, en plotseling wordt er ook geschreeuwd, geduwd en getrokken. Middelpunt van de kluwen is een man die gratis dichtbundels uitdeelt. Vechten om poëzie, kan een dichter zich mooier wensen?

Geen wonder, die uitgelaten sfeer: wekenlang heeft Peking vanwege de sarsepidemie platgelegen, en nu komen zo’n twintig kopstukken en mindere goden van de poëtische avant-garde bijeen om het einde van de plaag te vieren.

Het begin doet het ergste vrezen: sars-gelegenheidsversjes en een olympische ode aan Peking 2008. Daarna stijgt de kwaliteit. De meeste gedichten zijn zeer aards en zeer volks: over een stadsdief, Pekings Derde Rondweg, buslijn 331. Een jonge poëet in korte broek leest een gedicht voor dat uitsluitend bestaat uit de namen van dichters. Opvallend veel vrouwen, onder wie een dichteresje van dertien, bewijzen dat dichten niet langer een mannenzaak is.

De hoogleraar Wu Sijing, hoofdredacteur van Verkenningen in de poëzie, China’s belangrijkste academische blad over poëzie, brengt met verve een gedicht van Niu Han, een zeer gerespecteerde dichter uit het officiële circuit, die echter volop openstaat voor de avant- garde. De tachtigjarige zelf zit op de eerste rij en geniet.

Goede dichters, zo blijkt vanavond opnieuw, zijn niet per se goede voordrachtkunstenaars. De grote avant-gardist Xi Chuan (1963) is dat wel. Buiten China werd hij bekend na zijn optreden op Poetry International in Rotterdam acht jaar geleden.

Yin Lichuan (1973) en Shen Haobo (1976), aanjagers van de iconoclastische stroming Onderlijf, stelen de show. Yin Lichuans hippe verschijning en blote buikstrookje vloeken met de ontluisterende poëzie die ze gewend is uit te braken. Shen Haobo schreef in zijn manifest van 2000: «Nadruk op onderlijvig schrijven betekent in de eerste plaats: uitschakeling van de bovenlijvige factor.» Onder enorm applaus roept hij in een gedicht over de oorlog in Irak de Amerikanen toe: «Kom ons maar neuken/ maar niet met je atoombom/ maar met je dollars.» Hij wordt overstemd door een wolkbreuk die zich kletterend manifesteert op het immense platte dak.

Er is nog een andere attractie: de Leidse hoogleraar Chinese taal- en letterkunde Maghiel van Crevel (Rotterdam, 1963). Hij begeleidt een Chinese poëtische rap op de sax en draagt Het huwelijk van Elsschot voor. Voor het eerst klinken voor een Chinees gehoor de onsterfelijke woorden «Want tussen droom en daad/ staan wetten in den weg en praktische bezwaren». Niemand snapt een woord van die zeer exotisch klinkende taal. Het Volksdagblad ook niet: onder een foto van de voordragende Van Crevel wordt Het huwelijk gebombardeerd tot een Nederlandse vertaling van een Chinees gedicht.

Maghiel van Crevel kent alle aanwezige Chinese dichters, en omgekeerd. Ze kennen hem als een mondiale autoriteit op het gebied van de hedendaagse Chinese poëzie, als gerenommeerd vertaler (in het Engels en het Nederlands), als opbouwer van het omvangrijkste archief ter wereld van hun werk.

De poëzieavond vindt plaats tegen het eind van Van Crevels onderzoeksverlof van tien maanden in Peking. De laatste maanden kreeg hij er een taak bij: het verzorgen van een alternatief lesprogramma voor de Leidse sinologiestudenten die met een beurs aan het Pekingse Taleninstituut zaten.

Maghiel van Crevel: «Vanwege sars riepen bijna alle buitenlandse universiteiten hun studenten terug, of ze gingen uit eigen beweging. De colleges werden stilgelegd. Omdat het medisch risico in feite aanvaardbaar was, hebben wij onze studenten zelf de keus gelaten. Van de dertig zijn er twintig gebleven. Ze hebben geweldig gewerkt.»

In die tien maanden heeft Van Crevel veel opgetrokken met Chinese dichters en heeft hij vooral gewerkt aan een wetenschappelijke pil, die volgend jaar af moet zijn: Chinese Poetry in Times of Mind, Mayhem and Money. Zijn Leidse inaugurele rede in 2000 liep op dit opus magnum al vooruit: Poëzie in tijden van geest, geweld en geld. De tijd van de geest is de jaren tachtig, de tijd van het geld is de tijd van thans, en daartussen staat de geweldsuitbarsting van Tiananmen 1989.

Hoe wordt iemand sinoloog? Als jongen van veertien kreeg Van Crevel van een met zijn ouders bevriende sinoloog een boek cadeau met de titel Teach Yourself Chinese, maar naar zijn zeggen kun je die taal nauwelijks leren zonder goed onderricht of verblijf in situ. Het bleef bij vage belangstelling in het achterhoofd. Later ging hij Chinees studeren in Leiden. Na vier jaar trok hij naar de universiteit van Peking. Voor het eerst bleef hij een jaar in China. «Ik heb toen samen met Ma Gaoming een bloemlezing Nederlandse gedichten in het Chinees gemaakt. Ik leerde dichters kennen en kocht alle contemporaine poëzie die ik kon krijgen.» Dat was het begin van zijn archief.

Van Crevel maakte academische carrière: assistent aan het Max Planck-instituut voor psycholinguïstiek in Nijmegen, taaldocent en promovendus in Leiden, in 1996 universitair docent in Sydney. Drie jaar later keerde hij terug naar Leiden, waar hij Wilt Idema, die naar Harvard was vertrokken, opvolgde als hoogleraar Chinese taal- en letterkunde. Onder zijn voorgangers op deze 129 jaar oude leerstoel, gesticht om het Nederlandse koloniale bewind in Indië aan vertalers te helpen, waren illustere sinologen als De Groot, Duyvendak en Hulsewé.

Tweeënhalf, volgens sommigen zelfs drie millennia lang is in China gedicht over eeuwige thema’s, met een canoniek arsenaal aan beelden. De dichters, bijna uitsluitend mannen, hadden een hoog moreel gezag. Er werd hun bovennatuurlijke gevoeligheid toegeschreven.

Maghiel van Crevel: «Volgens een aloude Chinese literaire opvatting is er een driehoeksverhouding tussen hemel, heerser en letteren. De heerser bemoeit zich actief met de letteren, en de letteren beoordelen het handelen van de heerser — ook als hij het slecht doet, en het hemels mandaat verliest. Die prescriptieve rol van heerser én letteren is voortgezet in de Volksrepubliek, soms ook in de avant-garde.»

In de twintigste eeuw kwam alles op losse schroeven te staan. «De literaten verloren hun sacrale status en schreven gedichten die voor de massa begrijpelijk waren. Daarna kregen velen tijdens de burgeroorlog en de Japanse bezetting het verwijt te horen dat ze in een ivoren toren leefden.»

Geheel in de lijn der traditie was Mao niet onverschillig voor kunst en literatuur: hij maakte ze ondergeschikt aan de partij, en wees ze hun plaats als propagandisten van de revolutie. Die taakomschrijving is nooit herroepen, al staat de huidige praktijk ver af van Mao’s voorschrift. «Maar nog altijd stelt de regering zich actief ten doel een opvatting te hebben over kunst en literatuur.»

De dichtkunst kwam te ressorteren onder de partijcommissaris. Daarmee begon de zelfcensuur. Wie het socialistisch realisme omhelsde kon rijkelijk beloond worden, soms zelfs met een ministerschap. Dichters die zich aan «individualisme» of andere contrarevolutionaire zonden schuldig maakten, waren echter hun vrijheid niet zeker. De vervolging bereikte een hoogtepunt tijdens de Culturele Revolutie, toen de romancier en korte-verhalenschrijver Lao She door Mao’s Rode Wachters werd vermoord. De universiteiten gingen dicht, studenten en intellectuelen werden het platteland op gestuurd om van ongeletterde boeren de correcte revolutionaire mentaliteit te leren. Maar ondergronds bloeide de poëzie op, ook letterlijk: «Teksten werden soms begraven in de grond. Met de hand geschreven gedichten liet je aan je vrienden zien, en die schreven ze dan over. Uit dit ondergrondse circuit is de avant-garde voortgekomen.»

Met de machtsovername van Deng Xiaoping in 1978 komt de ondergrondse poëzie bovengronds, zij het eerst nog met publicaties in eigen beheer. Daarmee begint de hedendaagse dichtkunst. Niet dat de oude poëzie verdwijnt. Nog altijd worden er gedichten in klassieke stijl geschreven. Nog altijd zijn er dichters met mooie huizen en een auto met chauffeur, die op kosten van de partij buitenlandse reizen maken. En nog altijd worden dithyramben op hedendaags beleid geschreven, propagandapamfletten in versvorm.

«Van dat spul», bekent Van Crevel, «raak ik niet opgewonden, maar je moet het wel in de gaten houden. De hedendaagse boer of arbeider wordt er veel meer door geraakt dan door de avant-garde, al heeft de orthodoxie het in de Chinese en de internationale literaire wereld volledig afgelegd tegen de avant-garde.»

De creatieve explosie van de jaren tachtig ging het regime vaak te ver. Vooral in Chengdu, de hoofdstad van de provincie Sichuan en samen met Peking het belangrijkste poëziecentrum van China, werden met grote regelmaat dichters opgepakt. Sinds 1986 verscheen in Sichuan het onafhankelijke blad Feifei (Neen), gemaakt door een collectief van belangrijke dichters.

«Ze bedachten geestige poëtische theo rieën en sloopten heilige huisjes. Het waren dichters, geen politieke activisten. Feifei zei niet: weg met de partij. Ze zouden wel gek zijn. Maar het blad ademde de Zeitgeist, een levensgevoel dat niet paste in het wereldbeeld van de partij. Het werd onwelvoeglijk gevonden, ongezond, decadent, onverstandig. Het was een ongelooflijk liberale periode, het ging van gek tot nog raarder.»

En toen kwam Tiananmen 1989 en begonnen de zuiveringen: binnenlandse arrestaties en buitenlandse ballingschap (bijvoorbeeld voor Duoduo en Bei Dao). Redacteuren van officiële literaire tijdschriften die een open oog hadden gehad voor de spannende ontwikkelingen en ook werk van niet-officiële dichters hadden gepubliceerd, raakten hun baan kwijt. Zhou Lunyou, de drijvende kracht achter Feifei, werd «wegens gedrag dat instigeert tot contrarevolutionaire activiteiten» veroordeeld tot drie jaar werkkamp.

In de loop van de jaren negentig raakt China verslingerd aan het geld. De poëzie komt in de maatschappelijke zijlijn terecht. Dat heeft ook zijn voordelen: de dichtkunst kan zich beter ontwikkelen, en de autoriteiten laten de dichters met rust zolang die niet rechtstreeks het systeem aanvallen. Maghiel van Crevel: «De officiële houding tegenover dissidenten is tegenwoordig: als jij in je bijkeuken wilt rotzooien, dan doe je dat maar. Je kunt nu veel publiceren zolang je maar afblijft van de politiek in engere zin.»

Avant-gardedichters die tevens activist zijn hoeven nog altijd niet te rekenen op clementie. Zo viel de Sichuanees Liao Yiwu, aanvankelijk een troetelkind van de literaire bonzen, in ongenade toen hij in het geheim een film had gemaakt over het bloedbad van Tiananmen. Sindsdien gaat deze avant-gardist van politiebureau naar gevangenis en van gevangenis naar werkkamp. Sinds eind 2002 zit hij opnieuw in de problemen, na het ondertekenen van een petitie aan de nieuwe partij leiders. In juli was hij medewinnaar van de prestigieuze Hellman-Hammett-prijs voor vervolgde schrijvers.

Van Crevel verzet zich heftig tegen de westerse opvatting dat poëzie in China per se een politieke zaak is. «Dichters die wel eens over politiek schrijven, moet je onderscheiden van politieke activisten die wel eens een gedicht schrijven. Die worden dan ook opgepakt. In het Westen leeft het beeld van de tragische dichter in een dictatuur. Iemand als Bei Dao, wiens gedichten werden gelezen door de Tiananmen-studenten, is door de Chinese autoriteiten en de westerse media tegen wil en dank tot politieke dissident gemaakt. Joop van Tijn trof die misvatting goed toen hij in een interview met Duoduo de openingsvraag stelde: ‹Wat is er mooier dan dichter te zijn onder een dictatuur?›»

De avant-garde vormt geen compacte groep. Er kwamen dichters op die niets moesten hebben van de hoogdravende stijl die de vroege avant-garde kenmerkte. «Vanaf het midden van de jaren tachtig kwamen er mensen als Han Dong (1961) en Yu Jian (1954) die zich verzetten tegen het gebruik van de metafoor en veel aandacht gaven aan de dagelijkse trivia. Yu Jian publiceerde in 1994 Dossier Nul, een gedicht van vijfduizend woorden over het persoonlijk dossier dat van iedereen in de Volksrepubliek wordt bijgehouden. Het gedicht is zelf ook een dossier. Het was een ontploffing in poëzieland.» Van Crevel citeert zijn vertaling:

schrijven overschrijven afdrukken compileren altijd met vulpen kleurvaste inkt

duidelijk handschrift ongeldig indien gewijzigd vervalsing streng verboden niet overdraagbaar in te vullen door bevoegden

300 karakters per pagina vereenvoudigd schrift Arabische cijfers groot schrijven classificeren differentiëren archiveren

categorie en subcategorie toevoegen chronologische volgorde verdelen naar aard en inhoud in

categorie A categorie B categorie C paginering toevoegen ten slotte vóór het innaaien nietjes verwijderen

alsmede paperclips spelden en andere metalen objecten innaaien met draad zorgen dat de tekst aan de randen goed zichtbaar blijft

pagina’s per boek recht afsnijden gladstrijken aandrukken ten slotte afleveren bij het archief gesorteerd geteld nagekeken correct bevonden

getekend voor aflevering van het dossier en ontvangst van het dossier aan de hand van de nummers naar zijn afdeling zijn gangpad

zijn type zijn niveau zijn rij zijn vakje zijn plek opbergen wegsluiten

kast sluiten sleutel insteken 360° draaien licht doven eerste deur sluiten

sleutel insteken 360° draaien tweede deur sluiten sleutel insteken

360° draaien derde deur sluiten sleutel insteken 360° draaien

anti-inbraak-deur sluiten sleutel insteken 360° draaien

uitnemen

Maghiel van Crevel: «Je kunt in de poëzie van de laatste 25 jaar ruwweg twee richtingen onderscheiden, waarvoor ik nu eindelijk de woorden denk te hebben gevonden: boven zinnelijk en aards. Wie het ene kiest, verkettert vaak het andere, maar in beide kampen worden zowel goede als slechte gedichten gemaakt. Van 1998 tot 2000 woedde een gigantische polemiek.»

De scheidslijn tussen avant-garde en orthodoxie is vager geworden. «Je kunt avant-gardisten niet erger beledigen dan door hen guanfang (officieel) te noemen. Toch publiceren avant-gardisten ook in officiële tijdschriften. Daar staat niet automatisch alleen maar orthodoxe bagger in.»

Avant-gardisten en orthodoxen delen meer dan ze zelf denken. Hun grafomanie bijvoorbeeld. «Het fenomeen geschreven tekst is in China verschrikkelijk belangrijk. Overal staan teksten. Teksten hebben status. Dertig jaar geleden waren ze allemaal politiek, nu is dat veel minder, en is er veel meer commerciële reclame.»

Van Crevel is zelf ook een grafomaan. Vijftien jaar geleden begon hij teksten van moderne Chinese dichters te verzamelen. Zijn archief, dat iedereen in Leiden kan komen inzien, bestaat nu uit honderden boeken en tijdschriften, geschriften van Chinese critici en geleerden over Chinese poëzie, en voor iedere dichter een eigen dossier, resultaat van jaren veldwerk. «De dossiers omvatten correspondentie die ik met de dichter heb gehad, kopieën van manuscripten, foto’s, geluids- en video-opnamen, aantekeningen, zelfs een bierviltje met daarop de vuilbekkerij die me door een dichter is geleerd.»

Hij blijft het leuk vinden «de hort op te gaan, bij de mensen thuis te komen, de wereld te leren kennen waarin zij hun gedichten schrijven. Vroeger maakte ik me vaak zorgen over hun veiligheid, vanwege de ideologische repressie. Tegenwoordig zijn er meestal alleen maar logistieke problemen.» Hij vertelt de Chinese dichters dat ook in het Westen poëzie een zeer elitaire bezigheid is («daar is overigens niets mis mee»). Hij heeft gemerkt dat Chinese dichters meer hebben gelezen van westerse auteurs dan andersom.

Maakt hij zich, door Chinese poëzie te benaderen met een «westerse» blik, schuldig aan cultureel imperialisme? Dat vindt hij politiek correcte onzin: «Met wat voor blik moet ik dan kijken? Het enige alternatief is niet kijken. Om het gechargeerd te zeggen: ik kan niet zien wat een Chinees ziet — wat natuurlijk niet wegneemt dat ik me verdiep in wat de Chinees zegt dat hij ziet. En de tegenstelling Chinees-westers is verre van absoluut.»